-A +A

Geen rechtsplegingsvergoeding voor een partij die geen vordering stelt

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 29/05/2015
A.R.: 
C.13.0390.N

De in het ongelijk gestelde partij dient een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de in het gelijk gestelde partij indien tussen deze partijen een daadwerkelijke procesverhouding bestaat. Dit veronderstelt dat de ene partij een vordering in rechte instelt strekkende tot de veroordeling van de andere partij of tot het nemen van een rechterlijke beslissing tegen die partij.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
Uitgever: 
Intersentia
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.13.0390.N
1. IMMOVA INTERNATIONAL nv, met zetel te 9031 Drongen, Klaverdries 28,
2. A. C.,
eisers,

tegen
1. VDA CONSULTING nv, met zetel te 2900 Schoten, Reigersdreef 4, die woonplaats heeft gekozen bij gerechtsdeurwaarder Anne Marie Geltmeyer, met kantoor te 9000 Gent, Tijgerstraat 17/301-302,
verweerster,
2. P. H.,
verweerder,
3. A. V. M.,
verweerder.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 20 maart 2013.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Artikel 1134, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, degenen die deze hebben aangegaan, tot wet strekken.
Krachtens artikel 1134, tweede lid, Burgerlijk Wetboek kunnen deze overeen-komsten niet herroepen worden dan met de wederzijdse toestemming van de par-tijen of op de gronden door de wet erkend.

2. Artikel 1780 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat men zijn diensten slechts voor een tijd of voor een bepaalde onderneming kan verbinden.
Artikel 1794 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de opdrachtgever de aanneming te-gen vaste prijs door zijn enkele wil kan verbreken, ook al is het werk reeds be-gonnen, mits hij de aannemer schadeloos stelt voor al zijn uitgaven, al zijn arbeid, en alles wat hij bij die aanneming had kunnen winnen.

Deze bepaling is uitsluitend van toepassing op de aanneming van een werk dat door zijn voorwerp of door een uitdrukkelijke tijdsduur bepaald is.

3. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel dat overeenkomsten van onbepaalde duur op elk ogenblik door elk van de partijen kunnen worden beëindigd, kan de opdrachtgever de aanneming die gesloten is voor een onbepaalde tijdsduur door zijn enkele wil verbreken, zonder schadeloosstelling van de aannemer voor al zijn uitgaven, al zijn arbeid en zijn gederfde winst, behoudens bij andersluidend con-tractueel beding of bij een onrechtmatige beëindiging.

4. Met de overweging dat in de gewijzigde overeenkomst "aan [de eiseres] het recht werd verleend om de verkoop van de appartementen nog verder te commer-cialiseren op niet exclusieve wijze en dit zonder bepaalde duur" geven de appel-rechters te kennen dat het niet mogelijk is om de tijdsduur van de gewijzigde overeenkomst, die aan het recht op verdere commercialisering moet worden ver-bonden, te bepalen aan de hand van het voorwerp van de overeenkomst.

Door op deze grond te oordelen dat de gewijzigde overeenkomst van onbepaalde duur is en door elk van de partijen eenzijdig beëindigd kan worden, zonder dat aan de eiseres schadevergoeding moet worden toegekend voor haar gederfde winst, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

5. Artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk ge-stelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.
Ingevolge artikel 1018, 6°, Gerechtelijk Wetboek omvatten de kosten de rechts-plegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022.

Artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtsplegingsver-goeding een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en erelonen van de advo-caat van de in het ongelijk gestelde partij.

Het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kos-ten verbonden aan de bijstand van de advocaat (hierna: Tarief Rechtsplegingsver-goeding), bepaalt in artikel 1, tweede lid, dat de bedragen van de rechtsplegings-vergoeding vastgesteld worden per aanleg.

6. De in het ongelijk gestelde partij dient een rechtsplegingsvergoeding te be-talen aan de in het gelijk gestelde partij indien tussen deze partijen een daadwer-kelijke procesverhouding bestaat. Dit veronderstelt dat de ene partij een vordering in rechte instelt strekkende tot de veroordeling van de andere partij of tot het ne-men van een rechterlijke beslissing tegen die partij.

