-A +A

Geen verkoop onroerend goed middels e-mail of SMS

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 24/06/2013
A.R.: 
2011/AR/709

Een verkoopovereenkomst nopens een onroerend goed is een contract dat rechten overdraagt ten aanzien van een onroerend goed. Bij toepassing van de de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij kan de totstandkoming van een dergelijke overeenkomst (en bijgevolg ook de aanvaarding van het aanbod als onderdeel daarvan) niet geschieden en al evenmin worden bewezen door middel van elektronische documenten zoals e-mails. E-mails gelden in dat verband immers niet als geschriften.

Een e-mailbericht kan principieel niet bestempeld worden als een buitengerechtelijke bekentenis houdende het bewijs van een verkoopovereenkomst, zeker niet wanneer het opgesteld werd nadat de beweerde rechtshandeling is tot stand gekomen en dus zonder doel het bestaan daarvan te bevestigen, terwijl hoe dan ook niet alleen het bewijs, maar ook en zelfs de totstandkoming van contracten houdende overdracht van onroerende goederen langs elektronische weg uitgesloten is.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/10
Pagina: 
811
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(M.I., A.H. / C.V.G. - Rolnr.: 2011/AR/709)

1. De feiten
De feitelijke gegevens die aan het geschil ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt:

op 24 december 2009 ondertekent de geïntimeerde, na bemiddeling door de BVBA W. (makelaar gelast door de appellanten, geen partij inzake) een “aankoopbelofte” waarbij zij zich ertoe verbindt tegen betaling van de prijs van 170.000 EUR over te gaan tot de aankoop van de woning, gelegen te (…), eigendom van de appellanten;
de appellanten formuleren daarop een tegenbod voor de prijs van 176.000 EUR;
bij e-mail van 24 december 2009 meldt de geïntimeerde aan de BVBA W. dat zij akkoord gaat met dat tegenbod;
bij e-mail van 26 december 2009 antwoordt de BVBA W. dat de appellanten het bod van 176.000 EUR hebben aanvaard en dat de verkoopovereenkomst zal worden opgestuurd;
op vraag van de geïntimeerde maakt de BVBA W. vervolgens het ontwerp van verkoopovereenkomst ter nazicht over aan notaris Tuerlinckx te (…);
bij aangetekende brief van 26 januari 2010 meldt de raadsman van de geïntimeerde aan de appellanten en aan hun notaris dat er geen verkoopovereenkomst is tot stand gekomen en, ondergeschikt, dat het pand in kwestie behept is met verborgen gebreken, te weten het feit dat de elektrische installatie niet conform is aan de geldende reglementering; daarbij worden de appellanten in gebreke gesteld om hetzij te bevestigen dat er geen verkoopovereenkomst is, hetzij te bevestigen dat zij bereid zijn om over te gaan tot minnelijke ontbinding van de verkoopovereenkomst;
bij brief van 22 februari 2010 meldt de raadsman van de appellanten aan de raadsman van de geïntimeerde dat zij de aanmaning van de geïntimeerde betwisten en dat de geïntimeerde in gebreke wordt gesteld over te gaan tot betaling van de contractueel bepaalde schadevergoeding van 15% of 26.400 EUR;
de appellanten verkopen de woning uiteindelijk aan een derde tegen de prijs van 156.000 EUR.
2. De voorafgaande rechtspleging
2.1. Bij het bestreden vonnis op 22 november 2010 op tegenspraak verleend door de 6de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen:

worden de hoofdvordering van de appellanten en de tegenvordering van de geïntimeerde ontvankelijk verklaard;
wordt de hoofdvordering van de appellanten ongegrond verklaard;
wordt de tegenvordering van de geïntimeerde als volgt gegrond verklaard;
wordt voor recht gezegd dat de hierboven bedoelde verkoopovereenkomst ontbonden is ten laste van de appellanten;
worden de appellanten veroordeeld tot betaling aan de geïntimeerde van het provisionele bedrag van 1 EUR;
en worden de appellanten veroordeeld tot de gedingkosten.
2.2. Bij hun op 7 maart 2011 ter griffie neergelegd “verzoekschrift tot hoger beroep” tekenen de appellanten hoger beroep aan tegen het hierboven bedoelde vonnis van 22 november 2010.

