-A +A

Geen vermogensverschuiving zonder oorzaak voor kost en inwoon verschaft aan inwonende partner

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Mechelen
Datum van de uitspraak: 
woe, 18/03/2015

Wie iemand in huis neemt, hetweze een zielsverwant, een geliefde, een zwerver, een famiielid en deze kost en inwoon geeft naast andere voordelen heeft geen recht om hierna betaling hiervoor te vorderen, tenzeij er hiertoe een contract werd opgesteld. De actio de in rem verso, vermogensverschuiving zonder oorzaak kan geen baat vinden

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/15
Pagina: 
1113
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

De vrijwillige uitvoering van de bijdrage voor en onderhoud en inwoning levert wel het bewijs van de erkenning van een natuurlijke verbintenis, doch uitsluitend voor het verleden, met name het tijdstip waarop deze bijdrage geleverd werd.

Deze spontane uitvoering toont echter niet aan dat naar de toekomst toe, de natuurlijke verbintenis zich heeft getransformeerd in een civielrechtelijke, op grond waarvan ook toekomstige bijdragen afdwingbaar worden.

Gezien zich een totaal gewijzigde situatie voordoet, te weten het gegeven dat aan de feitelijke samenwoning een einde is gekomen, kan moeilijk verwezen worden naar het verleden, meer bepaald de periode van de vijf samenwoning.

Opdat een samenwoner zich tot een natuurlijke verbintenis verbonden heeft, vereist zulks dat in zijn hoofd enerzijds de morele verplichting aanwezig is om bij te dragen in de lasten van de samenwoning, terwijl anderzijds de maatschappij deze licht onderkent en aanvaardt.

Het gewetensbesef moet niet enkel bestaan bij diegenen die vrijwillig uitvoert maar het moet ook gaan om een algemeen maatschappelijk aanvaard besef.

Van een dergelijke maatschappelijke consensus, namelijk dat de concubant dient de zorgen voor zijn partner ook na de beëindiging van de concubinaatsrelatie, is geen sprake. Dit blijkt tevens hieruit dat ingeval van wettelijke samenwoning uitdrukkelijk een onderhoudsplicht na de beëindiging ervan uitgesloten werd (artikel 1479 wetboek)

Concreet betekent dit dat er in casu geen sprake kan zijn van een natuurlijke verbintenis van geïntimeerde om na de beëindiging van de feitelijke samenwoning verder bij te dragen in de lasten en kosten verbonden aan de voormalige gezinswoning.

Geïntimeerde heeft gedurende vijf jaren na het concubinaat alle kosten en lasten betreffende de voormalige gezinswoning op zich genomen, hetgeen ver uitstijgt boven hetgeen als een morele verplichting kan worden aanzien. A fortiori kan er geen sprake zijn van een omzetting van een natuurlijke verbintenis in een civielrechtelijke afdwingbare verbintenis.

Blijft te onderzoeken of er een contractuele rechtsgrond voorhanden is voor de onderhoudsaanspraak van appellanten opzichtens geïntimeerde. Het behoort appellanten te bewijzen dat er tussen partijen werd overeengekomen dat bij beëindiging van de concubinaatsverhouding geïntimeerde aan appellante een bijdrage in de kosten verbonden aan de voormalige gezinswoning verschuldigd is. Hiertoe is overeenkomstig artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek een schriftelijk bewijs nodig. Het bewijs door getuigen of door vermoedens is mogelijk wanneer er een begin van bewijs door geschrift bestaat (artikel 1347 Burgerlijk Wetboek)

In casu is een schriftelijk bewijs niet voorhanden. De betalingen door geïntimeerde uitgevoerd in de periode 2008 tot einde 2013 vormen slechts een begin van bewijs. Het aanvullende bewijs door getuigen of vermoedens wordt door appellanten evenwel niet geleverd. Geïntimeerde stelt dat de betalingen slechts uitgevoerd werden in afwachting van een definitieve regeling, waarbij er verrekeningen zouden gebeuren, en louter in het belang van zijn dochter. Hij wilde zeker zijn dat zijn dochter kon opgroeien in de gezinswoning.

