-A +A

Gehuwd en samenbouwen op niet-gezamenlijke bouwgrond

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 10/12/2015
A.R.: 
AR: 2013/AR/2206 en 2013/AR/2306

De voorliggende discussie betreft het klassieke geval waarbij een van beide (aanstaande) echtgenoten een eigen (bouw)grond inbrengt, waarop de echtgenoten later (veelal) met gemeenschapsgelden bouwen.

De bouwactiviteit vindt zodoende plaats na de inbreng, op een ogenblik dat de bouwgrond een gemeenschappelijk karakter heeft verworven.

De vraag rijst in welke mate het recht van terugname in de zin van artikel 1455 BW speelt in dergelijk geval.

Een van beide echtgenoten brengt dus een eigen bouwgrond in de huwelijksgemeenschap opdat beide echtgenoten op de aldus gemeenschappelijk geworden bouwgrond (inz.) met gemeenschapsgelden kunnen bouwen. Later volgt, zoals in casu, de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel, met enige discussie aangaande de toewijzing van de gemeenschappelijke gezinswoning.

( ... )

In essentie is de inbreng aangewezen om de regels inzake het gemeenschappelijk vermogen toepasselijk te maken, voornamelijk de bestuursregeling van de artikelen 1415 e.v. BW. Verder wordt de vaak moeilijke en mogelijks delicate vergoedingsregeling uitgesloten. Ook de mogelijkheden tot begunstiging van de langstlevende echtgenoot worden uitgebreid. Tot slot kan de inbreng fiscale beweegredenen kennen.

Wanneer een echtgenoot een eigen grond inbrengt om er met gemeenschapsgelden op te bouwen, wordt het mogelijk de woning op een vermogensrechtelijk (en ook fiscaalrechtelijk) eenvoudigere (en goedkopere) wijze in de kavel en dus het vermogen van de andere echtgenoot te laten terechtkomen. De ingebrachte grond en de woning die er zich mee verenigt, behoort immers tot het gemeenschappelijk vermogen met alle, inzonderheid in artikel 745bis, § 1 BW neergelegde, erfrechtelijke gevolgen van dien voor de langstlevende echtgenoot.

Hierbij zij trouwens aangestipt dat, in geval de echtgenoot-inbrenger overlijdt vóór de echtgenoot-niet-inbrenger en dit zonder (gebeurlijk adoptieve) afstammelingen na te laten, deze langstlevende echtgenoot met toepassing van de wettelijke devolutie (art. 745bis, § 1, tweede lid BW) het gemeenschappelijk vermogen (met inbegrip van de gezinswoning) in volle eigendom verwerft (geval waarbij art. 1455 BW ten andere geen toepassing vindt).

Voorts zij aangestipt dat de echtgenoot-niet-inbrenger, voor het geval de echtgenoot-inbrenger overlijdt vóór de echtgenoot-niet-inbrenger en dit terwijl hij wel afstammelingen nalaat, zich tegen de aanspraken van deze afstammelingen kan beveiligen door inlassing in het huwelijkscontract van een verblijvingsbeding (geval waarbij art. 1455 BW evenmin toepassing vindt; zie evenwel art. 1464, tweede lid BW).

In het specifieke geval, zoals in casu, dat een echtgenoot een eigen bouwgrond in het gemeenschappelijk vermogen brengt opdat beide echtgenoten op de aldus gemeenschappelijk geworden bouwgrond (inz.) met gemeenschapsgelden kunnen bouwen, ligt de bedoeling bovenal hierin dat, in geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (ingevolge overlijden of echtscheiding), beide echtgenoten (of hun erfgenamen of rechtsopvolgers, aldus art. 1431 BW) op gelijke wijze hun eigendomsrechten kunnen laten gelden.

Volkomen los van de wens van de echtgenoot-niet-inbrenger om bij de ontbinding van het stelsel op een of andere manier het mede door hem geïnvesteerde geld terug te zien, strekt de inbreng ertoe dat elk van beide echtgenoten in gelijke mate aanspraak kunnen maken om daadwerkelijk in de woning te blijven. Hier biedt de inbreng een toevoeging ten behoeve van de echtgenoot-niet-inbrenger.

Het spreekt voor zich dat deze gelijke aanspraken niet aan de orde zijn bij gebrek aan inbreng. Alsdan is en blijft de echtgenoot-grondeigenaar (art. 1399, eerste lid BW), ingevolge natrekking, eigenaar van de er opgerichte woning, wat artikel 1400, sub 1 ° BW overigens bekrachtigt. De echtgenoot-niet-grondeigenaar wordt wel (in speciën) vergoed voor de vermogensverschuiving (art. 1432 BW), met inbegrip van de gebeurlijke waardevermeerdering (art. 1435 BW).

 

Publicatie
tijdschrift: 
TBBR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017-3
Pagina: 
162
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

1. Relevante feitelijke en procedurele elementen

1. M.G. (hierna: G) en R.B. (hierna: B) zijn ex-echtgenoten met een gemeenschappelijke (intussen meerderjarige) dochter: J.G. (11 oktober 1980).

Zij zijn in het huwelijk getreden op 25 augustus 1979 onder een bij huwelijkscontract van 14 augustus 1979 bedongen gemeenschapsstelsel.

Zij zijn uit de echt gescheiden bij (definitief) vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde van 2 december 1997, met navolgende overschrijving (op 26 februari 1998) van het beschikkende gedeelte van de echtscheidingsuitspraak in de registers van de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.

2. Krachtens artikel 1278, tweede lid Ger.W. is het huwelijk in de vermogensrechtelijke verhouding tussen de partijen ontbonden op 12 november 1996, dit is de datum van de dagvaarding tot echtscheiding uitgaande van G.

3. In het echtscheidingsvonnis van 2 december 1997 beveelt de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde de gerechtelijke vereffening-verdeling (in de zin van de oude art. 1207 e.v. Ger.W.) van de gewezen huwelijksgemeenschap G-B, met aanwijzing van notaris D als notaris-vereffenaar in de zin van het oude artikel 1209, tweede lid Ger.W. en notaris DW als notaris-vertegenwoordiger in de zin van het oude artikel 1209, derde lid Ger.W.

Notaris M fungeert inmiddels als opvolger van gewezen notaris D (art. 54 Wet notarisambt).

Notaris V fungeert inmiddels als opvolger van gewezen notaris DW (art. 54 Wet notarisambt).

4. Na prealabele notariële werkzaamheden blijkens (1) een inventaris van 17 oktober 1995 met voortzetting op 29 november 1995 en 17 april 1996 en (2) een proces-verbaal tot opening van werkzaamheden van 10 juni 1998 komt de notaris-vereffenaar tot een staat van vereffening-verdeling van 11 september 2009.