2.3. De zaak werd vastgesteld bij toepassing van artikel 747, § 2, derde lid Ger.W. en behandeld op de terechtzitting van 13 mei 2013.

3. De standpunten in hoger beroep
3.1. Naar luid van hun op 25 maart 2013 ter griffie neergelegde “synthesebesluiten” vragen de appellanten:

hun hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
het bestreden vonnis te hervormen;
opnieuw te oordelen;
hun oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg te zeggen voor recht dat de verkoopovereenkomst waarvan sprake ontbonden is ten laste van de geïntimeerde, alsook de geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van 26.388,80 EUR en tot de kosten van de beide aanleggen;
en de tegenvordering van de geïntimeerde ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren.
3.2. Bij haar op 9 april 2013 ter griffie neergelegde “syntheseberoepsconclusie” vraagt de geïntimeerde:

het hoger beroep van de appellanten ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren;
het bestreden vonnis te bevestigen;
en de appellanten te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen.
1. Beoordeling
4.1. Toelaatbaarheid van het hoger beroep
Het hof heeft kennisgenomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 22 november 2010, waarvan de akte van betekening van 11 februari 2011 wordt voorgelegd, en stelt vast dat door de appellanten tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op ontvankelijke wijze hoger beroep werd aangetekend.

4.2. Grond van de betwisting
4.2.1. De betwisting tussen de partijen betreft in eerste orde de vraag of tussen hen al dan niet een verkoopovereenkomst tot stand gekomen is. De appellanten menen van wel, terwijl de geïntimeerde het tegendeel staande houdt.

4.2.2. Bij artikel 1315, eerste lid BW wordt voorgeschreven:

“Hij die de uitvoering van een verbintenis vord3ert, moet het bestaan daarvan bewijzen”.

Aan de appellanten behoort het bijgevolg het bestaan te bewijzen van de verkoopovereenkomst waarvan zij tegenover de geïntimeerde de ontbinding vorderen.

4.2.3. Aangezien de beweerde verkoopovereenkomst in hoofde van de geïntimeerde een burgerlijk karakter heeft, moeten de appellanten aan die bewijslast voldoen volgens het bewijsstelsel dat geldt in burgerlijke zaken en dat meer bepaald is weergegeven in de artikelen 1316 e.v. BW.

4.2.4. Ter staving van het bestaan van de beweerde verkoopovereenkomst verwijzen de appellanten in eerste orde naar de door hen medeondertekende “aankoopbelofte”. Die onderhandse akte impliceert hoe dan ook geen afdoende bewijs van de beweerde verkoopovereenkomst. Het document vermeldt immers twee verschillende verkoopprijzen: een eerste bedrag van 170.000 EUR (aanbod van de geïntimeerde) en een tweede bedrag van 176.000 EUR (latere tegenbod van de appellanten). De aanvaarding van dat tegenbod van de appellanten door de geïntimeerde wordt door die onderhandse akte niet aangetoond. In dat laatste verband geldt de “aankoopbelofte” ook niet als begin van bewijs door geschrift: het beweerde feit (de aanvaarding van het tegenbod) wordt erdoor niet waarschijnlijk gemaakt.

4.2.5. Tot bewijs van de aanvaarding door de geïntimeerde van hun tegenbod (verkoopprijs van 176.000 EUR) verwijzen de appellanten vervolgens naar het e-mailbericht van 24 december 2009 waarbij de geïntimeerde aan de BVBA W. laat weten:

“… bij deze mijn akkoord voor de vp van 176.000 …”.

Bij artikel 16 van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij wordt voorgeschreven:

Ҥ 1. Aan elke wettelijke of reglementaire vormvereiste voor de totstandkoming van contracten langs elektronische weg is voldaan wanneer de functionele kwaliteiten van deze vereiste zijn gevrijwaard.

