-A +A

Geen verrijking zonder oorzaak bij verlies van cheque

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 25/04/2006
A.R.: 
2004AR2628

Er is sprake van verrijking zonder oorzaak, wanneer er in het vermogen van de ene een verschuiving intreedt ten voordele van het vermogen van een andere, zonder dat daarvoor een juridische oorzaak kan worden aangewezen.

Een dergelijke juridische oorzaak is wel aanwezig en de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak vindt geen toepassing, wanneer de vermogensverschuiving haar oorzaak vindt in een contractuele, een wettelijke of een natuurlijke verbintenis of in de eigen wil van of een contractuele tekortkoming of onrechtmatige daad in hoofde van de verarmde.

De vermogensverschuiving is niet zonder oorzaak, wanneer de ene partij haar verrijking steunt op een juridisch feit dat de vermogenstoename rechtvaardigt, ook wanneer dit een contract is dat met een andere persoon dan de verarmde werd gesloten.

Het verlies van een cheque maakt in hoofde van de bank een contractuele tekortkoming uit bij het uitvoeren van haar incasso-opdracht. Deze wanprestatie is oorzaak van zowel verrijking als de verarming en staat de inwilliging van de eis in de weg.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Noot: 

Noot in RW 2015-2016, 940 Het subsidiaire karakter van de verrijking zonder oorzaak bekeken vanuit procesrechtelijke bril: de contouren verfijnd?


Rechtspraak 

• Cass. 14/12/2012, R.W. 2013-2014, 1577

Uittreksel

10. De rechter is ertoe gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van partijen niet miskent.

Hij heeft de plicht ambtshalve de rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen.

Dit houdt niet in dat de rechter ertoe gehouden is alle in het licht van de vaststaande feiten van het geschil mogelijke, maar niet-aangevoerde rechtsgronden op hun toepasselijkheid te onderzoeken, maar enkel dat hij, met eerbiediging van het recht van verdediging, de toepasselijkheid dient te onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsgronden die zich door de feiten zoals zij in het bijzonder worden aangevoerd, onmiskenbaar aan hem opdringen.

11. Het onderdeel gaat ervan uit dat de appelrechters de plicht hadden de vordering van de eiseres ambtshalve te toetsen aan de aansprakelijkheidsregels inzake niet-conforme levering, maar voert niet aan dat de toepassing van die rechtsgrond geboden was door de feiten die door de eiseres in het bijzonder werden aangevoerd.

• Cass. 06/03/2013, AR P12.1596.F, juridat

samenvatting

Bij zijn uitspraak over de vergoeding van de door het slachtoffer van een ongeval geleden schade, moet de rechter de juridische aard onderzoeken van de door de partijen aangevoerde feiten en stukken; hij kan, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen eraan hebben gegeven, de door hen opgeworpen gronden ambtshalve aanvullen door de werkelijke juridische aard van de feiten vast te stellen en te onderzoeken of de vordering van het slachtoffer, anders omschreven, vergoedbare schade kan opleveren.

tekst arrest

Nr. P.12.1596.F
I. 1. V. F.,
2. J. G.,
3. J. M.

tegen
S. C.,
 

II. S. C.,

tegen
1. V. F.,
2. J. G.,
3. J. M.,

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling

A. Cassatieberoepen van V. F., J. G. en J. M.

1. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen het vonnis van 21 mei 2007
De eisers voeren geen middel aan.

2. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen het vonnis van 7 mei 2012
(...)
Tweede middel
Tweede onderdeel
De eiseres J. G., echtgenote van het verongelukte slachtoffer, verwijt met name de appelrechters dat zij door de vergoeding te weigeren van de "préjudice d'accom-pagnement" (begeleidingsschade), het recht op volledige schadevergoeding mis-kennen, bepaald in artikel 1382 van het Franse Burgerlijk Wetboek.

De rechter moet de juridische aard onderzoeken van de door de partijen aange-voerde feiten en stukken. Hij kan, ongeacht de juridische omschrijving die de par-tijen eraan hebben gegeven, de door hen opgeworpen gronden ambtshalve aanvullen.

Artikel 1382 van het Franse Burgerlijk Wetboek, dat op de feiten van de zaak van toepassing is, legt het recht vast van het slachtoffer op volledige vergoeding van de schade die in oorzakelijk verband staat met de fout die de dader heeft begaan.

De eiseres had een uitkering gevorderd, bij wijze van "préjudice d'accompagne-ment", die hierin bestaat dat zij tijdens haar waarschijnlijk overleven niet langer op het slachtoffer kan rekenen voor het vervullen van taken die normaal op beide echtgenoten rusten.

De appelrechters hebben de vergoeding van die schade afgewezen op grond dat de aldus omschreven eis niet onder de definitie valt die het Franse recht daaraan geeft. Het vonnis verwijst dienaangaande naar een "référentiel indicatif régional" (regionale indicatieve tabel) en naar een Frans juridisch woordenboek. Met aanha-ling van die bronnen stelt het vast dat de "préjudice d'accompagnement" overeen-komt met de morele schade die de nabestaanden van het slachtoffer lijden tijdens de traumatische aandoening tot aan het overlijden. Het besluit daaruit dat, aange-zien het slachtoffer bij het ongeval is overleden, de vordering van die schade niet gegrond is.

De appelrechters hebben zodoende niet de werkelijke juridische aard van de feiten vastgesteld en hebben evenmin onderzocht of die vordering in het Franse recht, als materiële schade, vergoedbaar kon zijn.

In zoverre is het middel gegrond.
(...)

Dictum
Het Hof,
Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep van S. C., in zoverre het ge-richt is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering die V. F. tegen hem heeft ingesteld.
Vernietigt het bestreden vonnis van 7 mei 2012 in zoverre het uitspraak doet over de vergoeding van de "préjudice d'accompagnement" van J. G en de "déficit fonc-tionnel partiel" en "préjudice professionnel permanent" van J. M.
Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.
Veroordeelt de eisers V. F. en S. C. tot de kosten van hun cassatieberoep.
Veroordeelt de eisers J. G. en J. M. tot twee derde van de kosten van hun cassatie-beroep en S. C. tot het overige derde.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank te Namen, zitting houdende in hoger beroep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel.

• Hof van Beroep, Brussel, 2004, AR2628, 25/04/2006,

samenvatting

Er is sprake van verrijking zonder oorzaak wanneer er in het vermogen van de ene een verschuiving intreedt ten voordele van het vermogen van een andere, zonder dat daarvoor een juridische oorzaak kan worden aangewezen.

Een dergelijke juridische oorzaak is wel aanwezig en de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak vindt derhalve geen toepassing wanneer de vermogensverschuiving haar oorsprong vindt in een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis of in de eigen wil van of een contractuele tekortkoming of onrechtmatige daad in hoofde van de verarmde.

De vermogensverschuiving is niet zonder oorzaak wanneer de ene partij haar verrijking steunt op een juridisch feit dat de vermogenstoename rechtvaardigt, ook wanneer dit een contract is dat met een andere persoon dan de verarmde werd gesloten.

De verrijking zonder oorzaak heeft ook een subsidiair karakter. Dit belet dat de vordering die daarop steunt, wordt aangenomen wanneer de partij een andere vordering kan of kon instellen, die zij al dan niet heeft laten teniet gaan.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 02/01/2018 - 13:39
Laatst aangepast op: di, 02/01/2018 - 13:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.