-A +A

Gegronde redenen bij vordering uittreding vennootschap delicate evenwicht 50/50 verdeling aandelen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 18/05/2015

Bij het beoordelen van het al dan niet aanwezig zijn van een gegronde reden in de zin van artikel 340 W.Venn. is de delicaatheid van het evenwicht dat het gevolg is van een 50/50-verdeling van de aandelen, van groot belang.

Niet alleen is het medezaakvoerderschap niet los te zien van het medeaandeelhouderschap, doch in alle doen en laten dienen de respectieve beide zaakvoerders voortdurend oog te hebben voor de broosheid van dat evenwicht en voor de verstandhouding in alle organen van de vennootschap.

Een aandeelhouder die 50% van de aandelen heeft en daarenboven één van de twee zaakvoerders is, moet als even belangrijk worden aanzien als de andere aandeelhouder met evenveel aandelen en eveneens één zaakvoerder te worden.

Elk moet zich aldus gedragen dat niet de indruk achtergelaten wordt dat de ene voortdurend vliegen wil afvangen van de andere.

De ultieme remedie bij een conflict in dergelijke context van een 50/50-verhouding, is de uittreding, omdat dit de weinig gewenste verdwijning van de vennootschap kan verhinderen. De vennootschap heeft als uitzonderlijke rechtspersoon en vermogen ook belangen die behartenswaardig zijn.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/8
Pagina: 
624
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(BVBA JVD H. / A.J., mede inzake BVBA K.)

[…]

Antecedenten
I. A. Met de dagvaarding van 10 september 2013 vordert A.J. om de BVBA JVD H. met toepassing van artikelen 340 et seq. W.Venn. te veroordelen zijn aandelen in de BVBA K. over te nemen en dit tegen een door de voorzitter te bepalen prijs, waaromtrent gevraagd wordt een deskundige aan te stellen.

De voorzitter, zetelend zoals in kort geding beschikt onder meer als volgt:

“Ontvangen de vordering en verklaren deze in hierna bepaalde mate gegrond.

Veroordelen [de BVBA JVD H.] tot overname van de aandelen van […] in de vennootschap BVBA K. mits betaling van de waarde ervan, te bepalen na deskundigenonderzoek.

Zeggen voor recht dat de rechten verbonden aan de aandelen die [de BVBA JVD H.] moet overnemen, geschorst zijn in afwachting van de waardebepaling ervan.

Stellen aan als deskundige: de heer B.C., bedrijfsrevisor, met kantoor te (…), […], met opdracht, om overeenkomstig artikelen 962 tot 991bis Ger.W.:

advies te geven over de waarde van de aandelen, te berekenen volgens de gebruikelijke methodes en advies te verlenen over de meest aangewezen methode met als peildatum de datum van het vonnis;
te antwoorden op alle nuttige en dienstige vragen door partijen gesteld;
(…).”

B. Om tot het besluit te komen dat de vordering van A.J. principieel gegrond is, weerhoudt de voorzitter als centrale overwegingen:

“De beoordeling van de gedwongen uitstapregeling dient op objectieve wijze te gebeuren vanuit het oogpunt van de normaal voorzichtige en redelijke vennoot, die in dezelfde omstandigheden is geplaatst (zie L. Cornelis en J. Willemen, De gewijzigde vennootschapswet, 1995, 281).

Het particulier belang van de vennoot primeert.

Uit de door partijen neergelegde stukken en briefwisseling blijkt dat de goede samenwerking tussen de vennoten en zaakvoerders volledig verstoord is.

Eveneens blijkt dat deze onenigheid reeds geruime tijd aansleept en dat pogingen tot een minnelijke oplossing niet tot een resultaat hebben geleid.

[De BVBA JVD H.] stelt dat zij in het verleden meermaals projecten heeft voorgesteld om die gezamenlijk in de schoot van de BVBA K. uit te voeren doch dat [A.J.] dit keer op keer afwees waardoor zij deze projecten elders gerealiseerd heeft binnen het kader van andere vennootschappen.

Dat [A.J.] systematisch of bij herhaling de realisatie van projecten zou hebben afgewezen is niet rechtstreeks aangetoond.

[De BVBA JVD H.] erkent impliciet dat zij haar activiteiten ontwikkelt binnen andere vennootschappen wat niet de bedoeling was bij de oprichting van de BVBA K. Hierdoor worden de belangen van [A.J.] geschaad.

Dit feit gekoppeld aan de ernstig verstoorde verstandhouding geldt als een gegronde reden lastens [de BVBA JVD H.] tot gedwongen overname van de aandelen van [A.J.].”

II. A. De appellante vordert in hoofdorde de vernietiging van het bestreden vonnis en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van A.J. als ongegrond.

