-A +A

Gelijktijdige manoeuvers

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 30/09/2009

Door van rijstrook te veranderen voert een bestuurder een manoeuvre uit in de zin van artikel 12.4 van de straatcode.

Door een voertuig vanuit stilstand terug in beweging te stellen, voert een (andere) bestuurder eveneens een manoeuvre uit in de zin van artikel 12.4 van de wegcode.

Er bestaat geen wettelijke basis om een hiërarchie tussen verscheidene manoeuvres te staven; de onderlinge verplichtingen van bestuurders die elk een manoeuvre uitvoeren, worden geregeld door andere bepalingen van de straatcode, en zo onder meer de voorrang van rechts- regel, waarbij het zonder belang is te weten wie als eerste een manoeuvre aanvatte nu in de verkeerswetgeving geen onderscheid gemaakt wordt tussen een eerst en een laatst begonnen manoeuvre.

Het van rechts komen van een bestuurder moet beoordeeld worden ten overstaan van de rijrichting van de voertuigen, en niet ten aanzien van de zithouding van de bestuurders (zie ook Brussel 13 februari 1991, VKJ 91 /132).

De bestuurder die voorrang moet verlenen, mag slechts verderrijden indien hij zulks kan doen zonder gevaar voor ongevallen, gelet op de plaats van de andere weggebruikers, hun snelheid en de afstand waarop ze zich bevinden. Deze verplichting van de voorrangsplichtige bestuurder is niet onderworpen aan de voorwaarde dat de voorranghebbende weggebruiker op de rijbaan een plaats bezet, die door het reglement op het wegverkeer voorgeschreven is (Cass. 22 september 1964 en 19 oktober 1964, Pas. 1965, I, 69 en 79; Brussel 15 maart 1979, RW 1980-81, 933).

De voorrangsplichtige kan alleen dan aan zijn aansprakelijkheid ontsnappen wanneer hijzelf geen enkele fout beging en de voorranghebbende weggebruiker daarentegen zijn redelijke verwachtingen in de war stuurde, in die mate dat hij voor hem een geval van overmacht betekende (zie ook Cass. 27 oktober 1975, De Verz. 1977, 441).

De bestuurder die een manoeuvre uitvoert, moet de andere bestuurders geen voorrang verlenen indien dat manoeuvre geen ongevalsrisico inhoudt (zie Mons 12 november 1993, Verkeersrecht 1995/44).

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift van de Politierechters
Uitgever: 
die Keure
Jaargang: 
2011/2
Pagina: 
65
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

[...]
Eiseres vordert van verweerster vergoeding van voertuigschade ten bedrage van 1.972,42 euro zoals uitgebreid in conclusie, meer intresten en kosten, ingevolge verkeersongeval te Lint op 10 januari 2007 omstreeks 19u40 tussen het voertuig Ford Galaxy, eigendom van eiseres en bestuurd door G.J., en het voertuig Nissan Patrol, bestuurd door Van H.S. (WAM-verzekerde van verweerster), waarvoor eiseres meent dat verzekerde van verweerster verantwoordelijk is wegens inbreuk op artikel 10.1.1 en 3 en artikel 12.4 van de straatcode.

Eiseres stelt dat G.J. op voormelde plaats, datum en uur met het voertuig Ford Galaxy op de Lintsesteenweg reed richting spoorwegovergang, dat G.J. op zeker ogenblik voor hem een voertuig Nissan bestuurd door verzekerde van verweerster opmerkte dat stilstond, dat G.J. met het door hem bestuurde voertuig Ford dit stilstaande voertuig Nissan links voorbijreed en, na dit te zijn voorbijgereden, terug naar rechts in zijn rijrichting wilde rijden, maar dat er zich alsdan een aanrijding voordeed tussen de rechterzijflank van het door G.J. bestuurde voertuig Ford en de linkervoorhoekszijde van het voertuig Nissan bestuurd door verzekerde van verweerster die het door hem bestuurde voertuig Nissan vanuit stilstand terug in beweging stelde op het ogenblik dat G.J. met het door hem bestuurde voertuig Ford terug naar rechts kwam gereden.

Verweerster stelt echter dat haar verzekerde met het door hem bestuurde voertuig Nissan even gestopt was om de weg te vragen aan een voetganger en dat haar verzekerde met het door hem bestuurde voertuig Nissan reeds terug vertrokken was toen hij plots langs links de pas werd afgesneden door het voertuig Ford Galaxy bestuurd door G.J. die aanvankelijk met het door hem bestuurde voertuig Ford ook achter het stilstaande voertuig Nissan stond, maar klaarblijkelijk het geduld niet had te wachten en het voertuig Nissan via de linkerrijstrook voorbijstak.