Blijkens deze staat:

* voeren de ex-echtgenoten (inz.) discussie omtrent (1) het eigen dan wel gemeenschappelijke karakter van (het gros van) de aandelen van de NV G OFFICE EQUIPMENT en (2) de preferentiële overname van de gewezen gezinswoning te Zingem/Ouwegem;

* oordeelt de notaris-vereffenaar dat de bedoelde aandelen behoren tot de huwelijksgemeenschap G-B;

* oordeelt de notaris-vereffenaar (1) dat B zich, indien gewenst, de gewezen gezinswoning preferentieel kan doen toewijzen en (2) dat G pas als tweede de keuze heeft;

* bedragen de activa van de huwelijksgemeenschap G-B in totaal 826.438,38 euro;

* bedragen de passiva van de huwelijksgemeenschap G-B in totaal 36.315,29 euro;

* bedragen de netto-activa van de huwelijksgemeenschap G-B in totaal 826.438,38 - 36.315,29 = 790.123,09 euro,

waarvan aan de ex-echtgenoten elk de helft of meer precies 395.061,54 euro toekomt;

* maakt de individuele rekening aan de zijde van G, aan wie onder meer de bedoelde aandelen toevallen, dat hij een bedrag van 19.970,86 euro moet opleggen;

* maakt de individuele rekening aan de zijde van B, aan wie onder meer de gewezen gezinswoning en de inboedel toevallen, dat zij van de opleg van Geen bedrag 10.923,85 euro verwerft.

5. Blijkens de notariële akte van 4 december 2009 formuleert Geen aantal bezwaren, inzonderheid aangaande (1) de bedoelde aandelen en (2) de gewezen gezinswoning.

B van haar kant verklaart akkoord te gaan met de staat van vereffening-verdeling, met dien verstande dat zij alsnog wil antwoorden op de door G aangebrachte bezwaren.

In die optiek verleent de notaris-vereffenaar een bijkomende termijn van vier maanden aan beide partijen teneinde een en ander nog te kunnen uitwerken en/of staven.

6. Bij akte van 8 april 2011 brengt de notaris-vereffenaar advies uit.

De notaris-vereffenaar bevestigt de eerdere zienswijze dat de bedoelde aandelen behoren tot de huwelijksgemeenschap G-B, met dien verstande dat de waardering moet gebeuren ten tijde van de verdeling.

De notaris-vereffenaar bevestigt eveneens (1) dat B zich, indien gewenst, de gewezen gezinswoning preferentieel kan doen toewijzen en (2) dat G pas als tweede de keuze heeft. De notaris-vereffenaar verwerpt het bezwaar van G die voor het eerst op 4 december 2009 een recht op terugname doet gelden met betrekking tot de gewezen gezinswoning. Daar waar G dit recht op terugname vastknoopt aan de inbreng van een (voorhuwelijkse en derhalve) eigen bouwgrond bij huwelijkscontract van 14 augustus 1979, verwerpt de notaris-vereffenaar zijn aanspraak. De notaris-vereffenaar oordeelt meer precies dat het blijkens het huwelijkscontract de bedoeling was het recht op terugname te verzaken.

Verder stelt de notaris-vereffenaar dat de staat van vereffening beperkt moet worden aangepast wat betreft de toebedeling van bepaalde rekeningen.

ll. Beroepen vonnis

1. Op 28 april 2011 legt de notaris-vereffenaar eensluidende afschriften van de benodigde notariële akten neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, en dit met toepassing van het oude artikel 1219, § 2 Ger.W.

2. G neemt conclusie in de lijn van zijn eerder aangebrachte bezwaren, inzonderheid aangaande (1) de bedoelde aandelen en (2) de gewezen gezinswoning. G hekelt ook (3) de inventarisatie en de waardering van de inboedel en andere roerende elementen, (4) de vergoedingsrekeningen en (5) de beheersrekening.

B van haar kant verklaart akkoord te gaan met de staat van vereffening-verdeling, met dien verstande dat de staat van vereffening-verdeling en meer precies de beheersrekening moet worden aangepast omdat zij bepaalde betalingen heeft gedaan met betrekking tot de gewezen gezinswoning( ... ).

3. Bij vonnis van 8 oktober 2012 ( ... ) beoordeelt de eerste kamer bis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde de respectieve bezwaren.

De rechtbank bevestigt de zienswijze van de notaris-vereffenaar dat de bedoelde aandelen behoren tot de huwelijksgemeenschap G-B.

De rechtbank oordeelt anders dan de notaris-vereffenaar dat G wel degelijk een recht op terugname kan doen gelden met betrekking tot de gewezen gezinswoning.

Daar waar G dit recht op terugname vastknoopt aan de inbreng van een (voorhuwelijkse en derhalve) eigen bouwgrond bij huwelijkscontract van 14 augustus 1979, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank geenszins (impliciet) afgezien van zijn aanspraak. Volgens de rechtbank was het blijkens het huwelijkscontract geenszins de bedoeling het recht op terugname te verzaken. Dit recht primeert boven het recht op preferentiële toewijzing van de gewezen gezinswoning aan hetzij B hetzij G.

Daar waar G andere, meer beperkte bezwaren oppert, oordeelt de rechtbank (1) dat hij zijn bezwaren omtrent de inventarisatie en de waardering van de inboedel en andere roerende elementen eerder had moeten laten gelden, (2) dat het aan de notaris-vereffenaar toekomt om een en ander verder uit te klaren en in die optiek de staat van vereffening-verdeling aan te passen en (3) dat het aan de notaris-vereffenaar toekomt om nader advies te verschaffen.

Daar waar B stelt dat de beheersrekening moet worden aangepast omdat zij bepaalde betalingen heeft gedaan met betrekking tot de gewezen gezinswoning( ... ), komt het volgens de rechtbank eens te meer aan de notaris-vereffenaar toe om nader advies te verschaffen.

( ... )

IV. Beoordeling

( ... )

C. Bezwaar van G aangaande de bedoelde aandelen

1. Het eerste centrale punt van discussie betreft het eigen dan wel gemeenschappelijke karakter van (het gros van) de aandelen van de NV G OFFICE EQUIPMENT.

Zowel de notaris-vereffenaar als de eerste rechter oordelen dat de bedoelde aandelen behoren tot de huwelijksgemeenschap G-B.

G handhaaft zijn (zowel door de notaris-vereffenaar als door de eerste rechter verworpen) bezwaar en blijft van oordeel dat de bedoelde aandelen eigen zijn, met de gevolgen van dien.

B van haar kant beaamt de zienswijze van de notaris-vereffenaar, zo ook de zienswijze van de eerste rechter op dat punt. Dit behelst het beperkte hoger beroep van G, dat, met hervorming van het beroepen vonnis, strekt tot inwilliging van zijn bezwaar aangaande de bedoelde aandelen, met de gevolgen van dien.

2. De NV G OFFICE EQUIPMENT is opgericht bij notariële akte van 5 februari 1988, met een geplaatst maatschappelijk kapitaal ten bedrage van 4.600.000 BEF.

Hiertegenover staan 460 aandelen ter waarde van elk 10.000 BEF. De totale waarde van de aandelen bedraagt derhalve 460 x 10.000 = 4.600.000 BEF.

Van deze 460 aandelen worden er:

* 452 ingeschreven op naam van G omwille van de inbreng in natura van de eerder door G gestarte handelszaak in kantoormateriaal: G heeft daarbij inzonderheid goodwill en een voorraad handelsgoederen ingebracht;

* 4 ingeschreven op naam van B omwille van de inbreng in geld;

* 3 ingeschreven op naam van dochter J.G. omwille van de inbreng in geld;

* 1 ingeschreven op naam van L.G. (blijkbaar de broer van M.G.) omwille van de inbreng in geld.