7. De appelrechters stellen vast dat:
- de eiser vrijwillig is tussengekomen in het geding ter ondersteuning van de vordering van de eiseres tegen de verweerders;
- de eerste verweerster een vordering heeft ingesteld tegen de eiser tot het ver-krijgen van diens solidaire veroordeling met de eiseres en tot de terugbetaling van de ontvangen voorschotten;
- de tweede verweerder een vordering heeft ingesteld tegen de eiser tot het ver-krijgen van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding;
- de eerste rechter de vorderingen van de eerste verweerster en de tweede ver-weerder tegen de eiser gedeeltelijk gegrond heeft verklaard;
- de eiser hoger beroep heeft ingesteld tegen deze beslissing;
- de eerste verweerster en de tweede verweerder incidenteel beroep hebben inge-steld tegen deze beslissing.

8. Uit deze vaststellingen blijkt dat, zo de tussenkomst van de eiser ter onder-steuning van de vordering van de eiseres tegen de verweerders geen procesver-houding heeft doen ontstaan tussen de eiser en de verweerders, de vorderingen van de eerste verweerster en van de tweede verweerder tegen de eiser wel een nieuwe procesverhouding hebben gecreëerd tussen deze partijen.

9. De appelrechters oordelen dat de vorderingen van de eerste verweerster en de tweede verweerder tegen de eiser ongegrond zijn. Zij verklaren het hoger be-roep van de eiser dan ook gegrond en het incidenteel beroep van de eerste ver-weerster en de tweede verweerder ongegrond.

10. Gelet op dit oordeel, dat de beslissing van de eerste rechter hervormt, moe-ten de eerste verweerster en de tweede verweerder, in hun procesverhouding met de eiser, voor de berekening van de kosten van eerste aanleg als in het ongelijk gestelde partijen worden beschouwd. Zij dienen voor deze aanleg dan ook een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de eiser.

11. De appelrechters oordelen betreffende de kosten in eerste aanleg dat "reke-ning houdend met het feit dat de vordering van [de eiseres] in eerste aanleg ge-grond voorkomt, zij dient veroordeeld te worden tot de kosten van het geding ten aanzien van [de verweerders].(...) Als verliezende partij en als partij die vrijwillig is tussengekomen ter ondersteuning van de verliezende partij dienen [de eisers] hun eigen kosten te dragen."

12. Door na te laten de eerste verweerster en de tweede verweerder voor eerste aanleg te veroordelen tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de ei-ser, terwijl deze partijen in hun procesverhouding met de eiser in deze aanleg als in het ongelijk gestelde partijen moeten worden beschouwd, schenden de appel-rechters de aangevoerde bepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

13. Artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk ge-stelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.
Ingevolge artikel 1018, 6°, Gerechtelijk Wetboek omvatten de kosten de rechts-plegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022.

Artikel 1, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding bepaalt dat de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding worden vastgesteld per aanleg.

Krachtens artikel 2, eerste lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding wordt, voor de geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen, het basis-bedrag van de rechtsplegingsvergoeding onder meer vastgesteld als volgt:
- waarde geschil van 40.000,01 euro tot 60.000,00 euro: 2.500,00 euro;
- waarde geschil van 60.000,01 euro tot 100.000,00 euro: 3.000,00 euro;
- waarde geschil van 250.000,01 euro tot 500.000,00 euro: 7.000,00 euro.

Krachtens artikel 8 Tarief Rechtsplegingsvergoeding is dit basisbedrag gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen dat overeenstemt met 105,78 punten (2004) en worden de sommen bedoeld in artikel 2 met 10 procent vermeerderd of verminderd telkens als het indexcijfer met 10 punten stijgt of daalt.

14. Artikel 2, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding bepaalt dat voor de toepassing van dit artikel het bedrag van de vordering vastgesteld wordt overeen-komstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Gerechtelijk Wetboek in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg.

Dit bedrag stemt dus overeen met de vordering die in de gedinginleidende akte is geformuleerd of met het bedrag dat in de laatste conclusie is gevorderd.

15. Artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat op verzoek van een van de partijen en bij een met bijzondere redenen omklede beslissing, de rech-ter de vergoeding ofwel kan verminderen, ofwel kan verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden.

Voornoemde bepaling houdt in dat slechts van het basisbedrag, zoals bepaald in het Tarief Rechtsplegingsvergoeding, kan worden afgeweken, indien een van de partijen hierom verzoekt.

