-A +A

In geld waardeerbaar is het beroep tegen vonnis waarbij vordering werd afgewezen en de verliezer wordt verwezen in de betaling van rechtsplegingsvergoeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 09/06/2017
A.R.: 
C.16.0231.N

In geld waardeerbaar is het beroep tegen vonnis waarbij vordering werd afgewezen en de verliezer wordt verwezen in de betaling van rechtsplegingsvergoeding. Derhalve zal de verlieze in beroep enkelm veroordeeld kunnen worden wat de rechtsplegingsvergoeding betreft louter berekend op basis van het bedrag van de veroordeling tot de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en niet op basis van de berekening van de rechtsplegingsvergoeding volgens het tarieef van de niet in geld waardeerbare vordering. 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
383
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

abstract: van zodra een rechter een partij veroordeelt tot betaling van een som, weze het een loutere rechtsplegingsvergoeding, is het hoger beroep tegen dit vonnis een in geld waarbare vordering.

(A.U.d.S.W. / Vlaams Gewest - Rolnr.: C.16.0339.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 januari 2016.

Advocaat-generaal R. Mortier heeft geconcludeerd.

II. Cassatiemiddelen
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste middel
1. Artikel 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

Krachtens artikel 1018 Gerechtelijk Wetboek omvatten de kosten onder meer: 6° de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in artikel 1022.

Krachtens artikel 1022, eerste lid Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

2. Artikel 827, eerste lid Gerechtelijk Wetboek, dat een bijzondere wet is zoals bedoeld in artikel 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat iedere afstand de verplichting meebrengt tot betaling van de kosten, die de voorzitter aan de afstanddoende partij oplegt bij gewone beschikking, gesteld onderaan op de begroting van de kosten, de partijen tegenwoordig zijnde of door de griffier opgeroepen.

3. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat in geval van afstand van geding de afstanddoende partij in de kosten dient te worden verwezen en dat deze kosten de rechtsplegingsvergoeding ten gunste van de wederpartij omvatten.

4. Het middel dat aanvoert dat de in artikel 827, eerste lid Gerechtelijk Wetboek bedoelde kosten niet de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in de artikelen 1018, 6° en 1022 Gerechtelijk Wetboek omvatten of dat de rechter minstens in concreto moet onderzoeken of de partij die afstand doet beschouwd kan worden als de in het ongelijk gestelde partij, steunt op een verkeerde rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht.

Tweede middel
Tweede onderdeel
5. Krachtens artikel 2, tweede lid tarief rechtsplegingsvergoeding wordt het bedrag van een in geld waardeerbare vordering vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Gerechtelijk Wetboek in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg.

Krachtens artikel 2, eerste lid tarief rechtsplegingsvergoeding bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor in geld waardeerbare vorderingen die meer bedragen dan 10.000,01 EUR en minder dan 20.000 EUR, na tweede indexatie krachtens artikel 8 van dit besluit, 1.210 EUR.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de vordering van de eiseres in hoger beroep betrekking had op de rechtsplegingsvergoeding van 11.000 EUR tot betaling waarvan zij door de eerste rechter was veroordeeld.

De vordering in hoger beroep betrof aldus een in geld waardeerbare vordering, waarvoor het basisbedrag overeenkomstig artikel 2 tarief rechtsplegingsvergoeding 1.210 EUR bedraagt.

7. Door, na afwijzing van het hoger beroep de eiseres te veroordelen tot betaling van een basisbedrag van 1.320 EUR voor de procedure in hoger beroep, schenden de appelrechters de voormelde wetsbepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

Kosten
8. Wanneer cassatie wordt uitgesproken zonder verwijzing doet het Hof uitspraak over de kosten krachtens artikel 1111, laatste lid Gerechtelijk Wetboek.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het aan de verweerder als rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep meer dan 1.210 EUR toekent.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Zegt dat er geen aanleiding is tot verwijzing van de zaak naar een ander hof van beroep.

Verwijst de eiseres en de verweerder elk in de helft van de kosten van de cassatieprocedure.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 615,19 EUR.

