-A +A

Gegronde redenen uittredingsprocedure uit vennootschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 23/11/2015
A.R.: 
2015/AR/1051

De uittredingsprocedure vergt de vaststelling door de rechter dat de samenwerking tussen partijen absoluut en definitief onmogelijk is geworden.

De gegronde redenen moeten trouwens van die aard zijn dat van de vennoot die de overname vordert in redelijkheid niet kan verlangd worden dat hij nog langer vennoot blijft. Dit impliceert niet dat steeds een foutieve of onrechtmatige gedraging vereist is die specifiek toerekenbaar is aan de vennoot van wie de overname gevorderd wordt en waaraan de vennoot die de overname vordert vreemd is 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/8
Pagina: 
617
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(H.D'H., K.L., T.V. / H.D. en BVBA A.T.A. - Rolnr.: 2015/AR/1051)

(Advocaten: Mr. B. Mouton, Mr. J. Mertens, Mr. F. Vyncke en Mr. C. Degryse)

1. Bij verzoekschrift, neergelegd op 10 april 2015, hebben appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 3 november 2014, op tegenspraak gewezen door de voorzitter van de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Gent, zetelend zoals in kort geding (A/14/01406).

Een akte van betekening ligt niet voor.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm.

I. Feiten en procedure in eerste aanleg
2. Bij notariële akte van 1 juli 2011 hebben H.D., H.D'H., K.L. en T.V. de BVBA A.T.A. opgericht, […].

Het maatschappelijk doel van de vennootschap situeert zich in de sector van de handel van dranken, voedingswaren, cosmetica, kruiden, vitamines, natuur- en dieetproducten, tabaks- en rookwaren, e.d.

Het kapitaal van de vennootschap werd vastgesteld op 18.600 EUR, vertegenwoordigd door 300 aandelen zonder vermelding van waarde, die ieder een gelijk deel in het kapitaal vertegenwoordigen.

Er werden 100 aandelen toegekend aan H.D. voor 6.200 EUR, 100 aandelen aan H.D'H. voor 6.200 EUR, 50 aandelen aan K.L. voor 3.100 EUR en 50 aandelen aan T.V. voor 3.100 EUR. Alle aandelen werden volledig volstort. H.D. werd benoemd tot enige (niet-statutaire) zaakvoerder voor onbeperkte duur, met een vergoeding van 3.500 EUR per maand.

3. Op de bijzondere algemene vergadering van de BVBA A.T.A., gehouden op 13 januari 2014, werd kennis genomen van het ontslag van H.D. als zaakvoerder op 11 januari 2014. Er was ernstige onenigheid tussen de vennoten ontstaan. Op 3 januari 2014 was aan H.D. de toegang tot de lokalen van de vennootschap ontzegd.

De algemene vergadering benoemde de NV E. (de vennootschap van B.D'H.), de BVBA L. (vennootschap van K.L.) en T.V. als zaakvoerders waarvan het mandaat onbezoldigd was en een einde zou nemen op de algemene jaarvergadering die zich zou uitspreken over de jaarrekening 2016.

Bij beschikking in kort geding van 14 maart 2014 werd aan H.D. en de BVBA H.D. een concurrentieverbod opgelegd dat 6 maanden zou gelden indien H.D. niet vóór 15 april 2014 zijn aandelen aan de andere vennoten zou afstaan of tenminste een procedure zoals in kort geding aanhangig zou maken om de andere aandeelhouders te verplichten zijn aandelen over te nemen.

4. Bij inleidende dagvaarding, betekend op 11 april 2014 (en in latere conclusies), vroeg B.D. de uittreding (art. 340 W.Venn.), dienvolgens H.D'H., K.L., T.V. (hierna: “appellanten”) hoofdelijk te veroordelen om zijn 100 aandelen in de BVBA A.T.A. over te nemen tegen betaling van 6.200 EUR nominaal, minstens 1 EUR, alsook tot inschrijving van deze aandelenoverdracht in het register van de aandelen op naam en de ondertekening ervan onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 EUR per dag vertraging.