16. De appelrechters stellen vast dat "[de eerste verweerster] bij incidenteel be-roep vordert (...) [de eiseres] te veroordelen om haar een bedrag te betalen van 276.719,05 euro uit hoofde van schadevergoeding (...)" en dat zij "verder vordert te zeggen voor recht dat [de eiser] hoofdelijk, minstens ‘solidair' gehouden is tot betaling van alle bedragen waartoe [de eiseres] wordt veroordeeld en hem te ver-oordelen om een bedrag van 39.750 euro terug te betalen (...)." Verder stellen zij vast dat "[de tweede verweerder] bij incidenteel beroep vorderde dat het bestreden vonnis zou worden vernietigd waar er slechts een bedrag van 10.000 euro werd toegekend wegens tergend en roekeloos geding en opnieuw wijzend [de eiseres en de eiser] solidair, minstens in solidum, de ene bij gebrek aan de andere te veroordelen om hem een bedrag te betalen van 100.000 euro (...)."

17. Uit deze vaststellingen blijkt dat de eerste verweerster de hoofdelijke ge-houdenheid vordert van de eiser tot betaling van alle bedragen waartoe de eiseres moet worden veroordeeld, dit is tot een som van 276.719,05 euro en tot de terug-betaling van een bedrag van 39.750 euro. De vordering van de eerste verweerster tegen de eiser bevindt zich aldus in de schaal van 250.000,01 euro tot 500.000,00 euro, waarvoor de rechtsplegingsvergoeding, overeenkomstig de artikelen 2, eerste lid, en 8 Tarief Rechtsplegingsvergoeding, 7.700,00 euro bedraagt.

Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat de tweede verweerder de hoofdelijke gehoudenheid, of minstens de gehoudenheid in solidum, vordert van de eiser tot betaling van 100.000 euro wegens tergend en roekeloos geding. De vordering van de tweede verweerder tegen de eiser bevindt zich aldus in de schaal van 60.000,01 euro tot 100.000,00 euro, waarvoor de rechtsplegingsvergoeding, overeenkomstig de artikelen 2, eerste lid, en 8 Tarief Rechtsplegingsvergoeding, 3.300,00 euro bedraagt.

18. De appelrechters veroordelen "[de eerste verweerster en de tweede ver-weerder] tot de kosten van het hoger beroep van [de eiser] begroot op (...) 2.750 euro rechtsplegingsvergoeding."

19. Door de eiser in zijn procesverhouding met de eerste verweerster en de tweede verweerder aldus een rechtsplegingsvergoeding voor het hoger beroep toe te kennen die lager is dan het toepasselijke basisbedrag en lager dan het bedrag dat de eiser had gevorderd, terwijl geen van de partijen om een vermindering van het basisbedrag had verzocht, schenden de appelrechters de aangevoerde wetsbe-palingen.

Het onderdeel is gegrond.

Derde onderdeel

20. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de derde verweerder voor de eerste rechter heeft gevorderd vast te stellen dat de eiser procesmisbruik heeft gepleegd en de eiser daarom te veroordelen tot de gerechtskos-ten, hetzij een rechtsplegingsvergoeding van 1.200 euro.
De eerste rechter heeft de vordering van de derde verweerder ongegrond ver-klaard, maar heeft de eiser veroordeeld tot betaling aan de derde verweerder van een rechtsplegingsvergoeding van 1.200 euro.

21. Op het hoger beroep dat de eiser heeft ingesteld tegen deze veroordeling, verklaren de appelrechters "het hoger beroep [van de eiser] ten aanzien van [de derde verweerder] ongegrond" en veroordelen zij de partijen tot hun eigen kosten van de eerste aanleg en veroordelen zij "[de eiser] tot de kosten van het hoger beroep in hoofde van [de derde verweerder] begroot op 11.100 euro", zonder enige motivering op deze punten.

Door aldus de controle op de wettigheid van het arrest onmogelijk te maken, schenden de appelrechters artikel 149 Grondwet.
Het onderdeel is gegrond.
Overige grieven

22. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre dit het hoger beroep van de eiser tegen zijn veroordeling ten aanzien van de derde verweerder ongegrond verklaart en in zoverre het uitspraak doet over de gerechtskosten in beide aanleggen in de pro-cesverhouding tussen de eiser en de verweerders.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Noot: 

• S. Voet, «Rechtsplegingsvergoeding per gerechtelijke band: Where will it all end?»,, Kantteking RW 2010-2011, 888

• Stefaan Voet Rechtsplegingsvergoeding bij een gemengde vorderiing Hof van Cassatie hakt de knoop door, noot onder Cass. 15 januari 2010, RW 2010-2011, 874.

Met toelichting over de verschillende standpunten inzake rechtsplegingsvergoedingen bij meerdere vorderingen gelardeerd met rechtspraak en rechtleer.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 16/10/2016 - 18:02
Laatst aangepast op: zo, 16/10/2016 - 18:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.