VOORZIENING IN CASSATIE

Feiten en procedurevoorgaanden
1. Bij exploot van 23 juli 2003 liet de vader van eiseres verweerder dagvaarden voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel tot betaling van 3.105.000 EUR.

Verweerder concludeerde tot de ontoelaatbaarheid, niet-ontvankelijkheid wegens verjaring, minstens ongegrondheid van de vordering met veroordeling van de eiser tot betaling van alle gerechtskosten.

In de loop van het geding vroeg de vader van eiseres de zaak op te schorten totdat de Raad van State uitspraak zou gedaan hebben over het door hem ingestelde annulatieberoep. Dit annulatieberoep werd verworpen bij arrest van 28 september 2007.

Na het overlijden van haar vader op 10 mei 2006, hernam eiseres het geding dat werd ingeleid door haar vader en verklaarde zij afstand te doen van het geding. Zij voerde daarbij aan geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd te zijn.

Deze afstand werd door verweerder aanvaard, die evenwel nog de betaling van de gerechtskosten vroeg, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

Bij vonnis van 12 maart 2012 verleende de eerste rechter eiseres akte van haar afstand en van de aanvaarding ervan door verweerder. Eiseres werd veroordeeld tot betaling van de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van 11.000 EUR.

2. Eiseres stelde hoger beroep tegen dit vonnis in bij verzoekschrift van 10 juli 2012. Zij kwam hierbij op tegen de beslissing omtrent de rechtsplegingsvergoeding.

In het bestreden arrest verklaart de appelrechter het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond. Eiseres wordt veroordeeld tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van 16.500 EUR. De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep wordt vastgesteld op 1.320 EUR.

Eerste middel tot cassatie
Geschonden wetsbepalingen
- de artikelen 827, 1017, 1018 en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing
De appelrechters veroordelen eiseres tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 16.500 EUR voor wat betreft de procedure in eerste aanleg, op grond van de volgende overwegingen:

“9. Artikel 827 Ger.W. bepaalt:

Iedere afstand brengt verplichting mee tot betaling van de kosten, die de voorzitter aan de afstanddoende partij oplegt bij gewone beschikking, gesteld onderaan op de begroting van de kosten, de partijen tegenwoordig zijnde of door de griffier opgeroepen.

De beschikking is uitvoerbaar niettegenstaande iedere voorziening.

10. [Eiseres] verwijst naar artikel 1017 Ger.W. dat stelt dat de gerechtskosten ten laste vallen van 'de in het ongelijk gestelde partij' en zij laat gelden dat zij te dezen niet in het ongelijk werd gesteld doch dat de rechtbank haar slechts akte verleende van haar afstand van geding.

Artikel 1017 Ger.W. bepaalt een algemene regel die van toepassing is 'tenzij bijzondere wetten anders bepalen'. Artikel 827 Ger.W. maakt te dezen een afwijkende regel uit.

11. De omstandigheid dat [verweerder] zich met de afstand akkoord verklaarde is op zich irrelevant. Het akkoord van [verweerder] was in dit geval een voorwaarde voor het verlenen van de afstand (art. 825 en 826, eerste lid Ger.W.). Het akkoord werd bovendien bevestigd bij een conclusie waarbij [verweerder] uitdrukkelijk de gerechtskosten vorderde. De eerste rechter was dus in geen geval verplicht de gerechtskosten om te slaan.

12. [Eiseres] suggereert een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof i.v.m. een beweerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikelen 1017 jo. 1022 Ger.W. of door de wet van 21 april 2007 maar deze vragen zijn niet pertinent nu de eerste rechter toepassing heeft gemaakt van artikel 827 Ger.W.

Met toepassing van artikel 1018, 6° omvatten de gerechtskosten de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in artikel 1022 Ger.W.

De eerste rechter heeft bijgevolg terecht de gerechtskosten, inclusief de rechtsplegingsvergoeding, ten laste gelegd van [eiseres].

13. [Eiseres] stelt geen hoger beroep in wat de begroting door de eerste rechter van de rechtsplegingsvergoeding aan het basisbedrag betreft en dient geen verzoek in tot vermindering ervan.

