-A +A

gekozen bevoegdheid in overeenkomst Europees recht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 15/06/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2012-2013
Pagina: 
345
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BVBA J.M. t/ Vennootschap naar Sloveens recht E.M. D.O.O.

I. Bij exploot van 2 oktober 2006 liet de BVBA J.M. (huidig appellante) de vennootschap naar Sloveens recht E.M. D.O.O. (huidig geïntimeerde) dagvaarden. Haar vordering werd in conclusies van 9 maart 2007 en 18 september 2007 aangepast en strekt ertoe:

– zich territoriaal bevoegd te verklaren om te oordelen over het geschil en geïntimeerde af te wijzen van de door haar opgeworpen exceptie van territoriale onbevoegdheid;

– te zeggen voor recht dat de Belgische wetgeving van toepassing is op het geschil.

...

Geïntimeerde stelde in een conclusie neergelegd op 19 april 2007 in eerste aanleg een tegenvordering in strekkende tot veroordeling van appellante tot betaling van een schadevergoeding. Zij verzocht het Hof voorts zich territoriaal onbevoegd te verklaren op basis van art. 17 van de distributieovereenkomst wegens de bevoegdheid van de rechtbanken van Kranj (Slovenië).

...

II. De feiten kunnen als volgt worden samengevat:

– Op 13 augustus 2003 sloot J.G., handeldrijvende onder de benaming J.M., een distributieovereenkomst met huidig geïntimeerde voor de verdeling van zeiljachten in België. De overeenkomst werd voor onbepaalde duur aangegaan. Het wordt niet betwist dat huidig appellante de rechtsopvolger is van J.G.

– Geïntimeerde stelde vanaf 15 juli 2006 een andere verdeler aan in de Benelux, met inbegrip van België. Het betreft de BV E.Y.B.

– Partijen voeren klaarblijkelijk onderhandelingen over een eventuele aanpassing van de samenwerking met appellante. Zij zijn het niet eens over de juiste draagwijdte van deze onderhandelingen.

– In De Telegraaf van 9 september 2006 werd uitdrukkelijk vermeld dat geïntimeerde een nieuwe vertegenwoordiging voor de Benelux heeft aangeduid. Appellante uitte reeds haar verbazing over de nieuwe vertegenwoordiging in de Benelux in e-mailberichten van o.m. 31 augustus 2006 en 4 september 2006.

– Bij brief van 5 september 2006 maakte geïntimeerde met onmiddellijke ingang een einde aan de samenwerking, waarbij zij zich beriep op een schending van art. 6 en 8 van de distributieovereenkomst van 13 augustus 2003. Zij verweet appellante het niet beschikken over een “sales room” (partijen zijn het niet eens of dit vertaald dient te worden als verkoopsruimte en/of als showroom).

– Inmiddels sloot appellante op 5 september 2007 een overeenkomst van handelsagentuur met de nieuwe distributeur, de BV E.Y.B.

III. Bij vonnis van 14 december 2007 verklaarde de eerste rechter zich zonder rechtsmacht om te oordelen over de hoofdvordering en de tegenvordering. De eerste rechter stelde vast dat de overeenkomst van 13 augustus 2003 een forumkeuzebeding bevatte, zodat met toepassing van art. 23 EEX-Verordening de Sloveense rechtbank de bevoegde rechtbank is. Rekening houdend met de wijze waarop partijen dit bevoegdheidsbeding hebben geformuleerd in het contract, is volgens de eerste rechter die bevoegdheid exclusief. De EEX-Verordening was volgens de eerste rechter op grond van art. 66 van de EEX-Verordening in ieder geval van toepassing op 2 oktober 2006, op welke datum de dagvaarding werd betekend. De toepassing in de tijd van de EEX-Verordening wordt volgens de eerste rechter bepaald op grond van de datum waarop de rechtsvordering wordt ingesteld, ongeacht wanneer een eventuele overeenkomst werd ondertekend. Gelet op de voorrang van het gemeenschapsrecht kan geen toepassing worden gemaakt van art. 4 van de wet van 27 juli 1961.

