-A +A

Geen verrijking zonder oorzaak indien verrijking als gevolg van een overeenkomst

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 03/06/2016
A.R.: 
C.15.0423.F

Het algemeen rechtsbeginsel van de verrijking zonder oorzaak vereist de voorwaarde van het ontbreken van oorzaak van de verarming en van de verrijking.

De verrijking is niet zonder oorzaak wanneer het vermogensaccres van de verrijkte zijn oorsprong vindt in een overeenkomst tussen de verarmde en de verrijkte; daaruit volgt niet dat een overeenkomst tussen de verarmde en de verrijkte die dat accres verantwoordt, enkel een oorzaak van de verrijking uitmaakt indien de verarmde, door die overeenkomst, heeft ingestemd met een definitieve vermogensverschuiving ten voordele van de verrijkte.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
379
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0423.F
SNAIL COMPANY nv,
tegen
AXA BELGIUM nv,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 juni 2015.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert volgend middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- algemeen rechtsbeginsel van de verrijking zonder oorzaak;
- artikel 1371 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

1. Het arrest "doet het beroepen vonnis teniet, behalve in zoverre dat de vordering heeft aangenomen, verklaart de oorspronkelijke vordering van [de eiseres] tot vergoeding ongegrond" en veroordeelt haar tot de kosten.

2. Het arrest grondt zijn beslissing op de volgende redenen:

Het herhaalt eerst wat volgt:

"De [eiseres] bezit een pand te W., ... laan .. .

De [verweerster] heeft, voor de bouw van een pand op het naburige terrein, gelegen ... laan ..., dat haar op dat ogenblik toebehoorde, haar wil geuit om eventueel gebruik te maken van de ondergrond van het pand van [de eiseres].

Na een uitgebreide briefwisseling heeft [de eiseres] in haar brief van 30 augustus 1996 uiteindelijk aanvaard dat [de verweerster] van haar ondergrond gebruik maakte: ‘Wij hebben akte genomen van uw eis om voor de bouw van uw pand gebruik te maken van onze ondergrond, voor de vernageling, en, bij gebrek aan toestemming onzerzijds, van uw dreiging om andere technieken toe te passen die ons pand schade zullen berokkenen. (...) Wij zien ons gedwongen om uw eisen in te willigen teneinde verdere schade, zoals u die beschrijft, te voorkomen. (...) Niettemin moeten we op verschillende punten voorbehoud maken.

Het eerste punt betreft, uiteraard, de vergoeding voor uw toe-eigening van onze ondergrond. Onze vennootschap behoudt zich het recht voor die vergoeding te eisen'.

[De verweerster] antwoordt in haar brief van 6 september 1996 wat volgt:

‘Wij hebben tevens akte genomen van uw voorbehoud om een vergoeding te vragen voor de "toe-eigening" van uw ondergrond. Als dat uw intentie is, verzoeken wij u ons uw eisen zo spoedig mogelijk kenbaar te maken omdat die mogelijke vergoeding - die ons inziens slechts symbolisch is en enkel als daad van erkenning kan worden opgevat -, gelet op de overeenkomsten met onze aannemer, te zijnen laste valt'.

[De eiseres] heeft op 10 september gepreciseerd: ‘De vergoeding voor de toe-eigening van onze ondergrond onder ons gangpad lijkt ons rechtmatig en niet symbolisch. Onze raadslieden zullen die vergoeding ramen en we behouden ons het recht voor u aan het einde van de werkzaamheden daarvan op de hoogte te brengen'.

[De eiseres] heeft in haar brief van 19 september 1996 herhaald dat ‘wij ons het recht voorbehouden de vergoeding voor de toe-eigening van de ondergrond te gepasten tijde te vorderen'.

Het arrest vervolgt:

"19. [De eiseres] beroept zich subsidiair op de verrijking zonder oorzaak als grondslag voor haar vordering tot schadeloosstelling.
Verrijking zonder oorzaak berust op het algemeen beginsel van billijkheid, volgens hetwelk niemand zich zonder oorzaak ten koste van een ander mag verrijken en elke prestatie gecompenseerd moet worden met een daarmee overeenstemmende prestatie; er is sprake van verrijking zonder oorzaak wanneer iemand, door zijn eigen daad, een ander verrijkt waardoor hij zichzelf tegelijkertijd zal verarmen, zonder dat die verrijking of verarming door enige oorzaak of reden gerecht-vaardigd wordt.

De wet, een overeenkomst, de wil van de verarmde of zijn fout zijn elementen waarin het vermogensaccres van de verrijkte zijn oorzaak kan vinden.
Het Hof van Cassatie heeft onlangs herhaald dat de verrijking niet zonder oorzaak is wanneer zij haar oorsprong vindt in de wil van de verarmde, voor zover deze de wil heeft gehad een definitieve vermogensverschuiving ten voordele van de verrijkte tot stand te brengen (Cass., 23 oktober 2014, www.jurisdat.be). Dat is dus met name het geval wanneer de verarmde uit vrijgevigheid heeft gehandeld.