Ondergeschikt “en enkel om zich te conformeren aan de letterlijke tekst van het dispositief van de beschikking in kort geding” vroeg hij om een gedwongen uitsluiting van appellanten (art. 334 W.Venn.), dienvolgens hen te veroordelen om al hun aandelen (100 + 50 + 50) in de BVBA A.T.A. aan hem over te dragen tegen de prijs van 1 EUR, alsook tot inschrijving van hun aandelenoverdracht in het register van aandelen op naam en de ondertekening ervan onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 EUR per dag vertraging.

H.D. stelde een vordering tot gemeenverklaring en tegenstelbaarheid van het tussen te komen vonnis in t.a.v. de BVBA A.T.A. Hij vroeg de gedingkosten ten laste te leggen van appellanten.

5. Appellanten wierpen de nietigheid op van het inleidende dagvaardingsexploot in de zin van artikel 702, 3° Ger.W. (“exceptio obscuri libelli”), stellende dat het onduidelijk was wat er werd gevorderd.

Ondergeschikt vroegen zij vast te stellen dat de voorwaarde van subsidiariteit van de uittredingsprocedure niet vervuld was. Meer ondergeschikt vroegen appellanten de debatten te heropenen om te concluderen over de gegronde reden tot uitsluiting en/of uittreding.

6. In het vonnis a quo van 3 november 2014 beoordeelde de voorzitter de vordering tot uittreding als ontvankelijk en als volgt gegrond:

veroordeelt appellanten in solidum om de 100 aandelen die H.D. bezit in de BVBA A.T.A. over te nemen;
bepaalt de peildatum waarop de waarde van de aandelen moet worden vastgesteld op heden;
zegt dat de materiële overdracht zal plaatsgrijpen bij het bepalen van de overnameprijs;
en alvorens de prijs te bepalen: stelt de heer F.V.V., bedrijfsrevisor, aan als gerechtsdeskundige, met als opdracht o.a. de waarde van het aandeel van de BVBA A.T.A. te waarderen volgens de gebruikelijke waarderingsmethodes (intrinsieke waarde, vermogenswaarde, rendementswaarde en marktwaarde) en dit “in going concern”, met als peildatum 3 november 2014; advies te geven welke waarderingsmethode de meest geschikte is, rekening houdende met het bedrijf in kwestie en de sector waarin het actief is …;
verzendt de zaak naar de rol;
houdt de beslissing omtrent de geldingkosten aan.
II. Procedure in hoger beroep
7. Het hoger beroep werd ingesteld door de oorspronkelijke verweerders.

Appellanten vorderen:

in hoofdorde: de nietigheid van de initiële dagvaarding vast te stellen;
in ondergeschikte orde: vast te stellen dat de vereiste van subsidiariteit niet vervuld is en bijgevolg de vordering als ongegrond af te wijzen;
in uiterst subsidiaire orde: vast te stellen dat de gegronde redenen zich situeren in hoofde van H.D. en bijgevolg de overdracht van de aandelen te bevelen lastens hem, onder volgende modaliteiten: (a) peildatum: 29 maart 2012, ondergeschikt op 23 juli 2013, meer ondergeschikt op 10 oktober 2013, nog meer ondergeschikt op 31 december 2013, verder ondergeschikt op 2 januari 2014, nog verder ondergeschikt op 11 januari 2014 en meest ondergeschikt op 11 april 2014; (b) aanstelling van de gerechtsdeskundige F.V.V. conform het vonnis a quo.
Eerste geïntimeerde H.D. vraagt:

op hoofdberoep: het vonnis a quo te bevestigen, behalve wat de aanstelling van een deskundige betreft;
op incidenteel hoger beroep: appellanten hoofdelijk en in solidum, minstens één of meer van hen, zich te horen veroordelen om de 100 aandelen die eerste geïntimeerde bezit in de vennootschap, over te nemen tegen betaling van een vergoeding van 6.200 EUR nominaal, of ondergeschikt 1 EUR, en hen ertoe te veroordelen om, op straffe van een dwangsom van 5.000 EUR per dag vertraging, de overdracht van de aandelen aan appellanten in te schrijven en te ondertekenen in het register van aandelen op naam; aan de vennootschap het tussen te komen arrest gemeen en tegenstelbaar te horen verklaren;
appellanten tot de gedingkosten te veroordelen.
Tweede geïntimeerde is de vennootschap, die inzake is voor de vordering tot gemeenverklaring en tegenwerpelijkheid.