Door beide in het ongeval betrokken bestuurders werd een tegensprekelijk aanrijdingsformulier opgesteld waarop enerzijds verzekerde van verweerster onder punt 14 opmerkingen” van het voor hem bestemde luik A vermeldde: voertuig B sneed mijn pas af, er is geen parking” en anderzijds G.J. onder punt 12 toedracht” van het voor hem bestem-de luik B aankruiste haalde in” en onder punt 14 opmerkingen” vermeldde: reed weg uit parkeerstand waar men niet mag parkeren” .

De rechtbank wenst op te merken dat met de verklaring van zekere getuige W.W. geen rekening kan gehouden worden gezien deze niet tegensprekelijke en niet in de onverdachte periode opgegeven getuige niet kan beschouwd worden als een getuige die de vereiste waarborgen van objectiviteit vertoont.

Verweerster betwist alleszins niet dat de aanrijding zich voordeed nadat haar verzekerde net uit stilstand was vertrokken (zie conclusie verweerster pagina 7 B.1), betwist niet dat het vertrekken vanuit stilstand een manoeuvre uitmaakt in de zin van artikel 12.4 van de straatcode, maar stelt dat ook G.J., door het stilstaande voertuig voorbij te rijden over de linkerrijstrook en door van de linkerrijstrook terug naar rechts op de rechterrijstrook over te gaan, een manoeuvre uitvoerde in de zin van artikel 12.4 van de straatcode, zodat (gelet op beide manoeuvres) in onderhavige zaak de voorrang van rechtsregel dient toegepast te worden en derhalve G.J. voorrang diende te verlenen aan het opzichtens hem van rechts komende voertuig Nissan bestuurd door verzekerde van verweerster.
Het feit dat G.J. het stilstaande voertuig Nissan langs links over de linkerrijstrook voorbijreed is niet foutief, evenmin als het feit dat G.J. vervolgens van de linkerrijstrook terug naar rechts in zijn rijrichting op de rechterrijstrook wenste te gaan.

Door van rijstrook te veranderen voerde G.J. alleszins wel een manoeuvre uit in de zin van artikel 12.4 van de straatcode.

Door zijn voertuig Nissan vanuit stilstand terug in beweging te stellen, voerde verzekerde van verweerster eveneens een manoeuvre uit in de zin van artikel 12.4 van de straatcode (het ongeval gebeurde v r 28 februari 2007, datum tot waarop het vertrekken vanuit stilstanduitdrukkelijk als een manoeuvre was voorzien).

Er bestaat geen wettelijke basis om een hiërarchie tussen verscheidene manoeuvres te staven; de onderlinge verplichtingen van bestuurders die elk een manoeuvre uitvoeren, worden geregeld door andere bepalingen van de straatcode, en zo onder meer de voorrang van rechts- regel, waarbij het zonder belang is te weten wie als eerste een manoeuvre aanvatte nu in de verkeerswetgeving geen onderscheid gemaakt wordt tussen een eerst en een laatst begonnen manoeuvre.

Het van rechts komen van een bestuurder moet beoordeeld worden ten overstaan van de rijrichting van de voertuigen, en niet ten aanzien van de zithouding van de bestuurders (zie ook Brussel 13 februari 1991, VKJ 91 /132).

Dat in de gegeven omstandigheden verzekerde van verweerster hoe dan ook dient beschouwd te worden als een opzichtens G.J. van rechts komende bestuurder aan wie G.J. in principe voorrang diende te verlenen.

De bestuurder die voorrang moet verlenen, mag slechts verderrijden indien hij zulks kan doen zonder gevaar voor ongevallen, gelet op de plaats van de andere weggebruikers, hun snelheid en de afstand waarop ze zich bevinden. Deze verplichting van de voorrangsplichtige bestuurder is niet onderworpen aan de voorwaarde dat de voorranghebbende weggebruiker op de rijbaan een plaats bezet, die door het reglement op het wegverkeer voorgeschreven is (Cass. 22 september 1964 en 19 oktober 1964, Pas. 1965, I, 69 en 79; Brussel 15 maart 1979, RW 1980-81, 933).

De voorrangsplichtige kan alleen dan aan zijn aansprakelijkheid ontsnappen wanneer hijzelf geen enkele fout beging en de voorranghebbende weggebruiker daarentegen zijn redelijke verwachtingen in de war stuurde, in die mate dat hij voor hem een geval van overmacht betekende (zie ook Cass. 27 oktober 1975, De Verz. 1977, 441).

Op het ogenblik dat G.J. het stilstaande voertuig Nissan begon voorbij te rijden en aan het voorbijrijden was, was er geen gevaar voor ongevallen en had zijn manoeuvre dan ook geen voorrangsverplichting tot gevolg opzichtens verzekerde van verweerster; het gevaar voor ongevallen of de hinder voor andere weggebuikers moet beoordeeld worden op het ogenblik van het uitvoeren van het manoeuvre (zie ook Cass. 2 januari 1961, Pas. 1961, I, 463; Cass. 7 september 1964, Pas. 1965, I, 89).
De bestuurder die een manoeuvre uitvoert, moet de andere bestuurders geen voorrang verlenen indien dat manoeuvre geen ongevalsrisico inhoudt (zie Mons 12 november 1993, Verkeersrecht 1995/44).