De in het raam van de notariële werkzaamheden na de echtscheiding in onderling akkoord aangewezen deskundige raamt de bedoelde (452 + 4 = 456) aandelen (op naam van G respectievelijk B) op datum van 20 november 1998 op een waarde van 386.998,08 euro. De deskundige komt tot deze waarde op basis van de boekhoudkundige stukken (inz. de balansen) voor de jaren 1993-98.

Ter terechtzitting van 26 november 2015 bevestigen beide partijen zich vooralsnog naar deze waarde te richten, zij het dat zij de vraag naar actualisering (in het licht van inz. art. 890 Ger.W.) willen open laten.

3. G heeft de bedoelde handelszaak als eenmanszaak opgericht op 1 juli 1979, waarbij hem een BTW-nummer is toegewezen.

4. In een eerste fase en meer precies in de jaren 1979-1985 betreft het een handel in bijberoep. G was alsdan nog tewerkgesteld als technieker bij de firma DE WOLF (Gent). Voor deze werkgever verzorgde hij het onderhoud en de herstelling van kantoormateriaal voornamelijk in verschillende afdelingen van de firma BEKAERT. De firma BEKAERT was een belangrijke klant van de firma DE WOLF.

In die context verkocht hij (ook in de jaren voordien reeds) kantoormateriaal (inz.) aan het werknemersbestand van de firma BEKAERT en werkte hij zodoende na zijn uren, mede tot onderhoud en herstelling van het verkochte kantoormateriaal. Gedurende die overuren werkte G op commissie van de firma DE WOLF (zijn werkgever) voor de verkopen (inz.) aan de werknemers van de firma BEKAERT (een klant van zijn werkgever). Aldus is duidelijk dat deze verkopen gebeurden door G in naam en voor rekening van de firma DE WOLF en zodoende als vertegenwoordiger van de firma DE WOLF.

Een (gebeurlijk over-uurse) werknemersactiviteit waarbij de goede naam en faam van de werknemer (gelet op diens professionele ervaring en knowhow) aan zijn werkgever klanten en omzet oplevert (terwijl de werknemer commissies opstrijkt), staat als dusdanig niet gelijk met (de opbouw van) een handelszaak.

G handelde in zoverre (wat betreft de verkopen) niet in eigen naam (zeker niet vóór medio 1979), met dien verstande dat [inz.] het onderhoud en de herstelling van het verkochte kantoormateriaal (vanaf medio 1979) in eigen naam gebeurde (in een eigen atelier met eigen werkmiddelen). G faalt in een afdoende stoffering van zijn andersluidende aanvoeringen.

Op die manier fungeerde G (vanaf medio 1979) als zelfstandige in bijberoep. Het klantenbestand (ongeacht de minutieuze wijze waarop G dit aanlegde en formaliseerde) was evenwel in essentie dat van zijn werkgever. Dat het klantenbestand verband hield en aandikte omwille van de gebeurlijk goede naam en faam van G, neemt niet weg dat het in essentie bleef gaan om het klantenbestand van zijn werkgever. Daar waar de medio 1979 opgerichte eenmanszaak (met een eigen BTW-nummer) enigszins is voortgesproten uit de eerder lopende activiteit van verkoop op commissie en onderhoud/herstel, betrof het ten tijde van het huwelijk een handelszaak in een zeer embryonaal stadium. G was ten tijde van de redactie van het huwelijkscontract en het navolgende huwelijk nog maar net ingeschreven in het toenmalige handelsregister en G had nog maar net een BTW-nummer. Het winstgevende karakter was (zo niet negatief dan toch) verwaarloosbaar, welke becijferingen G ook wil voorspiegelen, terwijl het vanzelf spreekt dat hij bezwaarlijk kan werken met officieuze elementen. G kan geen aanspraken halen uit een onrechtmatige handelwijze in verhouding tot fiscale aangiften van weleer.

Wat betreft (1) de voorraad van het met het oog op voortverkoop aangekochte kantoormateriaal en (2) de beroepskosten, zaait G verwarring, terwijl een en ander sowieso onduidelijk blijft. Het past te focussen op de net vóór het huwelijk opgerichte handelszaak, met de kosten en zeer beperkte winst (of veeleer verlies) van dien. De stand van zaken, bekeken aan de hand van aankoop- en verkoopfacturen (als handelaar in bijberoep), was pover. Verkoopfacturen (van G) van vóór medio 1979 blijken niet. Zij kunnen overigens niet blijken, bij gebrek aan een eerdere inschrijving in het toenmalige handelsregister en een BTW-nummer. Met beweerde verkopen zonder factuur (doch op commissie in het zwart) kan geen rekening worden gehouden.

De aan- en verkopen en de bijhorende betalingen (als werknemer van de firma DE WOLF) op commissie moeten worden onderscheiden en staan als dusdanig los van de later opgerichte eenmanszaak. Dat G eerder gedane aankopen (bij wijze van investering) heeft ingebracht in de eenmanszaak, verandert niets. De eerder gedane bouw en/of investering in een handelsruimte en werkmiddelen, is evenmin doorslaggevend.

Eigenlijk is de eenmanszaak als zelfstandige in bijberoep pas echt gestart na de huwelijkssluiting. Van een reële handelszaak met een reëel eigen cliënteel (van dienstig belang) was ten tijde van het huwelijk als dusdanig geen sprake. Dat ze (eigenlijk louter formeel gezien) kort vóór de huwelijksdatum (25 augustus 1979) is (op)gestart, is niet doorslaggevend. Het gegeven dat G in het huwelijkscontract van 14 augustus 1979 als handelaar met een inschrijving in het toenmalige handelsregister staat opgegeven, is evenmin doorslaggevend. Van een handelszaak zelf is in het huwelijkscontract geen sprake. Zij zat immers, zoals aangegeven, in een embryonaal stadium. Een handelszaak is trouwens meer dan alleen maar formele elementen. Een reëel cliënteel van dienstig belang is cruciaal.

5. In een tweede fase en meer precies in de jaren 1985-1989 betreft het een handel in hoofdberoep om vervolgens uit te monden in de NV G OFFICE EQUIPMENT.

6. B maakt (mede in het licht van de stukken van haar bundel VII) aannemelijk dat zij zowel in voormelde eerste fase van handel in bijberoep (in de periode 1979-1985) als in voormelde tweede fase van handel in hoofdberoep (in de periode 1985-1989) meewerkte tot opbouw van de handelszaak. Zij verzorgde mee de administratie en leveringen. G wil een en ander ten onrechte negeren.

7. In de gegeven context en omstandigheden moet worden aangenomen dat de door G gestarte handelszaak in kantoormateriaal tijdens het huwelijk heeft plaatsgevonden en zodoende valt onder de werking van het gemeenschapsstelsel (art. 1405, sub 4° BW). De handelszaak behoort derhalve tot de huwelijksgemeenschap G-B. Het betreft als dusdanig, ondanks de beweringen van G, geen voorhuwelijks eigen goed in de zin van artikel 1399, eerste lid BW.

De handelszaak, zoals zij thans is ondergebracht in de NV G OFFICE EQUIPMENT, is pas tijdens het huwelijk opgebouwd/verwezenlijkt.