IV. Appellante verzoekt het hof het hoger beroep ontvankelijk, toelaatbaar en gegrond te verklaren, dientengevolge de bestreden beslissing te hervormen en als volgt opnieuw recht te doen:

a) te beslissen dat het wel degelijk over de rechtsmacht beschikt om te oordelen over het geschil;

b) geïntimeerde af te wijzen van de door haar opgeworpen exceptie van territoriale onbevoegdheid;

c) te zeggen voor recht dat de Belgische wetgeving van toepassing is op het geschil.

...

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en verzoekt het hof het vonnis a quo te bevestigen en zich derhalve zonder rechtsmacht te verklaren op basis van art. 23 EEX-Verordening samen met art. 17 van de distributieovereenkomst.

...

V. Beoordeling

A. Over de exceptie van afwezigheid van rechtsmacht

1. Appellante is van oordeel dat de eerste rechter ten onrechte toepassing maakte van de Verordening nr. 44/20001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Verordening), in het bijzonder art. 23, en dat de eerste rechter ten onrechte besloot tot afwezigheid van rechtsmacht op grond van het forumkeuzebeding vervat in art. 17, eerste lid van de distributieovereenkomst van 13 augustus 2003.

Appellante merkt op dat Slovenië pas op 1 mei 2004 is toegetreden tot de Europese Unie, zodat de bepalingen van de EEX-Verordening slechts van toepassing zijn op de rechtsbetrekkingen tussen Sloveense ondernemingen en ondernemingen uit andere lidstaten, vanaf deze datum.

Art. 23 van de EEX-Verordening vereist voor de geldigheid van het forumkeuzebeding dat een gerecht van een lidstaat wordt aangewezen, wat volgens appellante in casu niet het geval is. De tussen partijen gesloten distributieovereenkomst dateert immers van 13 augustus 2003, zodat Slovenië geen lidstaat was van de Europese Unie en partijen geenszins de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen, zodat volgens appellante geen geldig forumbeding in de zin van art. 23 EEX-Verordening voorligt.

Voorts voert appellante aan dat tussen België en Slovenië op 13 augustus 2003 geen bilateraal akkoord bestond, zodat de distributieovereenkomst van 13 augustus 2003 beoordeeld dient te worden op grond van de regels van het gemene internationaal privaatrecht, dat volgens appellante vervat is in het Gerechtelijk Wetboek en in bijzondere wetten. In casu dient naar de stelling van appellante toepassing te worden gemaakt van art. 4, eerste lid van de wet van 27 juli 1961, welke bepaling overigens van bijzonder dwingend recht is. Het wordt niet betwist dat de concessie van appellante het gehele Belgische territorium betrof, zodat volgens appellante de Belgische rechter op grond van dit artikel bevoegd is.

Voor zover toch toepassing wordt gemaakt van de EEX-Verordening, is de Belgische rechter volgens appellante minstens bevoegd op art. 5, eerste lid van de EEX-Verordening, omdat de verbintenissen van appellante voortvloeiende uit de distributieovereenkomst in België werden uitgevoerd.

2. Voor de beoordeling van zijn internationale rechtsmacht dient de rechter voort te gaan op het voorwerp van de vordering zoals geformuleerd in de inleidende dagvaarding. In de inleidende dagvaarding van 2 oktober 2006 beroept appellante zich op de eenzijdige verbreking door geïntimeerde van de overeenkomst van 13 augustus 2003, die appellante beschouwt als een concessieovereenkomst van alleenverkoop in de zin van art. 1, § 1 van de wet van 27 juli 1961. Zij vordert schadevergoedingen op grond van art. 2 en 3 van deze wet en meent dat de Belgische rechter bevoegd is op grond van art. 4 van dezelfde wet.