Er werd door appellanten een verzoekschrift ex artikel 748, § 2 Ger.W. gedateerd op 21 oktober 2015 neergelegd, welk door de griffie aan geïntimeerden ter kennis werd gebracht. Ter zitting van 26 oktober 2015 deden geïntimeerden afstand van de wettelijk voorziene repliektermijn.

Voor een uitgebreide uiteenzetting van de grieven en argumenten van partijen in hoger beroep, kan verwezen worden naar de beroepsakte en hun syntheseconclusies.

III. Beoordeling
8. In hun verzoekschrift ex artikel 748, § 2 Ger.W. stellen appellanten dat H.D. in zijn syntheseconclusie voor het eerst is ingegaan op de prijsbepaling van de aandelen en een toepasselijke décote. Dit wordt gekwalificeerd als “dubbel gebruik” met de actio mandati en een aansprakelijkheidsvordering ex artikel 1382 BW.

Volgens appellanten is dit een nieuw argument welk een invloed heeft op de beoordeling van de gevorderde décote. Zij wensen hierover nog een conclusie te nemen en vragen hiertoe een bijkomende termijn.

Geïntimeerden verzetten zich tegen verder uitstel.

Volgens het hof is deze argumentatie hic et nunc niet aan de orde, waar het debat omtrent de definitieve prijsbepaling van de aandelen nog dient gevoerd te worden na de expertise (zie infra). Het gaat trouwens niet om een “nieuw en ter zake dienend stuk of feit” welk appellanten hebben “ontdekt” conform artikel 748, § 2 Ger.W. Het verzoek wordt afgewezen.

9. Een eerste blijvende betwisting betreft de door appellanten opgeworpen nietigheid van de dagvaarding, zoals betekend op 11 april 2014. Ze baseren zich op artikel 702, 3° Ger.W. en stellen dat “het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering” onduidelijk zijn (de “exceptio obscuri libelli”).

Samen met de eerste rechter is het hof van oordeel dat de vorderingen, zoals gesteld door H.D. lastens appellanten, voldoende duidelijk zijn en er geen twijfel kan bestaan omtrent het voorwerp ervan, namelijk in hoofdorde de uittreding en in ondergeschikte orde de uitsluiting. Appellanten hebben er zich trouwens reeds voor de eerste rechter voldoende tegen verdedigd.

De exceptie van nietigheid gekwalificeerd als de “exceptio obscuri libelli” kan pas worden aangenomen vanaf het moment dat de omschrijving in de inleidende akte dermate onbegrijpelijk is dat dit de ter verschijning opgeroepen verwerende partij belet haar verdediging op te bouwen en te organiseren.

De exceptie faalt in casu ten zeerste.

10. De tweede blijvende betwisting van appellanten houdt in dat zij zich beroepen op de artikelen 7 en 8 van de statuten van de BVBA A.T.A., waarin een voorkoopregeling en een regeling voor aandelenoverdracht worden uitgewerkt, terwijl deze regeling door H.D. niet werd gevolgd.

De juridische grondslag van de subsidiariteit is volgens appellanten te vinden in de verplichting van de aandeelhouders om het vennootschapscontract te goeder trouw uit te oefenen, wat impliceert dat eerst alle redelijke mogelijkheden moeten aangewend worden om het geschil op te lossen.

Een statutaire regeling staat de uittredingsprocedure echter niet in de weg doordat bij deze procedure de wilsautonomie van de partijen niet aan bod komt.

Het recht om uittreding te vorderen is een lidmaatschapsrecht van aandelen (vgl. Gent 1 maart 2010, TBH 2010, 1021). Het instellen van de vordering tot uittreding ex artikel 340 W.Venn. kan niet ontzegd worden aan een vennoot, gelet op het dwingende karakter van de geschillenregeling (Antwerpen 27 januari 2005, TBH 2006, 438).

Een voorkooprecht bij aandelenoverdracht of de prijsbepalingsclausule in een aandeelhouders overeenkomst vinden geen toepassing bij uittreding.