In de gegeven omstandigheden blijkt dan ook dat G.J. alsdan weliswaar een manoeuvre uitvoerde, doch dat hij alsdan in de gegeven omstandigheden geen welkdanige voorrangsverplichting miskende daar waar er geen ongevalsrisico was.
Op het ogenblik dat G.J. terug naar rechts wenste te gaan en dus van de door hem gevolgde linkerrijstrook terug naar de rechterrijstrook overging, voerde hij eveneens een manoeuvre uit waaraan in principe ook geen ongevalsrisico en dan ook geen voorrangsverplichting vasthing, ware het niet dat verzekerde van verweerster op dat ogenblik ook een manoeuvre uitvoerde zodat G.J., gelet op de gelijktijdigheid van manoeuvres, in principe toch voorrang diende te verlenen aan het opzichtens hem van rechts komende voertuig Nissan bestuurd door verzekerde van verweerster.
De rechtbank is echter de mening toegedaan dat verzekerde van verweerster in de gegeven omstandigheden de normale verwachtingen van G.J., en die van ieder ander normaal voorzichtig en redelijk bestuurder in dezelfde omstandigheden, in de war heeft gebracht en dat hij in deze omstandigheden het rechtmatig vertrouwen van G.J. die bij het uitvoeren van zijn manoeuvre ervan mocht uitgaan dat hij verder mocht rijden zonder gevaar voor ongevallen, gelet op de plaats en de stilstand van het door verzekerde van verweerster bestuurde voertuig Nissan, heeft verschalkt.

Dat alleszins naar de mening van de rechtbank enige fout of onvoorzichtigheid in hoofde van G.J., al of niet in oorzakelijk verband met het ongeval en de daaruit voortvloeiende schade, niet blijkt, noch naar genoegen van recht wordt aangetoond.

Indien echter twee bestuurders gelijktijdig een manoeuvre (aan het) uitvoeren (zijn) en uit het onderzoek blijkt dat n van hen niet voldoende aandachtig is geweest gedurende gans de uitvoering van zijn manoeuvre en niet voldoende heeft nagegaan of het manoeuvre kon worden uitgevoerd zonder gevaar voor ongevallen, is deze bestuurder aansprakelijk voor het ongeval (in voorkomend geval bij inbreuk op art. 10. 1.3 ; zie ook Vred. Turnhout 6 november 1992, Verkeersrecht 93/114).

Het komt de rechtbank in de gegeven omstandigheden dan ook voor dat enkel verzekerde van verweerster niet de nodige aandacht aan de dag heeft gelegd bij het uitvoeren van zijn manoeuvre en dat enkel verzekerde van verweerster een fout heeft begaan in de zin van artikel 1382-1383 BW bij inbreuk op artikel 10.1.3 van het verkeersreglement en dit in oorzakelijk verband met het ongeval en de daaruit voortvloeiende schade.

Daar waar G.J. in de gegeven omstandigheden op geen enkele wijze nog op nuttige wijze voorrang kon verlenen aan verzekerde van verweerster, blijkt integendeel dat verzekerde van verweerster dit nog wel op nuttige wijze kon doen in die zin dat hij had kunnen verwachten dat er achter hem voertuigen zouden zijn die zijn stilstaande voertuig Nissan links zouden willen voorbijrijden en zich terug rechts zouden willen positioneren; indien verzekerde van verweerster zich ook maar eventjes zou hebben vergewist of hij niet links werd voorbijgereden door enig voertuig dat zich dan logischerwijze terug rechts zou willen opstellen, zou het ongeval, zoals het zich in concreto heeft voorgedaan, zich niet hebben voorgedaan.
De door bewijskrachtige stukken gestaafde vordering van eiseres is dan ook om bovenvermelde redenen gegrond.
 

Noot: 

Dirk van Trimpont , Bij gelijktijdige manoeuvres geldt niet de voorrang die door artikel 12.4 wegverkeersreglement wordt voorgeschreven, maar gelden de overige bepalingen van het wegverkeersreglement.(Veelal wordt de voorrang van rechts toegepast). T. pol 2011-65

Overige rechtsleer

• A. vanDeplas, Over manoeuvres in het wegverkeer , RW 1999-2000, 498).

Rechtspraak:

Rb. Liège 19 oktober 2004, T.Vred.2005, 305
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 20/12/2011 - 20:11
Laatst aangepast op: ma, 31/07/2017 - 11:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.