Met de eerste rechter stelt het hof vast dat geïntimeerde in limine litis (in eerste conclusies neergelegd op 12 januari 2007) en derhalve tijdig de exceptie van afwezigheid van internationale rechtsmacht heeft opgeworpen. Geïntimeerde verwijst hierbij naar art. 17, eerste lid van de overeenkomst van 13 augustus 2003, die zij als een geldig forumkeuzebeding beschouwt en die als volgt luidt (vrije vertaling niet betwist door partijen):

“Enig geschil tussen partijen betreffende dit contract of daarmee gerelateerd, rechtstreeks of onrechtstreeks, zal exclusief beoordeeld worden door de rechtbanken in Kranj, Slovenië.

“Alleen Sloveens recht is van toepassing op deze overeenkomst”.

Het hof dient derhalve te onderzoeken of dit beding een geldig forumkeuzebeding in de zin van art. 23 EEX-Verordening uitmaakt en of de Belgische rechter internationale rechtsmacht heeft om te oordelen over het voorliggend geschil.

3. Appellante betwist ten onrechte de temporele toepassing van de EEX-Verordening. Op 1 mei 2004 is Slovenië, door de ondertekening van het Toetredingsverdrag van 16 april 2003 te Athene, officieel toegetreden tot de Europese Unie. Het Hof van Justitie oordeelde in een arrest van 28 april 2009 dat de toetredingsakte van een nieuwe lidstaat in hoofdzaak berust op het algemene beginsel van de onmiddellijke en volledige toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht op die staat, in dier voege dat er slechts van kan worden afgeweken voor zover dit in de overgangsbepalingen met zoveel woorden is bepaald (HvJ 28 april 2009, C-420/07, rechtsoverweging 33).

In casu impliceert dit dat de EEX-Verordening vanaf 1 mei 2004 onmiddellijk van toepassing is ten aanzien van de toetredende lidstaten. Er wordt geen melding gemaakt van enige specifieke overgangsbepaling ten aanzien van Slovenië wat de toepassing van de EEX-Verordening betreft. De rechtsvordering werd door appellante bij dagvaarding van 2 oktober 2006 en derhalve na 1 mei 2004 ingesteld. Voor het overgangsrecht dient ter zake verwezen te worden naar art. 66 EEX-Verordening, dat bepaalt: “Deze verordening is van toepassing op rechtsvorderingen die zijn ingesteld en authentieke akten die zijn verleden na de inwerkingtreding van deze verordening”. Op grond van art. 66, tweede lid EEX-Verordening kan onder bepaalde voorwaarden zelfs toepassing worden gemaakt van de Verordening wanneer zij pas in werking is getreden in de loop van de procedure.

De rechtsmachtregeling van de EEX-Verordening geldt derhalve voor rechtsvorderingen ingesteld na 1 mei 2004 ten aanzien van partijen uit één van de tien nieuwe lidstaten zoals in casu Slovenië (zie: M. Traest, “Artikel 66 EEX-Verordening” in Comm.Ger., afl. 62, 27 augustus 2004, p. 188-189, nrs. 5-6).

Ten onrechte beweert appellante dat de EEX-Verordening niet geldt, zodat geïntimeerde als Sloveense onderneming geen rechten kan putten uit de EEX-Verordening. Door de toetreding tot de EU heeft Slovenië de onmiddellijke toepassing van de EEX-Verordening onderschreven, zodat de EEX-Verordening ratione temporis van toepassing is.

4. Appellante meent tevens ten onrechte dat de Belgische rechter bevoegd is op grond van art. 4 van de wet van 27 juli 1961 (dat bepaalt dat de concessiehouder te allen tijde de mogelijkheid heeft om de concessiegever in België te dagvaarden), in combinatie met art. 6 van deze wet (dat in het dwingend karakter van de wet voorziet).