11. De derde betwisting betreft de “gegronde redenen” om tot uittreding over te gaan.

Samen met de eerste rechter stelt het hof vast dat uit het geheel van de voorliggende stukken en de uiteenzettingen van partijen (hun uitgebreid feitenrelaas) blijkt dat de fundamentele onenigheid tussen de vennoten dermate duurzaam en structureel geworden is dat het voor hen onmogelijk is om nog verder samen te werken binnen de BVBA A.T.A.

Deze geëscaleerde persoonlijke en wederzijdse ergernissen vinden daarenboven reeds hun weerslag in een aantal andere procedures ten gronde die tussen partijen werden gevoerd of nog hangende zijn o.m. een ingestelde “actio mandati” tegen H.D., die door de eerste rechter werd afgewezen bij vonnis van 25 juni 2015 […], maar waartegen hoger beroep hangende is.

Dat de samenwerking tussen partijen absoluut en definitief onmogelijk is geworden, staat vast.

Appellanten hebben er geen belang bij om zich te verzetten tegen de gevorderde uittreding, gezien zij reeds geruime tijd zelf de exit van H.D. benaarstigen.

Als bijkomende grief stellen appellanten dat de eerste rechter de uitsluiting van H.D. had moeten bevelen (art. 334 W.Venn.) in plaats van zijn vordering tot uittreding toe te kennen (art. 340 W.Venn.) omdat hij beweerdelijk foutief handelde.

In eerste aanleg hebben appellanten echter geen (tegen)eis gesteld tot uitsluiting lastens H.D.

De gegronde redenen moeten trouwens van die aard zijn dat van de vennoot die de overname vordert in redelijkheid niet kan verlangd worden dat hij nog langer vennoot blijft. Dit impliceert niet dat steeds een foutieve of onrechtmatige gedraging vereist is die specifiek toerekenbaar is aan de vennoot van wie de overname gevorderd wordt en waaraan de vennoot die de overname vordert vreemd is (Cass. 16 maart 2009, TBH 2009, 956; Brussel 13 mei 2004, TBH 2005, 408).

De eerste rechter veroordeelde terecht appellanten in solidum om de 100 aandelen van H.D. in de BVBA A.T.A. over te nemen.

12. De vierde betwisting betreft de peildatum. De eerste rechter bepaalde de peildatum waarop de waarde van de aandelen moet worden vastgesteld op 3 november 2014, zijnde de datum van het vonnis a quo.

De beginselen van het gemeen recht brengen met zich mee dat de rechter de waarde van de over te dragen effecten bepaalt op het tijdstip van zijn uitspraak.

Uit de bepalingen van het W.Venn. vloeit niet voort dat de uittreding moet leiden tot een waardering van de aandelen die rekening houdt met de invloed van de gedragingen die de gegronde redenen uitmaken op de waarde van deze aandelen (Brussel 21 april 2006, TRV 2007, 287).

Het Hof van Cassatie nam bij arrest van 9 december 2010 principieel standpunt in over de peildatum voor de waardering van de aandelen: aangezien het recht op betaling van de prijs ontstaat op het ogenblik van de eigendomsoverdracht, is het op de datum van de door de rechter bevolen overdracht dat de aandelen moeten worden gewaardeerd (Cass. 9 december 2010, Pas. 2010, afl. 12, p. 3165, betreffende een vordering tot uitsluiting).

Daarbij oordeelde het Hof ook nog dat de waardering van de aandelen in de vennootschap moet gebeuren met het oog op continuïteit, waarbij geen rekening mag worden gehouden met de invloed van het gedrag van de partijen op de toestand die tot het instellen van de vordering heeft geleid en op de daaropvolgende heropleving van de vennootschap.

Deze principiële zienswijze werd door het Hof van Cassatie bevestigd bij arrest van 5 oktober 2012, dit keer betreffende een vordering tot uittreding. Het Hof benadrukte dat de rechter bij de raming van de waarde van de aandelen abstractie moet maken van zowel de omstandigheden die hebben geleid tot de vordering tot overdracht van de aandelen, als van het gedrag van de partijen ten gevolge van deze vordering (Cass. 5 oktober 2012, TRV 2013, afl. 5, 469).

In casu bestaan er geen gronden om af te wijken van deze principes. Derhalve bepaalde de eerste rechter de peildatum correct.