De eerste rechter heeft in voorliggend geval aangenomen dat [de verweerster] zich zonder oorzaak had verrijkt, op grond dat [de eiseres] niet uit vrijgevigheid heeft gehandeld: zij heeft ingestemd met het gebruik van haar ondergrond maar eiste een vergoeding in ruil voor de toe-eigening van haar pand.

20. Het hof [van beroep] kan zich niet aansluiten bij de analyse van de eerste rechter.

Wat betreft de verrijking [van de verweerster], stelt het hof [van beroep] vast dat zij voor de vernagelingstechniek heeft gekozen omdat zij een eigen, dan wel financieel belang daarbij had, al was het maar wegens de omvang van de schade die de gekozen techniek aan het naburige pand dreigde te berokkenen (de heitechniek, die de plaatsing van damwandprofielen vereist, kan meer hinder veroorzaken). [De verweerster] heeft het voordeel dat ontstaan is uit het blijvend karakter van het gebruik van de naburige ondergrond aan de koper van het heersend erf kunnen toekennen door hem het goed over te dragen. Wat betreft de verarming van [de eiseres], zij lijdt, doordat de erfdienstbaarheid haar eigendomsrechten heeft ingeperkt, een genotsderving van een deel van haar erf.

Hoewel de verrijking en de daarmee verband houdende verarming in beginsel zijn bewezen, is de verrijking echter niet ongerechtvaardigd en zijn de voorwaarden van de zogenaamde ‘actio de in rem verso' te dezen niet vervuld.

[De eiseres] heeft immers ermee ingestemd dat [de verweerster] gebruik zou maken van haar ondergrond; de verrijking van laatstgenoemde vindt haar oorzaak dus in de overeenkomst tussen de partijen (zie, in die zin, met name Cass., 7 april 1978, AC 1978, 905).

Aangezien de verrijking [van de verweerster] haar oorzaak in die overeenkomst vindt, heeft de omstandigheid dat [de eiseres] geen definitieve vermogensverschuiving ten voordele [van de verweerster] tot stand heeft willen brengen maar, integendeel, zich het recht heeft voorbehouden een vergoeding te eisen, geen weerslag op het bestaan van de oorzaak van de verrijking."

3. Het arrest overweegt zodoende dat, hoewel het bewijs is geleverd van een verrijking van de verweerster die verband houdt met de verarming van de eiseres, die vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is, in zoverre ze haar oorsprong vindt in de instemming van de eiseres met het gebruik van haar ondergrond, dus in een overeenkomst, en dat het derhalve weinig uitmaakt dat de eiseres geen definitieve vermogensverschuiving ten voordele van de verweerster tot stand heeft willen brengen maar dat zij zich, integendeel, het recht heeft voorbehouden een vergoeding te eisen.

Grieven

1. Van verrijking zonder oorzaak is sprake wanneer de verrijking van een vermogen en de daarmee verband houdende verarming van een ander vermogen zonder oorzaak is (algemeen rechtsbeginsel van de verrijking zonder oorzaak en artikel 1371 van het Burgerlijk Wetboek).

De verrijking is niet zonder oorzaak wanneer ze haar oorzaak vindt in de wil van de verarmde, voor zover laatstgenoemde een definitieve vermogensverschuiving ten voordele van de verrijkte tot stand heeft willen brengen.

2. Hieruit volgt dat een overeenkomst tussen de verarmde en de verrijkte enkel een oorzaak van verrijking van laatstgenoemde kan zijn indien de verarmde, door die overeenkomst, heeft ingestemd met een definitieve vermogensverschuiving ten voordele van de verrijkte.

3. Het arrest miskent bijgevolg het algemeen rechtsbeginsel van de verrijking zonder oorzaak door te beslissen dat de eiseres geen vergoeding kon eisen voor de waardevermindering ten gevolge van de toe-eigening, door de verweerster, van de ondergrond op haar terrein, op grond dat de verrijking van laatstgenoemde, hoewel ze verband hield met de verarming van de eiseres, haar oorzaak vond in een overeenkomst tussen de partijen en dat het weinig uitmaakte dat de eiseres "geen definitieve vermogensverschuiving ten voordele [van de verweerster] tot stand heeft willen brengen maar, integendeel, zich het recht heeft voorbehouden een vergoeding te eisen" (miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de verrijking zonder oorzaak en, voor zover nodig, schending van artikel 1371 van het Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het algemeen rechtsbeginsel van de verrijking zonder oorzaak vereist de voor-waarde van het ontbreken van oorzaak van de verarming en van de verrijking.

De verrijking is niet zonder oorzaak wanneer het vermogensaccres van de verrijkte zijn oorsprong vindt in een overeenkomst tussen de verarmde en de verrijkte.

Daaruit volgt niet dat een overeenkomst tussen de verarmde en de verrijkte die dat accres verantwoordt, enkel een oorzaak van de verrijking uitmaakt indien de verarmde, door die overeenkomst, heeft ingestemd met een definitieve vermogensverschuiving ten voordele van de verrijkte.