Deze grief kan niet worden aanvaard. Er dient immers rekening te worden gehouden met de primauteit van het EEX-verdrag op zelfs imperatieve nationale regels, in casu de wet van 27 juli 1961. Terecht oordeelde de eerste rechter derhalve dat de geldigheid van het forumkeuzebeding beoordeeld dient te worden aan de hand van art. 23 van de EEX-Verordening (zie o.m.: P. Kileste en P. Hollander, “Examen de jurisprudence. La loi du 27 juillet 1961 relative à la résiliation unilatérale des concessions de vente exclusive à durée indéterminée”, TBH 2009, p. 235-236, nr. 152).

5. Het hof dient bijgevolg te onderzoeken of art. 17, eerste lid van de overeenkomst van 13 augustus 2003 voldoet aan art. 23 EEX-Verordening.

Art. 23 van de EEX-Verordening bepaalt dat partijen het recht hebben om in hun concessieovereenkomst een beding in te lassen waarbij een buitenlands gerecht wordt aangeduid als zijnde bevoegd tot kennisneming van alle geschillen tussen partijen. De voorwaarden voor de geldigheid van haar forumbeding zijn:

– dat één van de contracterende partijen haar woonplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat heeft;

– dat de gerechten van een verdragsluitende staat zijn aangewezen om kennis te nemen van geschillen tussen partijen;

– dat het forumbeding hetzij schriftelijk vastgesteld werd hetzij, in geval van mondelinge overeenkomst, schriftelijk werd bevestigd, hetzij opgesteld werd in een vorm die tussen de partijen gebruikelijk is, hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte die algemeen bekend is en doorgaans in acht genomen wordt.

Art. 23 EEX-Verordening bepaalt dat deze bevoegdheid exclusief is, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. Indien partijen op geldige wijze een bevoegdheidsbeding overeengekomen zijn waarbij een buitenlandse rechter bevoegd verklaard wordt, dient de Belgische rechter zich internationaal onbevoegd te verklaren.

In casu zijn de toepassingsvoorwaarden van art. 23 van de EEX-Verordening vervuld. Beide contracterende partijen hebben sedert 1 mei 2004 hun woonplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat. De rechter die (beweerd) werd aangewezen om kennis te nemen van geschillen tussen partijen (de rechter te Kranj, Slovenië) is de rechter van een verdragsluitende staat, omdat Slovenië lid is van de EU sedert 1 mei 2004. Het wordt niet betwist dat het forumbeding schriftelijk werd vastgesteld in de zin van art. 23, eerste lid, a) EEX-Verordening, omdat het beding is opgenomen in de door partijen ondertekende overeenkomst van 13 augustus 2003. Het forumbeding van art. 17, eerste lid van de overeenkomst van 13 augustus 2003 is bijgevolg geldig en dient toepassing te vinden.

6. In geval van toepasselijkheid van de EEX-Verordening beroept appellante zich voorts op de bevoegdheid van de Belgische rechter (in casu het hof) op grond van art. 5, eerste lid EEX-Verordening.

De toepasselijkheid van uitsluitende bevoegdheidsgronden (zoals een forumbeding krachtens art. 23 van de EEX-Verordening) dient te worden onderzocht alvorens een niet-uitsluitende bevoegdheidsgrond (zoals art. 5, eerste lid van de EEX-Verordening) aan bod komt. Appellante voert bijgevolg ten onrechte aan dat de rechtsmacht/bevoegdheid minstens op grond van art. 5, 1o van het EEX-Verdrag onderzocht dient te worden.

Art. 23 van de EEX-Verordening primeert op de regels van art. 2 en art. 5, eerste lid van de EEX-Verordening, zodat met toepasselijkheid van een geldig forumbeding, zoals in casu, geen toepassing kan worden gemaakt van de andere bevoegdheidsgronden waarop appellante zich beroept.

7. De eerste rechter verklaarde zich terecht zonder rechtsmacht om te oordelen over de hoofdvordering van appellante.

...
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 20/10/2012 - 17:23
Laatst aangepast op: za, 20/10/2012 - 17:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.