-A +A

Geen overheidsaansprakelijkheid voor privéwegen en privéplaatsen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 18/10/2010
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
325
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

B. D’H. t/ M. en Gemeente Aalter

Eiser zet uiteen dat hij op 14 mei 2008 met zijn voertuig te Aalter op Jezuïetengoed reed en er tijdens een uitwijking voor een tegenligger in aanrijding kwam met een in het gras naast de rijbaan verscholen afgezaagde boomstronk.

Eiser acht eerste verweerster aansprakelijk als eigenaar (en bewaarder) op basis van art. 1384, eerste lid, BW en op basis van art. 1382 BW.

Tweede verweerster is volgens eiser aansprakelijk op basis van art. 1382 BW en art. 135, § 2, Gemeentewet.

Eiser vordert de veroordeling van verweersters in solidum, minstens van de ene bij gebreke aan de andere, tot een schadevergoeding van 4.412,02 euro.

Verweersters betwisten hun aansprakelijkheid.

...

Feitelijke gegevens

1. Betreffende het ongeval ligt een geseponeerde strafinformatie voor.

2. Jezuïetengoed is een voor voertuigenverkeer in het algemeen ingerichte weg. Het is een verbindingsweg tussen Aalter en Beernem langs de Oude Vaart, waar kort vór het ongeval ettelijke bomen waren gerooid. De boomstronken staan volgens de vermeldingen van de verbalisanten buiten de rand van de rijbaan “in de grasberm”.

De rijbaan is langs beide zijden afgebakend door een volle witte streep.

De verbalisanten spreken voorts over de aanwezigheid van een kort afgezaagde boomstronk die in het groen verstopt zit en situeren die “in de grasberm”.

De plaats van de aanrijding ligt ter hoogte van een wegversmalling van 4,60 m naar 3,60 m.

De stronk bevindt zich op 40 cm van de rand van de rijbaan.

3. Eiser verklaart dat hij moest uitwijken voor een tegenligger. Hij week volgens zijn verklaring uit op de gelijkgrondse berm waarvan de eerste meters bestaan uit grint en vervolgens uit groen gewas.

Onmiddellijk in het groene gewas bevond er zich een zware kort afgezaagde boomstronk, heel dicht bij de weg, volledig aan het zich onttrokken. Eiser kwam met die stronk in aanrijding, waardoor zijn voertuig schade opliep.

Het voertuig waarvoor eiser volgens zijn verklaring diende uit te wijken, vervolgde zijn weg.

4. Eerste verweerster bevestigt dat zij eigenares is van de plaats waar het ongeval gebeurde, zowel van de grond naast de weg als van de weg zelf. De weg is, mits hij wordt onderhouden, ter beschikking van de gemeente.

De bomen werden in de winter van 2007 gerooid en blijkbaar moeten er op de weg in kwestie al een paar ongevallen gebeurd zijn.

5. Op de foto’s ziet men de witte streep die de rijbaan afbakent.

Er is ook duidelijk de strook tussen de rijbaan en het gras te zien, waarover eiser spreekt (vermoedelijk de grintstrook).

De stronk bevindt zich in het gras achter de grintstrook.

Beoordeling

I. Bewijs van de feiten

De materialiteit van de aanrijding van eisers voertuig met de boomstronk kan als zodanig bezwaarlijk in twijfel worden getrokken.

De verbalisanten kwamen ter plaatse toen de takeldienst eisers voertuig nog aan het takelen was.

Het is wel correct dat dit nog niet bewijst dat eiser moest uitwijken voor een tegenligger.

II. De aansprakelijkheid

A. Verduidelijking van begrippen

De rechtbank deelt met de verbalisanten niet de terminologie om de plaats aan te duiden waar de boomstronk zich bevond. En dat is, zoals verder zal blijken, van belang voor de beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag.

Meer bepaald onderschrijft de rechtbank de term “grasberm” niet, althans niet in de juridische betekenis van het woord berm.

Uit de foto’s blijkt dat er geen sprake is van een verhoogde berm, d.w.z. een ruimte die hoger ligt dan het rijbaanniveau (art. 2.42 Wegverkeersreglement).

Een gelijkgrondse berm is de ruimte, onderscheiden van het trottoir en het fietspad, begrepen tussen enerzijds de rijbaan en anderzijds een sloot, een talud, de grenzen van eigendommen, die zich op hetzelfde niveau bevindt als de rijbaan en gevolgd mag worden door de weggebruikers, meer bepaald onder de voorwaarden van het Wegverkeersreglement (art. 2.41 Wegverkeersreglement). M.a.w., de berm is in casu de (grint)strook tussen de rijbaan en de grens met de met gras begroeide grond van eerste verweerster. De met gras begroeide grond waarop aan de rand bomen stonden, is niet meer de berm.