De eerste rechter wees er terecht op dat geïntimeerde bij monde van zijn raadsman reeds in 2009 aan appellante verzocht om een minnelijke regeling te treffen, waarop appellanten nooit inging. De rechtbank oordeelt dat appellante in gebreke blijft te bewijzen dat er tussen partijen een overeenkomst bestond dat geïntimeerde na de beëindiging van de feitelijke samenwoning diende bij te dragen in de kosten en lasten verbonden aan de voormalige gezinswoning.

Het hoger beroep van appellante is op dit punt ongegrond
 

Noot: 

Een vermogensverschuiving zonder oorzaak ontstaat wanneer de vermogensverschuiving haar oorsprong vindt in een contractuele, een wettelijke of een natuurlijke verbintenis of in de eigen wil van of een contractuele tekortkoming of een onrechtmatige daad van de verarmde persoon. Er kan geen  vermogensverschuiving zonder oorzaak zijn wanneer de ene partij haar verrijking baseert op een juridisch feit dat de vermogenstoename rechtvaardigt, zelfs wanneer dit een contract is dat met een andere persoon dan de verarmde werd gesloten.

In de voorliggende zaak maakt het verlies van een cheque door een bank een contractuele wanprestatie van deze bank bij het uitvoeren van haar incasso-opdracht, en deze wanprestatie is de oorzaak van zowel de verrijking van degene die de cheque heeft uitgeschreven als de verarming van de bank.


Beëindiging van een feitelijke samenlevingsrelatie kan geen vermogensverschuivng zonder oorzaak veroorzaken. De betalingen tijdens de samenwoonst betreffen de uitvoering van een natuurlijke verbintenis (Hof van Beroep Antwerpen 21/01/2015, RW 2016-2017, 953).

M.V. t/ A.G.

1. Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 14 december 2011 alsmede het verzoekschrift neergelegd op 2 januari 2012, waarmee hoger beroep werd ingesteld.

Voorwerp van de vorderingen

2. Het hoger beroep ingesteld door de heer M.V. (hierna: “de man”) tegen het vonnis van 14 december 2011 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen strekt ertoe, bij hervorming van dit bestreden vonnis, de oorspronkelijke zwarigheden ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg te zeggen voor recht dat in het kader van de gerechtelijke vereffening-verdeling, zoals bevolen bij tussenvonnis van 10 juni 2009, volgende vergoeding dient te worden verrekend: een vergoeding van 58 622,50 euro in zijn voordeel en ten laste van mevrouw A.G. (hierna: “de vrouw”), die een vermogensverschuiving zonder oorzaak vormt van zijn vermogen naar het vermogen van de vrouw; ten slotte partijen opnieuw te verwijzen naar de notaris.

3. De vrouw concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

Feiten en retroacten

4. De man en de vrouw hadden een feitelijke samenlevingsrelatie in de periode 2003-2008. De procedure, c.q. de onderscheiden vorderingen van de man kaderen in de nasleep van deze relatiebreuk.

Op dagvaarding van de man werd de vereffening-verdeling bevolen bij tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 10 juni 2009 (dat geen voorwerp uitmaakt van het hoger beroep) en werd notaris H. aangesteld als notaris-vereffenaar.

Gelet op de zwarigheden van 26 november 2010 tegen de staat van vereffening van 17 mei 2010 en het navolgende advies van de notaris-vereffenaar van 15 april 2011 werd de zaak aanhangig gemaakt bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, ingevolge de neerlegging van voornoemde stukken door de notaris-vereffenaar.

De man vordert in essentie een terugbetaling van de vrouw ten belope van een bedrag van 58 622,50 euro. Dit bedrag betreft o.a. de inpandgeving van een levensverzekering, waarvoor de man een eenmalige premie zou hebben betaald van 26 500 euro, daterend van bij het begin van de relatie (juni 2003) – dit tot zekerheid voor de hypothecaire lening aangegaan door de vrouw – naast een bedrag van 4 400 euro voor de overname van een personenwagen door de vrouw; ten slotte vordert de man nog een bedrag van 27 722,50 euro uit hoofde van een aantal andere zgn. “niet dagdagelijkse” uitgaven, betaald door storting van zijn rekening naar de rekening van de vrouw.