13. De vijfde discussie betreft de aanstelling van een deskundige om de aandelen te waarderen. Hiervoor tekende H.D. incidenteel hoger beroep aan.

De eerste rechter oordeelde dat de materiële overdracht zou plaatsgrijpen bij het bepalen van de overnameprijs en, alvorens deze prijs te bepalen, stelde de eerste rechter F.V.V. aan als deskundige met als opdracht te adviseren omtrent de waarde van de aandelen van de BVBA A.T.A.

H.D. heeft tijdens en na het bovenvermelde kort geding begin 2014 zijn aandelen te koop aangeboden aan appellanten voor de prijs van één symbolische euro, maar appellanten zijn daar niet op ingegaan.

Het laatste schriftelijk aanbod tot verkoop aan appellanten dateert van 31 maart 2014 en werd afgewezen via drie e-mails van 4 april 2014 […].

Voor de eerste rechter vorderde H.D. in hoofdorde als prijs voor zijn aandelen de som van 6.200,00 EUR en in ondergeschikte orde 1 EUR.

H.D. stelt incidenteel hoger beroep in om te zien oordelen dat het aanstellen van een deskundige niet opportuun is. Hij volhardt bereid te zijn om afstand te doen van zijn aandelen tegen de intekenprijs, minstens tegen een symbolische prijs van 1 EUR. Hij wil zijn aandelen per se overdragen om de handen vrij te hebben voor eigen (concurrerende) handelsactiviteiten.

Appellanten zijn hiermede niet akkoord. Ze wensen aan te tonen dat de aandelen een negatieve waarde hebben ingevolge het beleid door zaakvoerder H.D.

Dit argument is echter niet relevant, gezien bij de raming van de waarde van de aandelen abstractie moet gemaakt worden van zowel de omstandigheden die hebben geleid tot de vordering tot overdracht van de aandelen, als van het gedrag van de partijen ten gevolge van deze vordering (Cass. 5 oktober 2012, TRV 2013, afl. 5, 469).

Algemeen wordt aangenomen dat de eigendomsoverdracht en de betaling van de prijs in principe niet van elkaar moeten worden losgekoppeld. De overdracht van de aandelen kan echter worden opgelegd tegen betaling van een provisie of tegen het stellen van een zekerheid (Luik 25 december 2005, JT 2006, 124; Gent 17 maart 2003, TRV 2004, 367).

In acht genomen de omstandigheden in casu, gebeurt de overdracht van de aandelen best op heden tegen betaling van een PROVISIE van 1 EUR. Om de definitieve waarde van de aandelen te bepalen, wordt de aanstelling van de deskundige door de eerste rechter bevestigd.

Het vonnis van de eerste rechter wordt dus bevestigd, behalve dat de materiële overdracht van de aandelen op heden reeds plaats vindt tegen betaling door appellanten van 1 EUR provisioneel.

Het principaal hoger beroep is ongegrond.

Het incidenteel hoger beroep is deels gegrond.

De zaak dient terug naar de eerste rechter te worden verwezen voor verdere afhandeling na expertise (art. 1068, 2° Ger.W.), namelijk voor de definitieve waardebepaling van de aandelen.

Appellanten worden in de gedingkosten van de beroepsprocedure verwezen.

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

[…]

Wijst het verzoek ex artikel 748, § 2 Ger.W. af als ongegrond;

Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond;

Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en beperkt gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet uitsluitend waar geoordeeld wordt: “Zeggen dat de materiële overdracht zal plaatsgrijpen bij het bepalen van de overnameprijs”;

Derhalve opnieuw oordelende:

“Zegt voor recht dat de materiële overdracht van de aandelen op heden zal plaatsgrijpen tegen betaling van een provisionele prijs van 1 EUR;

Veroordeelt appellanten om, op straffe van een dwangsom van 1.000 EUR per dag vertraging, de overdracht van de aandelen aan appellanten in te schrijven en te ondertekenen in het aandelenregister;

Verklaart dit arrest gemeen en tegenwerpelijk aan de BVBA A.T.A.;”

Bevestigt het bestreden vonnis voor al het overige;

[…]

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 21/07/2017 - 21:10
Laatst aangepast op: vr, 21/07/2017 - 21:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.