Dit gemeenschappelijke karakter blijft doorspelen bij de inbreng in natura van goodwill en een voorraad bij de oprichting van de NV G OFFICE EQUIPMENT. Deze inbreng is immers niet gevoed met eigen elementen, laat staan dat het gaat om een wederbelegging van eigen elementen. De bedoelde goodwill (met een ten tijde van de inbreng geschatte waarde van 991.335 BEF) is opgebouwd/verwezenlijkt tijdens het huwelijk. De bedoelde handelsvoorraad (met een ten tijde van de inbreng geschatte waarde van 3.528.665 BEF) is eens te meer opgebouwd/verwezenlijkt tijdens het huwelijk.

G stelt vergeefs dat de aandelen op zijn naam die tegenover deze inbreng staan, een eigen karakter hebben. Voormelde elementen maken dat deze aandelen eveneens een gemeenschappelijk karakter hebben. Dat de bedoelde 452 aandelen op naam van G zijn ingeschreven, doet aan het gemeenschappelijke karakter ervan geen afbreuk. De inschrijving van aandelen op naam van een van de echtgenoten zegt niets over het huwelijksvermogensrechtelijke eigendomsstatuut. Anders dan G wil voordoen, bieden noch de oprichtingsakte van 5 februari 1988 noch het daarbij horende verslag van de bedrijfsrevisoren VERDEGEM-BODEVIJN soelaas.

Het gegeven dat de oprichtingsakte gewag maakt van de handelszaak van G (als 'zijn handelszaak') kan het huwelijksvermogensrechtelijke statuut van deze handelszaak niet sturen, laat staan wijzigen.

Het gegeven dat het bedrijfsrevisorenverslag (beweerdelijk met goedkeuring van B) gewag maakt van elementen van een eigen handelszaak waarvoor de verworven aandelen de tegenprestatie vormen, kan het huwelijksvermogensrechtelijke statuut van deze handelszaak evenmin sturen, laat staan wijzigen. Het betreft een louter eenzijdige en niet-bindende verklaring, waarmee G het geldende huwelijksvermogensstelsel niet kan omgooien. De beweerde toenmalige goedkeuring van B (die het verslag overigens niet heeft onderschreven) blijkt niet op sluitende wijze. Op die manier kan G bezwaarlijk tornen aan het geldende gemeenschapsstelsel. Door als mede-oprichter te fungeren en aldus de oprichtingsakte te onderschrijven, heeft B niet zonder meer ingestemd met het (hoe dan ook niet door haar onderschreven) bedrijfsrevisoren verslag.

Zowel (1) de handelszaak als (2) de aandelen van de NV G OFFICE EQUIPMENT en meer precies de 452 aandelen op naam van G én de 4 aandelen op naam van B behoren tot de huwelijksgemeenschap G-B.

Niet alleen deze aandelen maar ook de meerwaarde die zij intussen hebben verworven, zijn derhalve gemeenschappelijk. G beroept zich vergeefs op artikel 1400 BW.

Een en ander is een verwezenlijking van de echtgenoten G-B tijdens hun huwelijk.

8. In de lijn van wat zowel de notaris-vereffenaar als de eerste rechter aangeven, is ook het hof van oordeel dat de bedoelde aandelen behoren tot de huwelijksgemeenschap G-B. Het bezwaar van G als zouden de bedoelde aandelen eigen zijn (met de gevolgen van dien) moet derhalve worden afgewezen.

Het beperkte hoger beroep van G, dat, met hervorming van het beroepen vonnis, strekt tot inwilliging van zijn bezwaar aangaande de bedoelde aandelen met de gevolgen van dien, slaagt niet.

D. Bezwaar van G aangaande de gewezen gezinswoning

1. Het tweede centrale punt van discussie betreft het recht op terugname dan wel de preferentiële overname van de gewezen gezinswoning te Zingem/Ouwegem.

( ... )

2. De voorliggende discussie betreft het klassieke geval waarbij een van beide (aanstaande) echtgenoten een eigen (bouw)grond inbrengt, waarop de echtgenoten later (veelal) met gemeenschapsgelden bouwen. De bouwactiviteit vindt zodoende plaats na de inbreng, op een ogenblik dat de bouwgrond een gemeenschappelijk karakter heeft verworven. De vraag rijst in welke mate het recht van terugname in de zin van artikel 1455 BW speelt in dergelijk geval. Een van beide echtgenoten brengt dus een eigen bouwgrond in de huwelijksgemeenschap opdat beide echtgenoten op de aldus gemeenschappelijk geworden bouwgrond (inz.) met gemeenschapsgelden kunnen bouwen. Later volgt, zoals in casu, de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel, met enige discussie aangaande de toewijzing van de gemeenschappelijke gezinswoning.

( ... )

7. In essentie is de inbreng aangewezen om de regels inzake het gemeenschappelijk vermogen toepasselijk te maken, voornamelijk de bestuursregeling van de artikelen 1415 e.v. BW. Verder wordt de vaak moeilijke en mogelijks delicate vergoedingsregeling uitgesloten. Ook de mogelijkheden tot begunstiging van de langstlevende echtgenoot worden uitgebreid. Tot slot kan de inbreng fiscale beweegredenen kennen.

Wanneer een echtgenoot een eigen grond inbrengt om er met gemeenschapsgelden op te bouwen, wordt het mogelijk de woning op een vermogensrechtelijk (en ook fiscaalrechtelijk) eenvoudigere (en goedkopere) wijze in de kavel en dus het vermogen van de andere echtgenoot te laten terechtkomen. De ingebrachte grond en de woning die er zich mee verenigt, behoort immers tot het gemeenschappelijk vermogen met alle, inzonderheid in artikel 745bis, § 1 BW neergelegde, erfrechtelijke gevolgen van dien voor de langstlevende echtgenoot.

Hierbij zij trouwens aangestipt dat, in geval de echtgenoot-inbrenger overlijdt vóór de echtgenoot-niet-inbrenger en dit zonder (gebeurlijk adoptieve) afstammelingen na te laten, deze langstlevende echtgenoot met toepassing van de wettelijke devolutie (art. 745bis, § 1, tweede lid BW) het gemeenschappelijk vermogen (met inbegrip van de gezinswoning) in volle eigendom verwerft (geval waarbij art. 1455 BW ten andere geen toepassing vindt).

Voorts zij aangestipt dat de echtgenoot-niet-inbrenger, voor het geval de echtgenoot-inbrenger overlijdt vóór de echtgenoot-niet-inbrenger en dit terwijl hij wel afstammelingen nalaat, zich tegen de aanspraken van deze afstammelingen kan beveiligen door inlassing in het huwelijkscontract van een verblijvingsbeding (geval waarbij art. 1455 BW evenmin toepassing vindt; zie evenwel art. 1464, tweede lid BW).

In het specifieke geval, zoals in casu, dat een echtgenoot een eigen bouwgrond in het gemeenschappelijk vermogen brengt opdat beide echtgenoten op de aldus gemeenschappelijk geworden bouwgrond (inz.) met gemeenschapsgelden kunnen bouwen, ligt de bedoeling bovenal hierin dat, in geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (ingevolge overlijden of echtscheiding), beide echtgenoten (of hun erfgenamen of rechtsopvolgers, aldus art. 1431 BW) op gelijke wijze hun eigendomsrechten kunnen laten gelden.