Volgens de man betreft deze vordering uitgaven die de normale lasten van de feitelijke samenwoning overschrijden. Het zou handelen over bedragen bovenop de bedragen die hij betaald heeft (meer dan 50 000 euro volgens de man) in het kader van de samenleving. Samenvattend stelt de man dat het niet de bedoeling kan zijn dat hij, gespreid over de duur van de relatie, maandelijks ongeveer 1 700 euro zou hebben betaald; solidariteit in de feitelijke samenleving kent zijn financiële grenzen, aldus de man. De man voert aan dat het gaat om uitgaven uit hulpvaardigheid, die niet uit vrijgevigheid gebeurd zijn.

Deze vorderingen worden door de vrouw betwist.

In het hier bestreden vonnis werden alle vorderingen van de man afgewezen als ongegrond.

Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

Beoordeling

...

De grond van de zaak

6. In essentie baseert de man zich voor zijn vordering(en) op de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak.

7. Deze rechtsgrond wordt met een zekere argwaan onthaald in rechtspraak en rechtsleer, om welke reden deze dan ook slechts als ultiem (red)middel kan worden ingeroepen.

8. Zodra er een geldige oorzaak voorhanden is voor de verarming en bijgevolg een economische of zelfs loutere morele rechtvaardiging bestaat voor de vermogensverschuiving, moet de aanspraak van de aanleggende partij worden afgewezen.

De oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn of zelfs de eigen wil van de verarmde. In dat verband dient nog beklemtoond te worden dat wanneer de verarmde speculeerde om een aleatoir resultaat te bereiken – dat uiteindelijk dan niet werd bereikt of gerealiseerd – of handelde uit eigen belang (waardoor een derde eventueel onrechtstreeks bevoordeeld werd) de vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is (zie o.a. ook: H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, III, p. 54, nr. 40).

9. Men kan zich zelfs afvragen of de herstelvordering (actio de in rem verso) kan worden ingesteld in de rechtsverhouding tussen (gewezen) feitelijke samenlevers.

Het subsidiariteitsvereiste houdt in essentie immers in dat men op deze vordering geen beroep kan doen om de gevolgen van zijn eigen vergetelheid of nalatigheid te herstellen. Het criterium is niet of de verarmde over een alternatief en effectief middel beschikt, maar of hij hierover kon beschikken. Indien men ervoor kiest om, ter gelegenheid van het samenleven of minstens, ter gelegenheid van bepaalde vermogenstransfers, geen regeling te treffen op het vlak van terugbetaling van bepaalde investeringen of geldtransacties, kan men bezwaarlijk van de rechter verwachten om aan dit gegeven dat ofwel wijst op een bewuste keuze (de wetgever heeft immers voorzien in vermogensrechtelijke regeling voor gehuwden en in de mogelijkheid daartoe voor wettelijk samenwonenden) ofwel op een nalatigheid, nadien te remediëren. In de regel behartigt iedereen trouwens zijn eigen belangen.

In dat verband past een restrictieve interpretatie. Van (te) veel vermogensverschuivingen kan achteraf immers beweerd worden dat ze “onrechtvaardig” zijn. Best wordt vermeden dat dit leerstuk een eenvoudig middel wordt om kost wat kost de billijkheid en rechtvaardigheid te laten overheersen, zeker wanneer dit conflicteert met de (vermoede) wil van partijen of met door de wetgever genomen beleidskeuzes.

10. Naar het oordeel van het hof kan de rechtsgrond van de verrijking zonder oorzaak, zelfs los van de beschouwingen in vorig randnummer, geen soelaas bieden, aangezien de man handelde uit vrije wil, c.q. de bijdragen, waarvan de concrete en precieze bestemming trouwens ook ter betwisting staat (althans voor wat betreft de vorderingen ten bedrage van 4 400 euro – voor de beweerde financiering van de overname van een personenwagen door de vrouw – en ten bedrage van 27 722,50 euro, waarvan zelfs geen precieze finaliteit kan worden aangeduid door de man), in het kader van het samenleven heeft uitgevoerd.