(...)

15. [Verweerder] stelt incidenteel beroep in wat de begroting door de eerste rechter van de rechtsplegingsvergoeding betreft.

De rechtsplegingsvergoeding werd begroot op 11.000 EUR, zijnde volgens het bestreden vonnis, 'het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding'.

Overeenkomstig artikel 2 van het KB van 26 oktober 2007 had de eerste rechter de rechtsplegingsvergoeding gelet op de waarde van de vordering (vanaf 1.000.000,01 EUR) inderdaad moeten begroten op 16.500 EUR (geïndexeerd basisbedrag).

Het incidenteel beroep is gegrond.” (bestreden arrest, p. 5-7).

Grieven
Overeenkomstig artikel 827 van het Gerechtelijk Wetboek brengt iedere afstand de verplichting mee tot betaling van de kosten, die de voorzitter aan de afstanddoende partij oplegt bij gewone beschikking, gesteld onderaan op de begroting van de kosten, de partijen tegenwoordig zijnde of door de griffie opgeroepen.

Deze bepaling wijkt af van artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen.

Artikel 1018, eerste lid, 6° van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de kosten de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022, omvatten.

Overeenkomstig artikel 1022, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Uit deze bepaling vloeit voort dat enkel de in het gelijk gestelde partij recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding.

Gezien er bij afstand geen uitspraak wordt gedaan over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering, kan er geen sprake zijn van een in het ongelijk gestelde partij en een in het gelijk gestelde partij. Derhalve is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 1022, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek op grond waarvan de rechtsplegingsvergoeding enkel toekomt aan de in het gelijk gestelde partij.

Uit de samenlezing van het geheel van bovenvermelde bepalingen volgt dan ook dat, hoewel de afstanddoende partij overeenkomstig artikel 827 van het Gerechtelijk Wetboek tot de kosten wordt veroordeeld, deze kosten niet de rechtsplegingsvergoeding omvatten zoals bepaald in artikelen 1018, eerste lid, 6° en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, nu deze rechtsplegingsvergoeding enkel aan de in het gelijk gestelde partij toekomt. Minstens moet de rechter in concreto onderzoeken of de partij die afstand doet beschouwd kan worden als de in het ongelijk gestelde partij.

De appelrechters beslissen, na te hebben vastgesteld dat eiseres afstand heeft gedaan van de procedure in eerste aanleg, dat de eerste rechter terecht de gerechtskosten, inclusief de rechtsplegingsvergoeding, ten laste heeft gelegd van de eiseres, zonder daarbij in concreto te onderzoeken of eiseres als de in het ongelijk gestelde partij beschouwd dient te worden.

Door in die zin te beslissen schenden de appelrechters de artikelen 827, 1017, eerste lid, 1018, 6° en 1022, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek.

Tweede middel tot cassatie
Geschonden wetsbepalingen
- de artikelen 1017, 1018 en 1022 en 1138, 2° van het Gerechtelijk Wetboek,

- de artikelen 1, 2, 3 en 8 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat,

- het algemene rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding (het beschikkingsbeginsel).

Aangevochten beslissing
De appelrechters veroordelen eiseres tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 EUR voor wat betreft de procedure in hoger beroep, op grond van de volgende overwegingen:

“6. Bij het bestreden vonnis verleende de eerste rechter akte aan [eiseres] van haar afstand van het geding en aan [verweerder] van het feit dat hij deze afstand aanvaardde.

De eerste rechter veroordeelde ten slotte [eiseres] tot de gerechtskosten, begroot in hoofde van [verweerder] op de rechtsplegingsvergoeding van 11.000 EUR. Dit maakt het voorwerp van het hoger beroep uit.

7. [Eiseres] vordert met de hervorming van het bestreden vonnis, om haar vrij te stellen van rechtsplegingsvergoeding gelet op de afstand van geding en de aanvaarding van de afstand door [verweerder], of minstens de rechtsplegingsvergoeding om te slaan.