Volkomen los van de wens van de echtgenoot-niet-inbrenger om bij de ontbinding van het stelsel op een of andere manier het mede door hem geïnvesteerde geld terug te zien, strekt de inbreng ertoe dat elk van beide echtgenoten in gelijke mate aanspraak kunnen maken om daadwerkelijk in de woning te blijven. Hier biedt de inbreng een toevoeging ten behoeve van de echtgenoot-niet-inbrenger. Het spreekt voor zich dat deze gelijke aanspraken niet aan de orde zijn bij gebrek aan inbreng. Alsdan is en blijft de echtgenoot-grondeigenaar (art. 1399, eerste lid BW), ingevolge natrekking, eigenaar van de er opgerichte woning, wat artikel 1400, sub 1 ° BW overigens bekrachtigt. De echtgenoot-niet-grondeigenaar wordt wel (in speciën) vergoed voor de vermogensverschuiving (art. 1432 BW), met inbegrip van de gebeurlijke waardevermeerdering (art. 1435 BW).

8. In de lijn van voormelde elementen, wilden de (aanstaande) echtgenoten G-B met de inbreng (in de huwelijksgemeenschap G-B) door G van een eigen bouwgrond om er met gemeenschapsgelden op te bouwen, de artikelen 1446- 1447 BW inzake de preferentiële toewijzing van de bedoelde gezinswoning ten volle zien gelden: beide echtgenoten genieten principieel gelijke kansen om in de bedoelde gezinswoning te (kunnen) blijven, wat de vereffenende instantie in concreto moet appreciëren. Dit was/is in de ogen van B het nut van de inbreng, die overigens toch een huwelijksvoordeel uitmaakt. Wanneer zij enerzijds weet dat zij ook zonder de bedoelde inbreng een financiële compensatie krijgt voor wat zij mede in de alsdan volledig eigen blijvende woning van G steekt en zij anderzijds ondanks de bedoelde inbreng zou moeten blijven buigen voor de wezenlijk prioritaire eigendomsaanspraken van G (die als hij dit wenst, zich zou kunnen blijven beroepen op art. 1455 BW), is dit nut (te) weinig voelbaar.

( ... )

11. Het bezwaar van G aangaande gewezen gezinswoning moet derhalve worden afgewezen.

Het beperkte hoger beroep van B, die, met hervorming van het beroepen vonnis, de afwijzing van het bezwaar van G aangaande de gewezen gezinswoning nastreeft, is gegrond. B beoogt terecht de bevestiging van de staat van vereffening-verdeling, inzonderheid wat betreft de zienswijze en het oordeel van de notaris-vereffenaar aangaande de gewezen gezinswoning.

( ... )

F. Besluit

1. Het hoger beroep van G slaagt niet, terwijl het hoger beroep van B wel slaagt.

2. De staat van vereffening-verdeling verdient navolging, met dien verstande dat de notaris-vereffenaar de beheersrekening moet aanpassen daar waar B bepaalde betalingen heeft gedaan en op afdoende wijze staaft met betrekking tot de gewezen gezinswoning( ... ).

3. Aldus verzendt het hof de zaak terug naar de notaris-vereffenaar met het oog op voortzetting van de werkzaamheden van vereffening-verdeling met toepassing van het oude artikel 1223 Ger.W.

Het komt de notaris-vereffenaar toe de staat van vereffening-verdeling van 11 september 2009 te finaliseren overeenkomstig de rechterlijke instructies.

( ... )

Noot: 

Vincent Sagaert, Concubanten bouwen op de eigen grond van één van hen: de stilzwijgende afstand van natrekking als zakenrechtelijk beschermingsmechanisme, noot onder voormeld arrest in het RW 2015-2016, 187.

• E. Dirix, “Vermogensrechtelijke aspecten van het concubinaat” in P. Senaeve (ed.), Concubinaat, Leuven, Acco, 1992, 209-226;

• J. Fonteyn, “La renonciation à accession au sein du couple – Une question de temps”, Rev.not.b. 2013, 82-101;

• I. Samoy, “Investeren in andermans woning bij feitelijke samenwoning” in W. Pintens, J. Du Mongh en Ch. Declerck (eds.), Patrimonium 2008, Antwerpen, Intersentia, 2008, 273-285).

• F. Baudoncq en V. Guffens, “Bouwen op andermans grond in het specifiek geval van concubinaat”, T.Not. 2003, 318-346;

• S. Bouly, “Zakenrechtelijke en vermogensrechtelijke aspecten van bouwen op de grond van een partner”, TBBR 2011, 44-52;

• S. Becqué-Ickowitz, “La construction sur le terrain d’un époux séparé de biens financée par des sommes indivises”, Rev.trim.dr. civ. 2008, 589 e.v.

• V. Sagaert, Goederenrecht in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Mechelen, Kluwer, 2014, nrs. 333 en 982

Aanvullende rechtspraak

• Antwerpen 31 januari 2017 AR: 2015/FA/100, TBBR 2018/4, 230

Samenvatting

Tussen samenlevers, waar de ene partner in de regel bouwt in opdracht en voor rekening van de andere partner, eigenaar van het onroerend goed, is artikel 555 BW zinledig.

Tekst arrest

( ... )

1. Wat voorafgaat

Appellante heeft op 5 november 2005 een woning gekocht te Bornem aan de ( ... ).

Nadat partijen in februari 2008 een relatie zijn begonnen, heeft geïntimeerde zich op 7 januari 2009 laten inschrijven op het adres van appellante.

Vervolgens hebben zij op 19 augustus 2009 een verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Bornem.

Uit hun relatie is één kind geboren, te weten: M.-A.R., op ( ... ).

Op 17 september 2009 hebben partijen een onderhandse overeenkomst afgesloten, betreffende een financiële regeling "omtrent het huis dat door hen beiden wordt bewoond, maar (voorlopig) in eigendom is van R.F. ".

In deze overeenkomst is onder meer het volgende bedongen: - "maandelijks zal WR. een som van 600 EUR betalen aan R.F., hetgeen overeenkomt met de helft van de afbetaling van de woning. Vanaf januari 2010 zullen deze bedragen gezien worden als investering ....

- Alle investeringen aan de woning(. .. ) die enkel door WR. worden gedragen, zullen minimaal 2 maal per jaar worden vastgelegd tussen de partijen, om een vlotte opvolging van de staat van de kosten te garanderen.

- In geval dat WR. verhuist en geen mede-eigenaar wil worden van de woning, zal het totaal van deze investeringen aan hem worden terugbetaald."

Die overeenkomst bevatte ook een addendum, door beide partijen ondertekend, houdende de omschrijving van een reeks aankopen tussen 11 juni 2009 en 5 september 2009 voor in totaal 14.599,02 EUR.

Geïntimeerde heeft op 22 februari 2013 een eenzijdige verklaring van beëindiging van de wettelijke samenwoning afgelegd.