10a. Specifiek voor wat de betaling van de premie voor de levensverzekering betreft, dient nog overwogen te worden dat:

– door de man geen exemplaar bijgebracht wordt van de bewuste levensverzekering, evenmin als van het contract van inpandgeving;

– niet is betwist dat de woning – waarvoor de vrouw een hypothecaire lening heeft aangegaan en ter gelegenheid waarvan de man een eenmalige premie betaalde voor een levensverzekering (zgn. tak 23-product) die als zekerheid zou dienen voor dit krediet – de bestemming gezinswoning had (gegeven het feit dat partijen aldaar ook effectief samengewoond hebben in de periode 2003-2008);

– de man kennelijk nooit enige specifieke vergoeding heeft betaald aan de vrouw voor zijn woongenot en kennelijk evenmin bijgedragen heeft in de betaling van de hypothecaire leningslasten;

– de betaling van een eenmalige premie (grondslag voor de verarming van de man) wel degelijk een oorzaak had, namelijk een contractuele verbintenis onderschreven door de man, aangezien uit de stukken blijkt dat de man zich bij notariële akte van 3 september 2003 verbonden had ten opzichte van de NV A.;

– er geen sprake is van een verrijking van de vrouw, aangezien de bedoelde geldtransfer niet aan de vrouw is ten goede gekomen, maar wel aan de verzekeraar, in de vorm van de eenmalige premiebetaling (zie betaling ten bedrage van 26.500 euro aan NV A. op 11 juni 2003);

– de inpandgeving uit haar aard slechts een zekerheidstelling betreft (tot waarborg van een hoofdschuld), waarbij in deze zaak ook niet aangetoond is dat er sprake is van effectieve aanspraken op de gestelde zekerheid door de bank (c.q. daadwerkelijke pandverzilvering), zodat de vraag rijst of de man (mede-)begunstigde van deze levensverzekering is.

10b. Voor wat de andere uitgaven betreft, moet worden opgemerkt dat:

– bij geen van de onderscheiden periodieke (en over verschillende jaren gespreide) stortingen door de man blijkbaar enig voorbehoud werd geformuleerd, in het vooruitzicht van een terugbetaling of verrekening;

– de eventuele ongelijkheid (die in deze zaak zelfs niet aangetoond is door de man) in de respectieve bijdragen in de lasten van de huishouding gevormd door de feitelijke samenwoning er niet noodzakelijk op wijst dat de bijdrageplicht van de financierende partner werd overschreden.

10c. Niet ten onrechte verwijst de vrouw naar de rechtsfiguur van de natuurlijke verbintenis. Naar het oordeel van het hof staat immers ook bij feitelijke samenlevers de solidariteitsgedachte centraal. Het stichten van een gezin, ook al opteert men bewust voor een niet-wettelijke regeling of organisatie van de gezinskern, genereert minstens en alleszins de morele plicht om bij te dragen in de behoeften van het dagelijks leven die voortvloeien uit de feitelijke samenleving. Vandaar dat de uitgaven die vrijwillig zijn gedaan tijdens het feitelijke samenleven ten behoeve van het samenwonen gelden als de uitvoering van een natuurlijke verbintenis, zodat latere vergoedingsaanspraken uitgesloten zijn. De vrijwillige nakoming van een natuurlijke verbintenis kan immers op grond van art. 1235, tweede lid BW geen aanleiding geven tot teruggave.

Door retroactief een deel van de uitgevoerde engagementen uit het veronderstelde geheel van gemaakte afspraken binnen het koppel te lichten, dreigt bovendien ook de consensus die tussen de samenlevers bestond ten tijde van het samenwonen nadien te worden aangetast.

11. De man, die ook niet zonder belang handelde (gelet op het feit dat hij jarenlang een bestendig partnerschap had met de vrouw en met haar trouwens ook samenwoonde), diende bijgevolg het risico in te calculeren dat met een louter feitelijk buitenhuwelijks samenleven gepaard gaat. Indien hij dit risico niet wilde nemen diende hij zich ofwel te onthouden deze betalingen uit te voeren, ofwel duidelijke afspraken tot bewijs ervan vast te leggen in een akte, wat hij evenwel niet gedaan heeft.

12. Het hoger beroep is ongegrond in alle onderdelen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 11/01/2016 - 15:38
Laatst aangepast op: vr, 10/03/2017 - 15:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.