-A +A

Geldige ademanalyse sluit de onwettige weigering van een bloedproef uit

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Correctionele Rechtbank
Plaats van uitspraak: Turnhout
Datum van de uitspraak: 
don, 11/12/1997

Een bloedproef mag geweigerd worden na een correcte uitgevoerde ademtest met een geldig resultaat met minder dan 0,5 promille alcoholgehalte.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
1999-2000
Pagina: 
99
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

O.M. t/ S.

Beklaagd als hebbende: te Turnhout op 2 mei 1997, zonder wettige reden geweigerd te hebben het in art. 63, § 1, bedoelde bloedmonster te laten nemen (art. 34, § 2.3° en art. 38, § 1.1°, wet betreffende de politie over het wegverkeer — K.B. tot coördinatie van 16 maart 1968).

Gezien het hoger beroep tegen een vonnis van 29 september 1997, van de Politierechtbank te Turnhout,

Overwegende dat beklaagde op 2 mei 1997 ingevolge verkeerscontrole te Turnhout, op de Kempenlaan aldaar, als bestuurder van een voertuig en tekenen van alcoholopname vertonende, door de politie van Turnhout werd onderworpen aan een ademtest. Dat deze test werd uitgevoerd met het ademtesttoestel Drager 7410 nummer 0216, met geldigheid tot 31 augustus 1997 en de display van dit toestel als resultaat de code P aangaf.

Overwegende dat beklaagde vervolgens toestemde tot de ademanalysetest, na hiertoe verzocht te zijn geweest, en dat deze test gebeurde met de ademanalysator Seres Breathanalyser 679T-B 8478, geldig tot 7 november 1997.

Dat deze ademanalysetest werd uitgevoerd volledig conform aan de wettelijke bepalingen terzake geldend.

Dat aan beklaagde tevens werd uitgelegd dat hij een tweede ademanalyse mocht vragen en dat bij verschil tussen de twee resultaten van meer dan het wettelijke bepaalde nauwkeurigheidsvereiste, een derde analyse zou worden uitgevoerd.

Overwegende dat na een eerste uitgevoerde analysetest het ademanalysetoestel een geldig resultaat gaf van 0,00 mg/l uitgeademde alveolaire lucht.

Dat beklaagde geen tweede ademanalysetest vroeg.

Overwegende dat daaropvolgend de verbalisanten, vermoedend dat er iets schortte aan de werking van het toestel breathanalyser, contact opnamen met de magistraat van dienst, die instructie gaf om beklaagde te verzoeken of hij bereid was andermaal een ademanalysetest af te leggen en bij weigering een geneesheer te vorderen voor het nemen van een bloedstaal en het opstellen van een klinisch attest.

Overwegende dat beklaagde weigerde om nogmaals een ademanalysetest af te leggen waarna een geneesheer werd gevorderd.

Dat beklaagde evenwel de bloedproef weigerde.

Overwegende dat het openbaar ministerie de veroordeling van beklaagde vordert, stellende dat de verplicht opgelegde bloedproef werd geweigerd.

Dat het openbaar ministerie hiervoor verwijst naar een vonnis van 21 december 1995 van de vierde bis-kamer dezer rechtbank (R.W., 1996-97, 15).

Dat in de casus, welke aanleiding gaf tot de beslissing van 21 december 1995, evenwel de situatie niet gelijkaardig was aan de thans voorliggende feitelijkheden.

Dat in de voormelde casus er een ongeldig resultaat werd verkregen en dit tot tweemaal toe.

Dat deze toestand terecht werd beschouwd als een onmogelijkheid om tot uitvoering van een ademanalyse over te gaan en dientengevolge de bloedproef terecht verplicht werd gesteld.

Overwegende dat in casu de ademanalysetest evenwel op geheel correcte wijze werd uitgevoerd en dat deze een geldig resultaat vertoonde.

Dat derhalve de correct uitgevoerde ademanalysetest met een geldig resultaat een indicatie van 0,00 mg/liter uitgeademende alveolaire lucht vertoonde.

Dat dit gegeven derhalve geen enkele verplichting inhield om beklaagde aan de bloedproef te onderwerpen.

Dat de veronderstelling van de verbalisanten dat de ademanalysator niet naar behoren zou hebben gewerkt, een éénzijdige veronderstelling is en geen wettelijke grondslag betekent om aan te nemen dat de ademanalyse niet kon worden uitgevoerd, temeer daar in concreto dit toestel een geldig resultaat aangaf.

Dat de beklaagde immers onmiddellijk na het afleggen van de ademtest, welke code P aangaf, de goede werking van dit toestel betwistte.

Overwegende dat inachtgenomen het verkregen geldig resultaat ingevolge uitgevoerde ademanalysetest, er in deze derhalve geen verplichting bestond tot toepassing van de bloedproef op grond van art. 63 § 1, van de Wet betreffende de politie over het wegverkeer. Dat er dientengevolge ook geen sprake is van een wederrechtelijke weigering van beklaagde tot het laten nemen van een bloedmonster.

Noot: 

Ongena, Een geldige ademanalyse sluit de onwettige weigering van een bloedproef uit, RW 1999-2000, 99

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 19/01/2018 - 12:02
Laatst aangepast op: do, 25/01/2018 - 13:37

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.