Op 22 oktober 2013 heeft geïntimeerde appellante doen dagvaarden

Zijn oorspronkelijke vordering strekte ertoe:

- appellante te horen veroordelen tot betalen van 76.752 EUR, te vermeerderen met de nalatigheidsintresten aan de conventionele rentevoet van 8 % vanaf de datum van investering of afbetaling woonkrediet tot de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke intresten sedertdien tot aan de volledige betaling;

- appellante te horen veroordelen tot de gerechtskosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 5.500 EUR, basisbedrag voor vorderingen vanaf 100.000,01 EUR;

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Hij baseerde zijn vordering op de verrijking zonder oorzaak en/of de leer van de natrekking om vergoeding te bekomen voor investeringen ten bedrage van 50.955 EUR, voor terugbetaling van het woonkrediet voor 17.040 EUR en onkosten voor 8.757,22 EUR, hetzij in totaal 76.752 EUR, nog te vermeerderen met conventionele intresten.

Appellante besloot tot de ongegrondheid van die vordering en stelde in haar conclusie neergelegd op 24 januari 2014 een tegenvordering, die ertoe strekte geïntimeerde te horen veroordelen tot betalen van een gebruiksvergoeding over de periode van 7 januari 2009 tot 22 februari 2013 van 600 EUR x 38 = 22.800, onder aftrok van de bedragen die hij zou bewijzen effectief betaald te hebben, en tot betalen van de gedingkosten, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 2.300 EUR.

In conclusies neergelegd op 27 februari 2014 vorderde geïntimeerde dan:

- appellante te horen veroordelen tot betalen van 67.996,27 EUR, te vermeerderen met de nalatigheidsintresten aan de conventionele rentevoet van 8 % vanaf de datum van investering of afbetaling woonkrediet tot de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke intresten sedertdien tot op de dag van de volledige betaling;

- haar tevens te veroordelen tot betalen van 8.789,79 EUR, te vermeerderen met de intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum der onkosten tot de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke intresten sedertdien tot op de dag van de volledige betaling;

- de tegeneis af te wijzen als ongegrond;

- appellante te veroordelen tot de gerechtskosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 5.500 EUR. - het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

In conclusies neergelegd op 10 april 2014 herleidde appellante haar tegenvordering en vorderde nog een saldo van 6.560 EUR, meer intresten vanaf 22 februari 2013, meer de betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 2.300 EUR. In zijn syntheseconclusies baseerde geïntimeerde zich in hooforde op de overeenkomst van 17 september 2009, ondergeschikt op de overeenkomst die zij hierover bij notaris MAES hebben bereikt, meer ondergeschikt op de leer van de natrekking, meest ondergeschikt op de verrijking zonder oorzaak.

In het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 24 september 2014 heeft de eerste rechter - de onderhandse overeenkomst van 17 september 2009 absoluut nietig bevonden, nu zij niet bij authentieke akte is verleden;

- de hoofdvordering van geïntimeerde evenwel gegrond verklaard voor 50.956,27 EUR (voor de door hem betaalde materialen en werken uitgevoerd aan de woning), en appellante veroordeeld tot betalen van dit bedrag aan geïntimeerde, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet, en dit op grond van de verrijking zonder oorzaak, nu deze uitgaven kennelijk de normale lasten van het samenleven te boven gingen;

- het overige van de hoofdvordering (de afbetalingen van het hypothecair krediet en diverse onkosten) alsook de tegenvordering ongegrond verklaard;

- partijen ieder in de eigen gerechtskosten verwezen. Dit vonnis is betekend op 8 januari 2015.

2. De vorderingen in beroep

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 6 februari 2015, heeft appellante een naar vorm en termijn regelmatig beperkt hoger beroep ingesteld, in zover zij op grond van de vermogensverschuiving zonder oorzaak veroordeeld werd tot betalen van 50.956,27 EUR, meer de gerechtelijke intresten.

Het hoger beroep strekt ertoe de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren en rechtdoende op de oorspronkelijke tegeneis van appellante, deze tegeneis, voor zover geen compensatie van de prestaties van beide partijen in het kader van de kosten van huishouding zou aanvaard worden, quod non, ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens vordert appellante geïntimeerde te veroordelen tot betalen van een gebruiksvergoeding over de periode van 7 januari 2009 tot 22 februari 2013 van 600 EUR x 38 = 22.800 EUR, onder aftrok van de bedragen die hij bewijst effectief betaald te hebben voor het woningkrediet hetzij 15.840 EUR, blijft verschuldigd 6.960 EUR, meer de intresten vanaf 22 januari 2013.

Zij vordert tevens geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van de procedure, en begroot deze op een rechtsplegingsvergoeding van 2.300 EUR per aanleg, alsook het rolrecht hoger beroep p.m.

Geïntimeerde vorderde in conclusies de laattijdig neergelegde conclusies van appellante van 19 december 2015 uit de debatten te weren, alsook de wering van de niet-meegedeelde stukken. Ter terechtzitting van 27 september 2016 verklaarde geïntimeerde die exceptie van laattijdigheid van conclusies en van wering van stukken niet aan te houden. Geïntimeerde besluit ten gronde tot de ongegrondheid van het beroep en vordert op incidenteel beroep, ingesteld bij conclusies neergelegd op 26 juni 2015, en zoals geherformuleerd in conclusies neergelegd op 28 december 2015:

- appellante te veroordelen tot betaling van 67.996,27 EUR, vermeerderd met de nalatigheidintrest conform de conventionele intrestvoet aan 8 % vanaf de datum investering of afbetaling woningkrediet tot op de dag van de dagvaarding, meer de gerechtelijke intresten vanaf datum dagvaarding tot op de dag van de volledige betaling.

- appellante te veroordelen tot betalen van 8. 789, 79 EUR, meer de intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum der onkosten tot de datum dagvaarding, meer de gerechtelijke intresten vanaf datum dagvaarding tot de dag der algehele betaling.

- ondergeschikt, te oordelen dat de mondelinge overeenkomst tussen partijen in aanwezigheid van notaris MAES van 3 september 2012 bindend is en dienvolgens appellante te veroordelen tot betalen van 85.500 EUR, meer de intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 3 september 2012.

- ondergeschikt, notaris MAES met studie te 2540 HOVE, Kapelstraat 90 op te roepen als getuige ten einde onder eed te worden verhoord nopens het bestaan van de overeenkomst van 3 september 2012.

- de initiële tegeneis van appellante af te wijzen als ongegrond.

- appellante te veroordelen tot alle gerechtskosten, met inbegrip de rechtsplegingsvergoeding van 5.500 EUR per aanleg.

- dit alles bij 'vonnis' uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling of kantonnement.

3. Beoordeling

3.1. Over de exceptie van laattijdigheid van de conclusie van appellante van 19 december 201 Sen over het weren van die conclusie en van stukken

Geïntimeerde heeft op de zitting van 27 september 2016 zijn exceptie van laattijdigheid van de conclusie van appellante van 19 december 2015 en van het weren van niet-medegedeelde stukken niet aangehouden.

Er dienen bijgevolg geen conclusies en /of stukken te worden geweerd uit het beraad.

3.2. Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep en van het incidenteel beroep

Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn tijdig en naar vorm regelmatig ingesteld. Dit vastgesteld zijnde heeft het hof geen middelen van ontvankelijkheid ambtshalve te onderzoeken.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn ontvankelijk.