(...)

16. De gerechtskosten:

De gerechtskosten van het hoger beroep worden ten laste gelegd van [eiseres], zijnde de in het ongelijk gestelde partij.

De rechtsplegingsvergoeding op het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 3 van het KB van 26 oktober 2007.

Het basisbedrag bedraagt na indexatie 1.320 EUR.” (bestreden arrest, p. 4 en 7).

Grieven
Eerste onderdeel
Uit het algemene rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding (het beschikkingsbeginsel), zoals vervat in artikel 1138, 2° van het Gerechtelijk Wetboek, volgt dat de partijen zelf de grenzen van het geschil bepalen. Het is de rechter verboden ultra petita uitspraak te doen.

Verweerder eiste in zijn syntheseconclusie dat eiseres veroordeeld zou worden tot de kosten van het hoger beroep die door verweerder geraamd werden op 1.210 EUR rechtsplegingsvergoeding.

De appelrechters veroordelen eiseres tot de kosten van het hoger beroep en in het bijzonder tot betaling aan verweerder van een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 EUR.

Door eiseres te veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 EUR, terwijl verweerder slechts een rechtsplegingsvergoeding van 1.210 EUR eiste, kennen de appelrechters meer toe dan door verweerder werd gevorderd en schenden zij het algemene rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding (het beschikkingsbeginsel), zoals vervat in artikel 1138, 2° van het Gerechtelijk Wetboek.

Tweede onderdeel
Overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij in de kosten. Deze kosten omvatten, luidens artikel 1018, 6° van het Gerechtelijk Wetboek, de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022. Deze rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (art. 1022, eerste lid Ger.W.).

Het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding wordt, overeenkomstig artikel 1022, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek vastgesteld door de Koning.

Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek wordt vastgesteld in het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding (art. 1 van dit besluit). De bedragen worden vastgesteld per aanleg (art. 1, tweede lid van voormeld koninklijk besluit).

Overeenkomstig artikel 2 van voormeld koninklijk besluit, zoals van kracht voor de tweede verhoging overeenkomstig artikel 8 van dit besluit, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor in geld waardeerbare vorderingen die meer bedragen dan 10.000,01 EUR en minder bedragen dan 20.000 EUR 1.210 EUR.

Het basisbedrag voor geschillen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen bedraagt, voor de tweede verhoging overeenkomstig artikel 8 van voormeld koninklijk besluit, 1.320 EUR (art. 3 van voormeld koninklijk besluit).

Niet betwist was, en uit de conclusies van partijen en uit het bestreden arrest blijkt dat de vordering van eiseres in hoger beroep in hoofdorde betrekking had op de rechtsplegingsvergoeding van 11.000 EUR tot betaling waarvan zij door de eerste rechter was veroordeeld.

De vordering van eiseres in hoger beroep was dan ook in geld waardeerbaar. Overeenkomstig artikel 2 van voormeld koninklijk besluit bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor deze vordering 1.210 EUR.

Door verweerster te veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 EUR, dit is het basisbedrag voor een niet in geld waardeerbare vordering, terwijl de vordering van eiseres in geld waardeerbaar was en een waarde had van 11.000 EUR, zodat er slechts een rechtsplegingsvergoeding van 1.210 EUR verschuldigd was, schenden de appelrechters de artikelen 1017, eerste lid, 1018, 6°, 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1, 2, 3 en 8 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

Toelichting bij het eerste middel
Uit artikel 827 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat de partij die afstand doet veroordeeld wordt tot de kosten. Artikel 827 bepaalt echter niet wat er onder de kosten moet worden verstaan. Artikel 1018, 6° van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt in algemene termen dat de kosten ook de rechtsplegingsvergoeding omvatten.

Kenmerkend voor de rechtsplegingsvergoeding is dat zij een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Ingeval een partij afstand doet van geding en deze afstand wordt aanvaard, dan kan er geen sprake zijn van een in het gelijk gestelde en een in het ongelijk gestelde partij. De rechter heeft, ingeval afstand is gedaan, immers geen uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid en over de gegrondheid van de vordering.