§ 2. Voor de toepassing van § 1, moet in overweging worden genomen dat:

aan de vereiste van een geschrift is voldaan door een opeenvolging van verstaanbare tekens die toegankelijk zijn voor een latere raadpleging, welke ook de drager en de transmissiemodaliteiten ervan zijn;
aan de uitdrukkelijke of stilzwijgende vereiste van een handtekening is voldaan wanneer deze laatste beantwoordt aan de voorwaarden van ofwel artikel 1322, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, ofwel van artikel 4, § 4, van de wet van 9 juli 2001 tot vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridische kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten;
aan de vereiste van een geschreven vermelding van degene die zich verbindt, kan worden voldaan door om het even welk procedé dat waarborgt dat de vermelding effectief uitgaat van deze laatste.
…”.

Artikel 17 van dezelfde wet voegt eraan toe:

“Artikel 16 is niet van toepassing op de contracten die tot één van de volgende categorieën behoren:

1° contracten die rechten doen ontstaan of overdragen ten aanzien van onroerende zaken, met uitzondering van huurrechten;

…”.

De beweerde verkoopovereenkomst is een contract dat rechten overdraagt ten aanzien van een onroerend goed. Bij toepassing van de hierboven geciteerde wetsbepalingen kan de totstandkoming van een dergelijke overeenkomst (en bijgevolg ook de aanvaarding van het aanbod als onderdeel daarvan) niet geschieden en al evenmin worden bewezen door middel van elektronische documenten zoals e-mails. E-mails gelden in dat verband immers niet als geschriften.

Onterecht menen de appellanten het e-mailbericht van 24 december 2009 van de geïntimeerde aan de BVBA W. te kunnen bestempelen als een buitengerechtelijke bekentenis houdende het bewijs van de beweerde verkoopovereenkomst. Dat e-mailbericht is immers niet opgesteld nadat de beweerde rechtshandeling is tot stand gekomen en met als doel het bestaan daarvan te bevestigen, terwijl hoe dan ook niet alleen het bewijs, maar ook en zelfs de totstandkoming van contracten houdende overdracht van onroerende goederen langs elektronische weg uitgesloten is.

Het e-mailbericht van 24 december 2009 van de geïntimeerde aan de BVBA W. kan de appellanten derhalve geen soelaas brengen.

4.2.6. Ook de andere elementen die de appellanten inroepen (e-mail van 26 december 2009 van de geïntimeerde aan de BVBA W., de contacten met notaris Tuerlinckx en de door de geïntimeerde op 24 december 2009 voor een bedrag van 120.000 EUR bij BNP Paribas aangegane lening) impliceren geen afdoende bewijs van de beweerde verkoopovereenkomst. Dat geldt alleen maar des te meer omdat in de “aankoopbelofte” uitdrukkelijk wordt bedongen:

“De verkoop wordt als definitief beschouwd zodra de eigenaar deze aankoopbelofte voor akkoord ondertekent of schriftelijk aanvaardt”,

en dat laatste nooit is gebeurd (behalve dan na wijziging van de aangeboden prijs - zie hierboven), laat staan binnen de geldigheidsduur van het aanbod tot 30 december 2009.

4.2.7. Bij gebrek aan bewijs van de beweerde verkoopovereenkomst, kan die overeenkomst geen grondslag vormen voor enige vordering in rechte. Zowel de hoofdvordering van de appellanten, als de tegenvordering van de geïntimeerde (die trouwens maar wordt ingesteld “in de hypothese dat er een verkoop zou tot stand gekomen zijn tussen partijen”) wordt bijgevolg als ongegrond afgewezen. Het bestreden vonnis wordt in die zin hervormd.

4.2.8. Aangezien de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk worden gesteld, worden de kosten omgeslagen als volgt. De appellanten moeten de kosten van dagvaarding en het rolrecht in hoger beroep zelf dragen. De rechtsplegingsvergoedingen in beide aanleggen worden gecompenseerd.

5. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt;
hervormt het bestreden vonnis als volgt;
oordeelt opnieuw;
verklaart de tegenvordering van de geïntimeerde ontvankelijk, maar ongegrond;
bevestigt het bestreden vonnis voor het overige, uitgezonderd de uitspraak over de in eerste aanleg gevallen gedingkosten;
zegt voor recht dat de appellanten de kosten van dagvaarding en het rolrecht in hoger beroep zelf moeten dragen;
en compenseert de rechtsplegingsvergoedingen in beide aanleggen.

 

Noot: 

Shana Meys, 'Sms kan begin van bewijs door geschrift uitmaken'  in RW 2014-15, 262-266 en NJW 2014, 322

I. Samoy en S. Houtmeyers, “Over de verkoop van een onroerend goed via e-mail of sms: bewijs en precontractuele aansprakelijkheid”, T.Not. 2014/6, 327-344.

Edoch

Het Hof van Beroep te Antwerpen 29/04/2013 oordeelde dat een SMS een begin van bewijs kon uitmaken.

Rechtsleer:

• Joke BAECK en Ignace CLAEYS , Verkoop van een onroerend goed per e-mail? – De ene vormvereiste is de andere niet, RW 2017-2018, 763

Samenvatting

Volgens recente rechtspraak van het Antwerpse Hof van Beroep zouden e-mails niet volstaan opdat een verkoop van een onroerend goed tot stand zou komen of kan worden bewezen. De verkoop van een onroerend goed zou een «veeleer» plechtig karakter hebben gekregen doordat zowel het Bodemdecreet als de VCRO op straffe van nietigheid vormvoorschriften (onderhandse akte met bepaalde vermeldingen) opleggen.
Deze rechtspraak wordt in deze bijdrage onderzocht vanuit het bredere kader van formaliteiten die bij het sluiten van een overeenkomst moeten worden nageleefd. De auteurs maken een onderscheid tussen formaliteiten die vereist zijn voor de totstandkoming van de overeenkomst (totstandkomingsformaliteiten) en die welke vereist zijn voor de geldigheid van de overeenkomst (geldigheidsformaliteiten).
Aangezien de formaliteiten van het Bodemdecreet en de VCRO als geldigheidsvereisten zijn te kwalificeren, kan de verkoop van een onroerend goed in de lijn van de traditie nog steeds als een consensueel contract worden beschouwd. De verkoop van een onroerend goed kan dus wel nog per e-mail tot stand komen en ook per e-mail worden bewezen. Alleen kan de koper (maar niet de verkoper) de nietigheid van de verkoop inroepen indien de formaliteiten van het Bodemdecreet of de VCRO niet zijn vervuld.
Een e-mailbericht kan als bewijsmiddel onder bepaalde voorwaarden met een onderhandse akte worden gelijkgesteld. Dit veronderstelt dan wel dat de e-mail voorzien is van een elektronische handtekening in de juridische betekenis (zie de artt. 1322 BW en 25.2 eIDAS-Verordening.
Heeft de koopovereenkomst in de persoon van de wederpartij een handelsrechtelijk karakter, dan is de bewijsregeling soepeler en kan de rechter ook andere bewijsmiddelen toestaan (art. 25, eerste lid W.Kh.), met dien verstande dat ook in dat geval de akte als bewijsmiddel de facto een belangrijke plaats inneemt.
Hoewel de verkoop van een onroerend goed in de huidige rechtsleer in de lijn van de traditie meestal nog als een consensuele overeenkomst wordt gepresenteerd, is er recentelijk twijfel gerezen of dit type van overeenkomst niet veeleer een plechtig of formeel contract is geworden. Die twijfel is ontstaan doordat de Vlaamse decreetgever diverse