3.3. Over de gegrondheid van het hoger beroep en van het incidenteel beroep

3.3.1. Het standpunt van partijen

De vordering van geïntimeerde in betalen van 76. 786,06 EUR omvat drie elementen:

- door hem gedane investeringen in het onroerend goed van appellante voor in totaal 50.956,27 EUR;

- door hem verrichte terugbetalingen op het woonkrediet voor het onroerend goed van appellante voor in totaal 17.040 EUR;

- door hem betaalde onkosten voor in totaal 8.789,79 EUR. Hij steunt zich in rechte op het art. 1134 BW, ingevolge de onderhandse overeenkomst van 17 september 2009, verder op de verrijking zonder oorzaak en/of de leer van de natrekking, nu zijn bijdragen aan het woonkrediet en aan de investeringen voor renovatie niet kunnen worden aangezien als bijdrage in het samenleven.

Appellante stelt dat

- de overeenkomst tussen partijen van 17 september 2009 nietig is;

- alle betalingen door geïntimeerde uitgevoerd moeten worden aangezien als een bijdrage aan het samenleven, overeenkomstig het bepaalde onder art. 1477 BW;

- zij niet op de hoogte werd gebracht van de investeringen in het onroerend goed, zoals de onderhandse overeenkomst vereiste;

- de door geïntimeerde uitgevoerde werken gebreken vertonen zodat deze geen meerwaarde betekenden voor haar onroerend goed.

3.3.2. Over de geldigheid van de onderhandse overeenkomst van 17 september 2009

Het artikel 1478, vierde lid BW bepaalt dat de samenwonenden "voorts" hun wettelijke samenwoning naar goeddunken regelen door middel van een overeenkomst, voor zover deze geen beding bevat dat strijdig is met artikel 1477, met de openbare orde of de goede zeden, noch met de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij, noch met de regels die de wettelijke orde van de erfopvolging bepalen. En, in fine: "Die overeenkomst wordt in authentieke vorm verleden voor de notaris .... "

De tussen wettelijk samenwonenden gesloten samenlevingsovereenkomst is een plechtige akte. Indien de betrokkenen ervoor opteren een samenlevingsovereenkomst op te stellen, dan moet zij om geldig te zijn noodzakelijkerwijze de vorm van een authentieke akte aannemen en dus worden verleden voor een notaris (art. 1478, vierde lid, in fine BW). Doordat het gaat om een formele rechtshandeling, leidt de niet-naleving van deze geldigheidsvereiste tot absolute nietigheid. Ook bij een latere wijziging van de samenlevingsovereenkomst moet de notariële vorm worden aangehouden. (zie ook: Verslag namens de commissie voor de Justitie, Parl. St. Kamer 1995-96, nr. 49K0170/008, 95; en: W. PINTENS, C. DECLERCK, J. DU MONGH en K. VANWINCKELEN, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, lntersentia, 2010, 501, nr. 943; en: J.-F. TAYMANS, 'Les contrats de vie commune' in Y.-H. LELEU, Y. PARENT en J.-F. TAYMANS (eds.), Le couple. Vie commune et rupture, Brussel, Larcier, 2009, 162, nr. 183)

Anders dan wat geïntimeerde voorhoudt heeft het vormgebrek, doordat de wil der partijen niet is vastgelegd door een notaris, wel degelijk vérstrekkende gevolgen: ingevolge het niet nakomen van het zogenaamde wilsformalisme is die overeenkomst absoluut nietig. Immers, de wetgever heeft bij het opmaken van een samenlevingsovereenkomst tussen wettelijk samenwonenden kennelijk dezelfde garanties geeist als bij het opmaken van een huwelijkscontract, en heeft in tegenstelling tot een louter consensueel contract (de regel) geëist dat er een plechtige overeenkomst (de uitzondering) zou worden opgesteld door een notaris. Deze vorm is een essentiële vereiste "ad solemnitatem et non ad probationem" (lees: de vervulling van de formaliteit wordt vereist voor de rechtsgeldigheid van de rechtshandeling en niet slechts voor het bewijs ervan), (zie terzake het plechtig contract en het wilsformalisme o.m. R. DEKKERS, Handboek Burgerlijk Recht, II, 1971, nr. 39 en H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, t. 1, 28-29 ent. Il, 454)

Nu er geen geldige samenlevingsovereenkomst bestaat, kunnen partijen daarvan ook niet de uitvoering eisen.

3.3.3. Over de toepassing van art. 544-554 B.W. c.q. de kosten/eer Geïntimeerde beroept zich tevergeefs op de gevolgen van de natrekking ex. art. 554 BW en/of op de kostenleer (art. 1381 BW):

Het art. 554 BW bepaalt:

"De eigenaar van de grond, die gebouwen, beplantingen en werken met hem niet toebehorende materialen heeft tot stand gebracht, moet de waarde van deze materialen betalen; hij kan ook tot schadevergoeding worden veroordeeld indien daartoe reden is; maar de eigenaar van de materialen heeft niet het recht ze weg te nemen.".

Het art. 555 BW bepaalt:

"Indien de beplantingen, gebouwen en werken zijn tot stand gebracht door een derde met zijn eigen materialen, heeft de eigenaar van het erf het recht die voor zich te behouden, ofwel de derde te verplichten ze weg te nemen ....

Indien de eigenaar verkiest die beplantingen en gebouwen te behouden, moet hij de waarde van de materialen en het arbeidsloon vergoeden, zonder dat de min of meer belangrijke vermeerdering der waarde, die het erf kan hebben verkregen, in aanmerking komt .... "

Het art. 1381 BW bepaalt:

"Hij aan wie de zaak teruggegeven wordt, moet zelfs aan de bezitter te kwader trouw alle noodzakelijke en nuttige uitgaven vergoeden, die tot behoud van de zaak gedaan zijn." De ingeroepen natrekkingsleer (hier in essentie artikel 555 BW) biedt geen uitweg aan de geïntimeerde: er kan slechts een beroep worden gedaan op de natrekkingsleer indien het nagetrokken goed nog individualiseerbaar is, zodat de wegname - strikt gezien - mogelijk blijft, zij het desgevallend met minwaarde/economisch verlies tot gevolg (zie en vgl. Cass. 18 april 1991, Arr. Cass. 1990-91, 891 alsook H. De Page, Traité élémentaire de droit civil beige, VIII, Brussel, Bruylant, p. 9, nr. 420), hetgeen hier evenwel niet het geval is: de geïncorporeerde materialen zijn duidelijk niet vatbaar voor individualisatie en gebeurlijke wegneming.

Artikel 555 BW is bovendien slechts bedoeld voor de situatie waarbij de eigenaar van een onroerend goed, die er niet in het bezit van is, vaststelt dat een derde werken aan het goed heeft uitgevoerd. Een derde is diegene die niet krachtens een overeenkomst heeft gebouwd. Derde is eenieder die gebouwd heeft op de grond van iemand anders of op deze grond werken heeft opgericht op zijn eigen kosten en voor zijn eigen rekening, en waarbij het eigendomsconflict door geen enkele wet en door geen enkele overeenkomst tussen beide partijen werd geregeld (zie ook: F. Van Neste, "Zakenrecht", in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Brussel, Story-Scientia, 1990, 377, nr. 213). Dit maakt artikel 555 BW zinledig in een rechtsverhouding tussen samen/evers, waar de ene partner, desgevallend met bijstand in natura van zijn familie, in de regel bouwt in opdracht en voor rekening van de andere partner, eigenaar van het onroerend goed, hetgeen hier trouwens niet anders was.