In de rechtspraak bestaat er geen eensgezindheid over de vraag of een afstand noodzakelijkerwijze de verplichting met zich brengt om een rechtsplegingsvergoeding te betalen.

Volgens bepaalde rechtspraak is artikel 827 Ger.W. duidelijk: de partij die afstand van geding doet, is een rechtsplegingsvergoeding, als onderdeel van de gedingkosten, verschuldigd aan de tegenpartij (Rb. Waals-Brabant 22 juli 2014, JT 2014, 684, noot; Vred. Doornik 26 juni 2012, T.Vred. 2012, 544; Vred. Gent (1) 18 juni 2012, TGR-TWVR 2013, 120; Pol. Brugge 1 december 2011, RW 2012-13, 392, noot en Vred. Landen 2 december 2010, T.Vred. 2013, 188; Rb. Gent 21 april 2009, RW 2009-10, 682; Brussel 15 april 2008, JLMB 2008, 1143; Arbrb. Gent 9 november 2006, TGR-TWVR 2007, afl. 2, 103. Zie ook T. De Haan, “Le point ... sur les désistements”, JT 2011, 284, nr. 33).

Andere rechtspraak meent dat geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is: wanneer geen oordeel werd geveld over de ontvankelijkheid of gegrondheid, wint geen enkele partij de zaak. Zodoende is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 1022, eerste lid Ger.W. (Rb. Nijvel 25 juni 2010, JT 2010, 562, noot en Vred. Brugge (4) 7 juni 2012, TGR-TWVR 2013, 120, noot).

Tot slot kiest een bepaalde strekking voor een tussenoplossing: afhankelijk van de concrete omstandigheden kan de afstanddoende partij desgevallend als de “in het ongelijk gestelde partij” worden beschouwd. Zo erkende de vrederechter van Antwerpen dat er strikt genomen geen in het ongelijk gestelde partij is in geval van afstand van geding doch dat wél een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd was vermits de afstand van geding het rechtstreekse gevolg was van de door de tegenpartij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid (Vred. Antwerpen (2) 26 december 2013, RW 2014-15, 713. Zie ook Rb. Gent 21 april 2009, RW 2009-10, 682-683 en Brussel 15 april 2008, JLMB 2008, 1143-1144 waarin de reeds geleverde prestaties van de advocaat van de niet-afstanddoende partij doorslaggevend waren bij het toekennen van de rechtsplegingsvergoeding). De rechtbank van eerste aanleg te Hasselt kende geen rechtsplegingsvergoeding toe in een zaak waarin de eiseres besloot afstand van geding te doen gezien haar vordering zonder voorwerp was geworden als gevolg van het faillissement en de hierop volgende verschoonbaarverklaring ten opzichte van twee verwerende partijen (Rb. Hasselt 8 november 2010, Limb.Rechtsl. 2012, 72, noot G. Banken).

Gezien artikel 1022, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk bepaalt dat de rechtsplegingsvergoeding toekomt aan de in het gelijk gestelde partij en er bij afstand geen sprake is van een in het gelijk gestelde partij, dient de tweede strekking te worden gevolgd. Hoewel de afstand de verplichting met zich brengt om de kosten te betalen, omvatte deze kosten de rechtsplegingsvergoeding niet.

Toelichting bij het tweede middel
Eerste onderdeel
Uw Hof besliste, in burgerlijke zaken, herhaaldelijk dat het beschikkingsbeginsel van toepassing is bij het bepalen van de rechtsplegingsvergoeding. De rechter die een hogere rechtsplegingsvergoeding toekent dan door de in het gelijk gestelde partij werd gevorderd, oordeelt ultra petita (Cass. 12 november 2012, S.11.0015.N; Cass. 18 september 2014, C.12.0237.F).