Aan die formaliteit van een onderhandse akte is niet voldaan wanneer tussen partijen enkel e-mails werden uitgewisseld, zo oordeelde de eerste kamer van het Antwerpse Hof van Beroep al in diverse arresten.
Inhoudstafel
I. De bredere context van formaliteiten
A. Een wereld vol uiteenlopende formaliteiten met diverse doelstellingen en sancties
B. Formaliteiten bij elektronische contracten
C. Formaliteiten bij de verkoop van een onroerend goed
II. Een nadere analyse van de recente rechtspraak
A. De eerste kamer van het Antwerpse Hof van Beroep
B. De vijfde kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen
C. Het Gentse Hof van Beroep
III. Ad solemnitatem? Ad validitatem! Bestaansformaliteiten versus geldigheidsformaliteiten
A. Totstandkoming van de verkoop van een onroerend goed via e-mail?
B. Bewijs van de verkoop van een onroerend goed via e-mail?
IV. Besluit
Bronverwijzingen
• B. Tilleman, Totstandkoming en kwalificatie van de koop in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Antwerpen, Kluwer, 2001, nr. 12
• W. Van Gerven en A. Van Oevelen, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2015, 60
• P. Wéry, Droit des obligations, I, Théorie générale du contrat, Brussel, Larcier, 2010, 120.
• A. Clabots, «Commentaar bij art. 25 W.Kh.» in Commentaar Handels- en economisch recht, Mechelen, Kluwer, 2008, nrs. 7-8.
• W. Vandenbussche, «Bewijs van de verkoop van een onroerend goed: jurisprudentiële ontwikkelingen», TBO 2017, (236), p. 237, nr. 4.
• Verordening (EU) 910/2014 van 23 juli 2014 «betreffende identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG», Pb.L. 28 augustus 2014, afl. 257, 73 (in deze bijdrage «eIDAS-Verordening» genoemd).
• E. Terryn en J. Goddaer, «Boek XII. Recht van de elektronische economie» in B. Keirsbilck en E. Terryn, Het Wetboek van economisch recht: van nu en straks?, Antwerpen, Intersentia, 2014, 326, voetnoot 124
• G. Somers en B. Fiten, «Veel heisa om niets», Juristenkrant 2017, afl. 346, 12-13
• R. De Koninck, «Verkoop via e-mail niet mogelijk», http://cibweb.be/nieuws/verkoop-e-mail-niet-mogelijk.
• J. Callebaut, «Verkoop woning via e-mail. Het Antwerpse e-mailarrest van 19 december 2016», NJW 2017, 210-215.
• H. Jacquemin, Le formalisme contractuel. Mécanisme de protection de la partie faible, Brussel, Larcier, 2010, p. 435, nr. 321.
• M.-A. Guerriero, L’acte juridique solennel, Parijs, LGDJ, 1975, 45)
• oprichting van vennootschappen (art. 66 W.Venn.).
• J. De Coninck, «Classificatie van contracten» in E. Dirix en A. Van Oevelen (eds.), Comm. Bijz. Ov., Mechelen, Kluwer, 2010, nr. 6
• M. Fabre-Magnan, Droit des obligations, I, Contrat et engagement unilatéral, Parijs, PUF, 2008, nr. 92.
• P. Malaurie, L. Aynès en P. Stoffel-Munck, Droit des obligations, Parijs, LGDJ, 2016, nr. 536.
• J. Callebaut, «Totstandkoming van de verkoop van onroerend goed: recente ontwikkelingen», TBO 2017, (223), p. 232, nr. 33
• B. Cattoir, Burgerlijk bewijsrecht in APR, Mechelen, Kluwer, 2013, nr. 458
• E. Terryn en J. Goddaer, «Boek XII. Recht van de elektronische economie» in B. Keirsbilck en E. Terryn, Het Wetboek van economisch recht: van nu en straks?, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 324, nr. 44