B. Ten aanzien van tweede verweerster

1. Tweede verweerster is niet de bewaarder, in de zin van art. 1384, eerste lid, BW, van de aan eerste verweerster toebehorende plaats waar de boomstronk zich bevindt.

Uit de verklaring van eerste verweerster in de strafinformatie blijkt duidelijk dat tweede verweerster (de gemeente) alleen instaat voor het gedeelte dat als weg wordt gebruikt.

Het is eerste verweerster die van de grond met de bomen erop gebruik maakt, ervoor instaat enz.

Terecht baseert eiser zijn vordering tegen tweede verweerster niet op art. 1384, eerste lid, BW, maar ook eerste verweerster kan niet staande houden dat niet zij, maar tweede verweerster de bewaarder zou zijn.

2. De gemeentelijke verplichtingen inzake veilig wegbeheer (art. 135, § 2, Gemeentewet) zijn niet beperkt tot de eigenlijke rijbaan, maar strekken zich uit tot de bermen (Cass. 20 april 2001, RW 2002-03, 982). Maar die verplichtingen gelden niet voor privéwegen en -plaatsen, d.w.z. voor wegen of plaatsen die niet openstaan voor het verkeer in het algemeen (A.L. Durviaux, B. Kohl en D. Risse, Voirie: le point sur la responsabilité des pouvoirs publics in P. Lecocq en C. Engels, Dossiers Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters, 13, Rechtskroniek van de Vrede- en Politierechters 2010, p. 185 e.v., inzonderheid p. 204, met aldaar vermelde rechtspraak).

Welnu, zoals hierboven sub A gezegd, bevond de boomstronk zich op het privéterrein van eerste verweerster en buiten de berm.

Tweede verweerster loopt geen aansprakelijkheid op voor een tekortkoming aan haar verplichtingen krachtens art. 135, § 2, Gemeentewet.

3. Om dezelfde redenen beging tweede verweerster evenmin een gemeenrechtelijke aquiliaanse fout in de zin van art. 1382 BW door niet op te treden ondanks bewezen kennis van een abnormale gevaarstoestand i.v.m. haar wegennet. Het euvel doet zich voor op privéterrein waar geen verkeer hoeft te rijden en dat buiten haar bevoegdheid valt.

4. Conclusie; de vordering is, in zoverre ze is gericht tegen tweede verweerster, ongegrond.

C. Ten aanzien van eerste verweerster

1. Tegen eerste verweerster worden als basis van de aansprakelijkheidsvordering art. 1384, eerste lid, BW en art. 78.2 Wegverkeersreglement juncto art. 1382 BW aangebracht.

2. Een zaak is gebrekkig in de zin van art. 1384, eerste lid, BW wanneer zij een abnormaal kenmerk vertoont dat van aard is in bepaalde omstandigheden schade te berokkenen aan derden.

Eerste verweerster is wel degelijk de bewaarder van de grond met de boomstronken.

In haar eerste conclusie in fine schrijft eerste verweerster dat er op haar geen enkele verplichting rustte om het struikgewas en de zich daarin bevindende boomstronken te rooien.

Juridisch verwoord in termen van de vordering, veronderstelt de rechtbank dat daarmee bedoeld wordt dat de grond met de boomstronken geen gebrek vertoonde.

Het gaat om een stuk met gras begroeide grond in een landelijke en beboste omgeving, waar het normaal is dat bomen op een zeker moment gerooid worden.

Omdat de stronken zich bevinden op privéterrein, buiten de rijbaan en buiten de berm, dat alleen door de eigenares wordt gebruikt en dat niet voor doorgang of verkeer van derden openstaat, oordeelt de rechtbank dat de na kapping van de bomen resterende afgezaagde boomstronken in dat grasland geen gebrek uitmaken, d.w.z. geen abnormaal kenmerk, van aard schade te kunnen berokkenen aan derden.

In zoverre ze gebaseerd is op art. 1384, eerste lid, BW, is de vordering ook tegen eerste verweerster ongegrond.

3. De stronken bevonden zich niet alleen buiten de rijbaan, maar ook buiten de berm.

Indien eiser al diende uit te wijken voor een tegenligger, kon hij daarvoor de (grint)berm gebruiken (art. 15 Wegverkeersreglement).

Eiser nam de beslissing zich nog verder te begeven.

Het privéterrein van eerste verweerster waar de stronken zich bevonden, stond niet open voor verkeer. Het was alleen tot eigen gebruik van de eigenares bestemd.

Eerste verweerster hoefde dan ook voor niets signalisatie aan te brengen.

Ook de rechtsgrond van art. 78 Wegverkeersreglement juncto art. 1382 BW faalt.

4. Conclusie: de vordering tegen eerste verweerster is evenzeer ongegrond.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 01/10/2011 - 12:19
Laatst aangepast op: za, 01/10/2011 - 12:19

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.