Ondergeschikt vordert de appellante een aanpassing van de opdracht van de deskundige, neerkomend op een veel meer gedetailleerd omschreven werkwijze en met de aanwijzing van criteria die de deskundige zou moeten volgen bij de bepaling van de waarde van de over te nemen aandelen.

“In ieder geval” zou volgens de appellante moeten voor recht worden gezegd dat indien de aandelen moeten worden overgenomen, de prijs pas betaald zou moeten worden binnen een termijn van 12 maanden na de betekening van het te wijzen arrest.

B. A.J. vraagt de afwijzing van het hoger beroep “indien ontvankelijk, als ongegrond”.

Hij formuleert een incidenteel beroep

tot het plaatsen van de “peildatum voor het ontstaan van de gegronde redenen”;
tot een meer gedetailleerd omschrijven van de opdracht en de werkwijze die de deskundige moet hanteren en tot het bepalen van criteria die de expert zou moeten volgen bij de uitvoering van zijn deskundigenopdracht.
Beoordeling
I. Artikel 340 W.Venn. bepaalt dat iedere vennoot om gegronde redenen in rechte kan vorderen dat zijn aandelen worden overgenomen door de vennoten op wie de gegronde redenen betrekking hebben.

Er is geen betwisting over het feit dat enerzijds de BVBA. JVD H. en anderzijds A.J. de enige vennoten zijn van de BVBA K. die mee gedagvaard is voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel, zetelend zoals in kort geding en ook alhier mede betrokken is geworden in de beroepsprocedure.

Aan de formele vereisten voor het instellen van de vordering op grond van artikel 340 W.Venn. is voldaan.

Bij een vordering tot uittreding, dienen de gegronde redenen niet sterk gerelateerd te worden aan de vennootschap, in casu de BVBA K.

De blijvende aanwezigheid van de eisende aandeelhouder in de vennootschap moet bij een vordering tot uittreding niet levensbedreigend zijn voor de vennootschap.

Dat de vennootschap uiteindelijk ook in haar voortbestaan bedreigd blijkt te zijn door de duurzame onenigheid tussen de vennoten, is evenwel een element dat een reden ten overvloede kan uitmaken om hun uiteengaan te bevelen.

Een duurzaam en niet eens verwijtbaar gebrek aan verstandhouding is dé gegronde reden bij uitstek om een vordering tot uittreding te aanvaarden (cf. K. Geens, F. Hellemans, R. Tas en J. Vananroye, “Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen (1992-1998)”, TPR 2000, p. 443, nr. 433 en nr. 434).

Dit impliceert derhalve niet steeds een foutieve of onrechtmatige gedraging die specifiek toerekenbaar is aan de vennoot van wie de overname gevorderd wordt, en waaraan de vennoot die de overname vordert vreemd is (cf. Cass. 16 maart 2009, RW 2009-10, 873).

De gegronde redenen moeten wel van die aard zijn dat van de vennoot die wenst uit te treden, redelijkerwijze niet langer kan worden verlangd vennoot te blijven (vgl. D. Van Gerven, “Kroniek vennootschapsrecht 2009-2010”, TOV 2010, p. 479, nr. 90).

II. A. Bij het beoordelen van het al dan niet aanwezig zijn van een gegronde reden in de zin van artikel 340 W.Venn. is de delicaatheid van het evenwicht dat het gevolg is van een 50/50-verdeling van de aandelen, van groot belang.

Niet alleen is het medezaakvoerderschap niet los te zien van het medeaandeelhouderschap, doch in alle doen en laten dienen de respectieve beide zaakvoerders voortdurend oog te hebben voor de broosheid van dat evenwicht en voor de verstandhouding in alle organen van de vennootschap.

Een aandeelhouder die 50% van de aandelen heeft en daarenboven één van de twee zaakvoerders is, moet als even belangrijk worden aanzien als de andere aandeelhouder met evenveel aandelen en eveneens één zaakvoerder te worden.

Elk moet zich aldus gedragen dat niet de indruk achtergelaten wordt dat de ene voortdurend vliegen wil afvangen van de andere.

De ultieme remedie bij een conflict in dergelijke context van een 50/50-verhouding, is de uittreding, omdat dit de weinig gewenste verdwijning van de vennootschap kan verhinderen. De vennootschap heeft als uitzonderlijke rechtspersoon en vermogen ook belangen die behartenswaardig zijn.

Er zij vastgesteld dat de ontbinding eveneens door A.J. is gevorderd geworden, doch de kwestieuze procedure is blijkbaar uitgesteld.

B. Een tekortkoming die de geïntimeerde A.J. aan de appellante terecht verwijt, is dat de laatstgenoemde in de persoon van J.V.D., het aan A.J. wel opvallend moeilijk heeft gemaakt om gebruik te maken van zijn inzage-, onderzoeks- en controlerecht;

Daarenboven hield J.V.D. (BVBA JVD H.) de zaken van BVBA K. afgesloten ten aanzien van zijn even belangrijke medeaandeelhouder c.q. medezaakvoerder. Er is geen sprake van rechtsmisbruik in hoofde van A.J. waar hij van zijn normale inzagerechten (overigens als medezaakvoerder) gewoon gebruik gemaakt heeft.