• Storme De invoering van de elektronische handtekening in ons bewijsrecht – Een inkadering van en commentaar bij de nieuwe wetsbepalingen», RW 2000-01, (1505), p. 1514
• D. Mougenot, La preuve, Brussel, Larcier, 2002, 190-191
• P. Van Eecke, De handtekening in het recht. Van pennentrek tot elektronische handtekening, Brussel, Larcier, 2004, p. 491-492, nr. 607
• P. Van Eecke, «Juridische aspecten van de elektronische handtekening» in CBR (ed.), CBR Jaarboek 2010-2011, Antwerpen, Intersentia, p. 132, nr. 19 (p. 141, nr. 28: (zij het, in navolging van M.E. Storme, met een breder toepassingsgebied voor het voormalige art. 4, § 4 Wet Elektronische Handtekeningen)
• E. Jacobs, «Authenticatie en elektronische handtekening in elektronisch bankieren» in Juridische aspecten van de elektronische betaling, I, Mechelen, Kluwer, 2004, 194-195.
• J. Del Corral, «Nietigheid als sanctie wegens miskenning van de informatieplicht van art. 101 Bodemdecreet: te pas en te onpas» (noot onder Cass. 24 juni 2010), RW 2010-11, (1521), p. 1523, nr. 7.
• J. Callebaut, «Een subjectief plechtige verkoop is nietig als de stedenbouwkundige informatie ontbreekt» (noot onder Antwerpen 14 oktober 2013), TBBR 2014, p. 500-501, nr. 24
• L. Voet en A. Keirse, «Hoe de koop van een woning te reguleren
• zeker weten?!», TPR 2011, p. 211-213, nrs. 49-51 (facultatieve nietigheid). 
• F. Haentjens, «Informatieverplichtingen in het Bodemdecreet 2006 en de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: duiding bij enkele recente arresten van het Hof van Cassatie», RW 2012-13, 202-210.
• Cass. 3 november 2011, RW 2012-13, 220, noot F. Haentjens
• S. Verbist, R. Jansen en C. Bimbenet, «Enkele administratiefrechtelijke aandachtspunten bij de overdracht van onroerende goederen: stedenbouw en bodem» in G. Verschelden (ed.), Rechtskroniek voor het Notariaat, Brugge, die Keure, 2017, p. 20, nr. 41.
• G. Somers en B. Fiten, «Geen e-mail om huis te (ver)kopen? Veel heisa om niets», Juristenkrant 2017, afl. 346, (12) 12.
• Antwerpen (1e k.) 24 januari 2011, AR 2009/AR/461, onuitg.
• Antwerpen (1e k.) 24 juni 2013, T.Not. 2014, 345.
• Antwerpen (1e k.) 15 juni 2015, AR 2013/AR/776, onuitg.
• Antwerpen (1e k.) 5 september 2016, TBO 2017, 257.
• Antwerpen (1e k.) 19 december 2016, AR 2014/AR/1280, verder in dit nummer gepubliceerd.
• H. Graux, «De eIDAS-Verordening en de bevoegde Belgische wetgeving: nieuwe marsorders voor elektronische handtekeningen en andere vertrouwensdiensten», Cah.Jur. 2016, (53) 60.
• Antwerpen (5e k.) 23 maart 2017, AR 2016/AR/1385, verder in dit nummer gepubliceerd.
• Gent 26 september 2013, RW 2014-15, 258, noot S. Meys. 
• Rb. Gent 10 april 2012, T.App. 2012, 26.
• E. Terryn, «Wet elektronische handel zou geen argument mogen zijn om een e-mail volledig te verwerpen als bewijs bij een verkoop van onroerende goederen» (noot onder Antwerpen 19 december 2016), DCCR 2017, (83) 85. 
• I. Samoy en A.-S. Houtmeyers, «Over de verkoop van een onroerend goed via e-mail of sms: bewijs en precontractuele aansprakelijkheid», T.Not. 2014, (327), p. 335, nr. 6