De strafkamer van uw Hof oordeelde daarentegen met een arrest van 30 maart 2010 in andere zin (Cass. 30 maart 2010, P.09.1605.N). Uw Hof besliste dat uit de combinatie van de artikelen 162bis, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering en de niet-toepasselijkheid van artikel 1021 van het Gerechtelijk Wetboek in strafzaken moet worden afgeleid dat de strafrechter die uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering de rechtsplegingsvergoeding mag bepalen op een hoger bedrag dan vermeld in de opgave van de kosten. Deze rechtspraak is ingegeven door de eigenheden van de strafprocedure en kan dan ook geenszins in burgerlijke zaken worden toegepast.

Uw Hof besliste integendeel terecht dat, in burgerlijke zaken, het beschikkingsbeginsel wel degelijk van toepassing is op de rechtsplegingsvergoeding. De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij en heeft dan ook een vergoedend karakter. Indien een procespartij impliciet, maar zeker aangeeft voldoende vergoed te zijn door een lagere rechtsplegingsvergoeding dan een op het basisbedrag begrote rechtsplegingsvergoeding, bijvoorbeeld omdat de kosten en erelonen van de advocaat lager zijn dan het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, dan kan niet worden verantwoord dat deze procespartij niettemin een hogere vergoeding zou krijgen. Hierbij mag niet vergeten worden dat zowel de aard als de omvang van de rechtsplegingsvergoeding fundamenteel gewijzigd zijn bij wet van 21 april 2007. Waar vroeger de rechtsplegingsvergoeding enkel een vergoeding beoogde van materiële akten gesteld door de advocaat in de loop van het geding, beoogt de rechtsplegingsvergoeding thans ook tegemoet te komen in de intellectuele prestaties van de advocaat. Daarenboven zijn de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding thans zeer aanzienlijk geworden.

De rechtspraak van uw Hof, luidens dewelke het beschikkingsbeginsel van toepassing is op de rechtsplegingsvergoeding, moet dan ook gehandhaafd worden.

Te dezen blijkt uit de conclusie van verweerder dat deze in hoger beroep rechtsplegingsvergoeding vroeg van 1.210 EUR. Door een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen van 1.320 EUR doen de appelrechters uitspraak ultra petita en miskennen zij het beschikkingsbeginsel.

Tweede onderdeel
Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding wordt geregeld door het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding. Dit koninklijk besluit maakt een onderscheid tussen in geld waardeerbare vorderingen (art. 2) en niet in geld waardeerbare vorderingen (art. 3).

Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor in geld waardeerbare vorderingen wordt bepaald volgens de waarde van de vordering. Bedraagt de waarde van de vordering 11.000 EUR, dan bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 1.210 EUR (dit is het basisbedrag voor de tweede verhoging overeenkomstig art. 8 van het voormelde koninklijk besluit). Het basisbedrag voor niet in geld waardeerbare vorderingen bedraagt 1.320 EUR.

Te dezen bestond er tussen partijen geen betwisting dat de vordering van eiseres in hoger beroep een in geld waardeerbare vordering is die begroot diende te worden op 11.000 EUR. Overeenkomstig artikel 2 van voormeld koninklijk besluit bedroeg het basisbedrag voor deze in geld waardeerbare vordering 1.210 EUR.

Door eiseres te veroordelen tot het basisbedrag voor niet in geld waardeerbare vorderingen, terwijl de vordering van eiseres een in geld waardeerbare vordering betrof ter waarde van 11.000 EUR, schenden de appelrechters de artikelen 2 en 3 van voormeld koninklijk besluit.

Op deze gronden en overwegingen besluit ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie voor eiseres dat het U, hooggeachte dames en heren, moge behagen het bestreden arrest te vernietigen, te bevelen dat hiervan melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing, de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep en uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

(…)

 

Noot: 

• Stefaan Voet Rechtsplegingsvergoeding bij een gemengde vorderiing Hof van Cassatie hakt de knoop door, noot onder Cass. 15 januari 2010, RW 2010-2011, 874.

Met toelichting over de verschillende standpunten inzake rechtsplegingsvergoedingen bij meerdere vorderingen gelardeerd met rechtspraak en rechtleer.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 08/04/2018 - 16:02
Laatst aangepast op: vr, 11/05/2018 - 00:09

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.