Het middel, dat op het tegendeel berust, faalt naar recht.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep;
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, en in openbare terechtzitting van 3 juni 2016 uitgesproken 

Noot: 

Noot in RW 2015-2016, 940 Het subsidiaire karakter van de verrijking zonder oorzaak bekeken vanuit procesrechtelijke bril: de contouren verfijnd?


Rechtspraak 

• Cass. 14/12/2012, R.W. 2013-2014, 1577

Uittreksel

10. De rechter is ertoe gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van partijen niet miskent.

Hij heeft de plicht ambtshalve de rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen.

Dit houdt niet in dat de rechter ertoe gehouden is alle in het licht van de vaststaande feiten van het geschil mogelijke, maar niet-aangevoerde rechtsgronden op hun toepasselijkheid te onderzoeken, maar enkel dat hij, met eerbiediging van het recht van verdediging, de toepasselijkheid dient te onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsgronden die zich door de feiten zoals zij in het bijzonder worden aangevoerd, onmiskenbaar aan hem opdringen.

11. Het onderdeel gaat ervan uit dat de appelrechters de plicht hadden de vordering van de eiseres ambtshalve te toetsen aan de aansprakelijkheidsregels inzake niet-conforme levering, maar voert niet aan dat de toepassing van die rechtsgrond geboden was door de feiten die door de eiseres in het bijzonder werden aangevoerd.

• Cass. 06/03/2013, AR P12.1596.F, juridat

samenvatting

Bij zijn uitspraak over de vergoeding van de door het slachtoffer van een ongeval geleden schade, moet de rechter de juridische aard onderzoeken van de door de partijen aangevoerde feiten en stukken; hij kan, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen eraan hebben gegeven, de door hen opgeworpen gronden ambtshalve aanvullen door de werkelijke juridische aard van de feiten vast te stellen en te onderzoeken of de vordering van het slachtoffer, anders omschreven, vergoedbare schade kan opleveren.

tekst arrest

Nr. P.12.1596.F
I. 1. V. F.,
2. J. G.,
3. J. M.

tegen
S. C.,
 

II. S. C.,

tegen
1. V. F.,
2. J. G.,
3. J. M.,

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling

A. Cassatieberoepen van V. F., J. G. en J. M.

1. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen het vonnis van 21 mei 2007
De eisers voeren geen middel aan.

2. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen het vonnis van 7 mei 2012
(...)
Tweede middel
Tweede onderdeel
De eiseres J. G., echtgenote van het verongelukte slachtoffer, verwijt met name de appelrechters dat zij door de vergoeding te weigeren van de "préjudice d'accom-pagnement" (begeleidingsschade), het recht op volledige schadevergoeding mis-kennen, bepaald in artikel 1382 van het Franse Burgerlijk Wetboek.

De rechter moet de juridische aard onderzoeken van de door de partijen aange-voerde feiten en stukken. Hij kan, ongeacht de juridische omschrijving die de par-tijen eraan hebben gegeven, de door hen opgeworpen gronden ambtshalve aanvullen.

Artikel 1382 van het Franse Burgerlijk Wetboek, dat op de feiten van de zaak van toepassing is, legt het recht vast van het slachtoffer op volledige vergoeding van de schade die in oorzakelijk verband staat met de fout die de dader heeft begaan.

De eiseres had een uitkering gevorderd, bij wijze van "préjudice d'accompagne-ment", die hierin bestaat dat zij tijdens haar waarschijnlijk overleven niet langer op het slachtoffer kan rekenen voor het vervullen van taken die normaal op beide echtgenoten rusten.

De appelrechters hebben de vergoeding van die schade afgewezen op grond dat de aldus omschreven eis niet onder de definitie valt die het Franse recht daaraan geeft. Het vonnis verwijst dienaangaande naar een "référentiel indicatif régional" (regionale indicatieve tabel) en naar een Frans juridisch woordenboek. Met aanha-ling van die bronnen stelt het vast dat de "préjudice d'accompagnement" overeen-komt met de morele schade die de nabestaanden van het slachtoffer lijden tijdens de traumatische aandoening tot aan het overlijden. Het besluit daaruit dat, aange-zien het slachtoffer bij het ongeval is overleden, de vordering van die schade niet gegrond is.

De appelrechters hebben zodoende niet de werkelijke juridische aard van de feiten vastgesteld en hebben evenmin onderzocht of die vordering in het Franse recht, als materiële schade, vergoedbaar kon zijn.

In zoverre is het middel gegrond.
(...)

Dictum
Het Hof,
Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep van S. C., in zoverre het ge-richt is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering die V. F. tegen hem heeft ingesteld.
Vernietigt het bestreden vonnis van 7 mei 2012 in zoverre het uitspraak doet over de vergoeding van de "préjudice d'accompagnement" van J. G en de "déficit fonc-tionnel partiel" en "préjudice professionnel permanent" van J. M.
Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.
Veroordeelt de eisers V. F. en S. C. tot de kosten van hun cassatieberoep.
Veroordeelt de eisers J. G. en J. M. tot twee derde van de kosten van hun cassatie-beroep en S. C. tot het overige derde.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank te Namen, zitting houdende in hoger beroep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 31/10/2017 - 17:15
Laatst aangepast op: di, 31/10/2017 - 17:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.