De kostenleer is in principe bedoeld voor de situatie waarin de eigenaar zijn onroerend goed terugvordert van een derde die dat goed onder zich heeft en beoogt meer bepaald de hypothese waarin deze derde werken uitvoerde aan het onroerend goed gedurende een tijdspanne of in een periode dat de eigenaar niet in het bezit was van dit goed. Het spreekt voor zich dat geïntimeerde niet kan worden gekwalificeerd als een derde die het onroerend goed van appellante onder zich gehouden heeft. De kostenleer, die uitgaat van de hypothese dat er geen overleg of samenspraak is geweest tussen de vergoedingsgerechtigde en de vergoedingsplichtige, kan in beginsel niet worden toegepast in de verhouding tussen samenlevers, omdat de werken daar in de regel in gezamenlijk overleg worden uitgevoerd, hetgeen hier trouwens kennelijk niet anders was.

3.3.4. Over de verrijking zonder oorzaak

Ook de verrijking zonder oorzaak, die een subsidiair karakter heeft, biedt geen soelaas aan de vordering van geïntimeerde.

Immers, van zodra er een geldige oorzaak voorhanden is voor de verarming en bijgevolg een economische of zelfs loutere morele rechtvaardiging bestaat voor de vermogensverschuiving moet de aanspraak van geïntimeerde worden afgewezen: de oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn of zelfs de eigen wil van de verarmde. In dat verband dient nog onderlijnd dat wanneer de verarmde (bij hypothese geïntimeerde) speculeerde om een aleatoir resultaat te bereiken (het langdurig mogen samenwonen in de voormalige gezinswoning met appellante en hun gemeenschappelijk kind) - dat uiteindelijk dan niet werd bereikt of gerealiseerd- of handelde uit eigen belang de vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is (zie o.a. ook: H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil beige, III, blz. 54, nr. 40; vgl. met A. DE BERSAQUES, "Le caractère subsidiaire de l'actio de in rem verso", RCJB 1957, (121), 128, nr. 17).

3.3.5. Over de beweerde mondelinge overeenkomst tot vereffening en verdeling bij notaris MAES van 3 september 2012

Geïntimeerde beroept zich in ondergeschikte orde, namelijk "indien het hof de mening zou zijn toegedaan dat met de overeenkomst tussen partijen geen rekening kan worden gehouden en dat in casu geen toepassing kan worden gemaakt van de vermogensverschuiving zonder oorzaak" op het bestaan van een mondelinge overeenkomst in aanwezigheid van notaris MAES, waarbij appellante een vergoeding zou betalen van 85.500 EUR.

Hij verwijst daarvoor naar

- een e-post bericht van notaris MAES van 21 september 2012 dat stelt:

"Ik heb getracht tussen partijen een nieuwe regeling tot stand te brengen. Na een lange bespreking kwam er een nieuw (mondeling) akkoord tussen partijen tot stand, doch de daaropvolgende dag kwam mevrouw FAES terug op de gemaakte afspraken.";

- een e-postbericht van 4 september 2012 van appellante, dat wel degelijk verwijst naar het akkoord over het terug te betalen bedrag, maar waarop is teruggekomen: "Geachte Mevrouw Maes, Alvast bedankt voor uw geduld gisteren. Graag had ik een aantal aanpassingen laten doen in de tekst. Het terug te betalen bedrag van 85.500 EUR mag teruggebracht worden naar 80.000 EUR."

Geïntimeerde meent dat het akkoord tussen partijen bindend was.

Uit de door partijen overgelegde briefwisseling is weliswaar af te leiden dat er tussen partijen onderhandelingen gevoerd werden op basis van hun oorspronkelijke onderhandse overeenkomst die hoger evenwel absoluut nietig is verklaard, en is verder allerminst af te leiden dat er tussen hen een definitief akkoord is tot stand gekomen. Met reden werpt appellante aan geïntimeerde tegen dat zo er al een definitief bindend akkoord zou zijn gesloten, de notaris dat akkoord wel op papier zou hebben gezet.

Ter terechtzitting van 27 september 2016 wierp het hof de vraag op naar de toelaatbaarheid van het door geïntimeerde in meer ondergeschikte orde gevraagde getuigenverhoor, gelet op het bepaalde onder art. 1341 BW, en geïntimeerde heeft daarover standpunt ingenomen.

Het art. 1341 B.W. bepaalt: "Een akte voor een notaris of een onderhandse akte moet worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van 375 EUR te boven gaan, zelfs betreffende vrijwillige bewaargevingen; het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten tegen en boven de inhoud van de akten, en evenmin omtrent hetgeen men zou beweren vóór, tijdens of sinds het opmaken te zijn gezegd, al betreft het ook een som of een waarde van minder dan 375 EUR. Een en ander onverminderd hetgeen wordt voorgeschreven in de wetten betreffende de koophandel."

Te dezen blijkt geen notariële of onderhandse akte te zijn opgesteld over enige regeling tussen partijen aangaande hun vereffening en verdeling, en gelet op het art. 1341 B.W. kan het bewijs door getuigen niet worden toegelaten. Bovendien moet worden vastgesteld dat het verzoek tot bewijs door getuigen onvoldoende bepaald is naar tijd en ruimte om een tegenbewijs mogelijk te maken: ook om die reden is het getuigenbewijs niet toelaatbaar.

Geïntimeerde kan zich derhalve ook niet baseren op enig "mondeling" akkoord tussen partijen.

Kortom: geïntimeerde toont niet aan dat de uitgaven (onder welke vorm ook) die hij verricht heeft tijdens het samenleven van partijen zijn evenredige bijdrage in de kosten van de huishouding en het samenwonen overtreffen.

En ter zake wijst appellante er met reden op dat zijzelf immers ook een ganse reeks uitgaven betaalde (belastingen, verzekeringen, de rekeningen voor nutsvoorzieningen allerhande, de aankoop van de gezinswagen - zie de opsomming onder nr. 6 van haar syntheseconclusies neergelegd op 25 maart 2016 met verwijzing naar haar stukkenbundel). Vermits de (oorspronkelijke) tegeneis van appellante slechts is gesteld voor zover het hof zou oordelen dat er geen compensatie kan gebeuren tussen de prestaties verricht door elk der partijen in het kader van de huishouding, dient daarover verder niets gezegd te worden.



( ... )

4. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Verklaart het beperkt hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, en rechtdoend binnen de perken ervan:

Verklaart het hoger beroep gegrond en het incidenteel beroep ongegrond,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond,

Wijst hem ervan af,

Wijst hem ook af van zijn onderschikte actuele vorderingen; Stelt vast dat de in ondergeschikte orde ingestelde (oorspronkelijke) tegeneis derhalve zonder voorwerp valt,

( ... )

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 16/06/2018 - 10:32
Laatst aangepast op: za, 16/06/2018 - 10:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.