Omtrent het in gebreke blijven van de appellante om de normale en gepaste mogelijkheid tot inzage van boeken mogelijk te maken, zijn er voldoende met mekaar overeenstemmende vermoedens, om deze eerder laakbare houding van de appellante, handelend via de fysieke persoon van J.V.D., als beantwoordend aan de werkelijkheid aan te nemen.

De voorgelegde stukken spreken hieromtrent voldoende voor zich.

C. Dat de appellante naast de BVBA K. een aparte weg wenst te gaan, wordt sprekend geïllustreerd door wat hij heeft verklaard op de algemene vergadering van 22 november 2012 (zie stuk nr. 15, dossier A.J.: verslag dat een hele “dialoog” woordelijk opneemt), waarbij J.V.D. onder meer verklaart:

“Met betrekking tot nieuwe projecten wil ik eerst mijn eigen korf vullen.”

Dergelijke uitspraak is voor weinig interpretaties vatbaar, in welke context dan ook.

Dat A.J. bang [is] om onroerend goedprojecten voor de BVBA K. te verwerven en te doen uitvoeren, is misschien wel waar, doch het is alleszins voor J.V.D. niet de eerste reden: hij wil hoe dan ook “in de eerste plaats zijn eigen korf vullen”.

J.V.D. is duidelijk van plan de BVBA K. concurrentie aan te doen. In die context kan bezwaarlijk aan A.J. gevraagd worden zich verder als aandeelhouder voor 50% te handhaven in de BVBA K. naast de BVBA JVD H. / J.V.D.

D. Er is voldoende gegronde reden aanwezig om de appellante op te leggen de aandelen van A.J. over te nemen.

III. A. Waar A.J. vraagt de peildatum te plaatsen “voor het ontstaan van de gegronde redenen”, kan hierop niet worden ingegaan.

Niet alleen is deze vraag al te vaag, doch er is geen enkele voldoende aanleiding hiertoe.

Bij een en ander mag immers niet uit het oog worden verloren dat A.J. hoe dan ook eveneens medezaakvoerder was.

Indien er van lieverlede zaken scheef aan het groeien zijn gegaan in de BVBA K., dan stond hij er a.h.w. op te kijken en had hij wat meer diligentie aan de dag mogen leggen met een eventuele rechtzetting als gevolg, wellicht zonder verder definitief negatieve gevolgen naar de verstandhouding tussen de vennoten toe.

De datum van het vonnis a quo, met name 3 maart 2014, wordt als peildatum behouden.

B. De beide zijden wensen een aanpassing van de deskundigenopdracht (zie supra).

Hiertoe is er geen enkele voldoende aanleiding.

De deskundige is in zijn advies gehouden de argumentering en motivering kenbaar te maken voor zijn werkprocessen en criteria die hij bij de uitvoering van zijn opdracht ( : waardering van de over te nemen aandelen), zal hanteren.

Hij is daarenboven, zoals uitdrukkelijk door de voorzitter opgelegd, gehouden “te antwoorden op alle nuttige en dienstige vragen door partijen gesteld”.

Het zou het hof ten hoogste verbazen dat de deskundige zonder enige intellectueel gepaste motivering, zaken zou poneren, waarderingsmethodes zonder meer zou toepassen e.d.

Thans is het overigens nog niet aan het hof om een waarderingsmethode op te leggen: het is aan de deskundige om op gemotiveerde wijze een en ander voor te leggen.

Daarna is het aan de zetel om op gemotiveerde wijze definitief te beslissen.

C. Er kan evenmin worden ingegaan op de vraag van de appellante om voor recht te zeggen dat de aandelen pas zouden moeten betaald worden binnen een termijn van 12 maanden na datum arrest.

Vooreerst kan niet begrepen worden wat bedoeld wordt [met] “arrest” ( : onderhavig arrest of arrest na een nieuw beroep tegen het nog te vellen vonnis door de voorzitter omtrent de waarde van de aandelen).

Vervolgens is de appellante veroordeeld de aandelen over te nemen “mits betaling van de waarde ervan” (zie vonnis a quo), zoals het hoort: de appellante bekomt alsdan definitief de aandelen en kan die aandelen bezwaarlijk ontvangen als er geen onmiddellijke betaling van de waarde ervan is.

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

[…]

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep beide ontvankelijk doch ook beide ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis.

Verwijst de zaak voor de verdere behandeling terug naar de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Gent, afdeling Gent, zetelende zoals in kort geding.

[…]

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 21/07/2017 - 20:30
Laatst aangepast op: vr, 21/07/2017 - 20:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.