• E. Terryn en J. Goddaer, «Boek XII. Recht van de elektronische economie» in B. Keirsbilck en E. Terryn (ed.), Het Wetboek van economisch recht: van nu en straks?, Antwerpen, Intersentia, 
• R. Dekkers, Handboek burgerlijk recht, II, Brussel, Bruylant, 1971, nr. 15
• H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, II, Brussel, Bruylant, 1964, nr. 454A
• A. Kluyskens, Beginselen van burgerlijk recht, I, De verbintenissen, Antwerpen, Standaard, 1948, nr. 25
• R. Vandeputte, De overeenkomst. Haar ontstaan, haar uitvoering en verdwijning, haar bewijs, Brussel, Larcier, 1977, 15 en voetnoot 8 op p. 15 (minstens impliciet)
• P. Van Ommeslaghe, Droit des obligations, I, Sources des obligations (première partie), Brussel, Bruylant, 2010, nr. 67
• H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, I, Brussel, Bruylant, 1962, nr. 28
• S. Stijns, Verbintenissenrecht, Brugge, die Keure, 2005, p. 23, nr. 28
• J. Callebaut, «Actualia inzake de totstandkoming van de verkoop van onroerend goed» in R. Barbaix en N. Carette (eds.), Tendensen Vermogensrecht 2016, Antwerpen, Intersentia, 2016, p. 108, nr. 3 
• J. Callebaut noot onder Antwerpen 14 oktober 2013), TBBR 2014, (497), p. 497, nr. 4
• R. Japiot, Des nullités en matière d’actes juridiques. Essai d’une théorie nouvelle, Paris, Librairie nouvelle de droit et de jurisprudence, 1909, 964 p.). 
• W. Van Gerven, Algemeen deel in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Brussel, Story-Scientia, 1987, nrs. 127-128.
• H. Willekens en T. Wuyts, «Commentaar bij art. 191 BW» (ed.) in Comm. Pers., Mechelen, Kluwer, 2004, 10.
• R. Jansen, «Subrogatie» in E. Dirix en A. Van Oevelen (ed.), Bijzondere overeenkomsten. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Kluwer, 2010, nr. 81 
• R. Barbaix, Het contractuele statuut van de schenking, Antwerpen, Intersentia, 2008, nrs. 319 e.v.
• R. Barbaix, «Tijdelijke actualiseringsfiche art. 931 BW» in Comm.Erfr., Mechelen, Kluwer, 2016, 0.2.
• D. Petosa, «De Antwerpse «e-mailgate». Koop van een onroerend goed langs elektronische weg» (noot onder Antwerpen 19 december 2016), Not. Fisc. M. 2017, (129), p. 130, nr. 6
• D. Ryckbost, «De weerslag van het Vlaamse bodemsaneringsdecreet op het contractenrecht» in Overeenkomstenrecht, Antwerpen, Kluwer, 2000, 64
• B. Samyn, Privaatrechtelijk bewijs, Gent, Story, 2012, nr. 361), mag hetzelfde worden aangenomen voor uitgewisselde e-mails (anders: W. Vandenbussche, o.c., TBO 2017, p. 240, nr. 10).
• P. Van Eecke, De handtekening in het recht. Van pennentrek tot elektronische handtekening, Brussel, Larcier, 2004, p. 461, nr. 575. Specifiek m.b.t. verkoop van onroerend goed, zie: J. Callebaut, o.c., in R. Barbaix en N. Carette (eds.), Tendensen Vermogensrecht 2016, p. 147, nr. 60.
• Antwerpen (1e k.) 19 december 2016, 2014/AR/1280, verder in dit nummer gepubliceerd.
• Antwerpen (1e k.) 5 september 2016, TBO 2017, 257.
• Antwerpen (1e k.) 24 juni 2013, T.Not. 2014, 345
• Antwerpen (1e k.) 19 december 2016, 2014/AR/1280, verder in dit nummer gepubliceerd
• Antwerpen (5e k.) 23 maart 2017, AR 2016/AR/1385, verder in dit nummer gepubliceerd.
 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 23/07/2017 - 11:14
Laatst aangepast op: vr, 05/01/2018 - 18:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.