-A +A

Geen dwingende conclusietermijnen voor onderzoeksgerechten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 11/05/2017
A.R.: 
52/2017

De procedure in strafzaken met betrekking tot de conclusietermijnen wordt geregeld door art. 152 van het Wetboek van strafvordering

Art. 152.

§ 1. De partijen die wensen te concluderen en nog geen conclusies hebben neergelegd vragen op de inleidingszitting om conclusietermijnen te bepalen.
De rechter legt in dat geval de termijnen vast waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en aan de andere partijen moeten worden toegezonden en bepaalt de rechtsdag, na de partijen te hebben gehoord. De beslissing wordt vermeld in het proces-verbaal van de zitting. De conclusies worden opgesteld overeenkomstig de artikelen 743 en 744 van het Gerechtelijk Wetboek.

De conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd en meegedeeld aan het openbaar ministerie, indien deze betrekking hebben op de strafvordering, en in voorkomend geval, aan alle andere betrokken partijen, worden ambtshalve uit de debatten geweerd.

§ 2. Tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt, kunnen conclusies worden neergelegd na het verstrijken van de overeenkomstig paragraaf 1 vastgelegde termijnen :
- mits het akkoord van de betrokken partijen, of
- bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt.

De rechter kan ten gevolge hiervan nieuwe conclusietermijnen vastleggen en een nieuwe rechtsdag bepalen. In dat geval is paragraaf 1 van toepassing.

§ 3. Tegen de beslissingen van de rechter die beoogd zijn in de paragrafen 1 en 2 staat geen rechtsmiddel open.

§ 4. De bepalingen van paragrafen 1 en 2 zijn van toepassing op het openbaar ministerie.

(ingevoegd ingevolge potpourri II wet van 5 februari 2016 en zowel toepasselijk voor de politierechtbank als voor de correctionele rechtbank [artikel 189 Sv] en bij de Hoven van Beroep[artikel 209bis laatste lid Sv]).

Deze bepalingen vinden geen toepassing voor de onderzoeksgerechten, hetgeen overigens het gelijkheidsbeginsel niet schendt (GwH 52/2017, 11 mei 2017)

 

Publicatie
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

Rolnummer 6425

Arrest nr. 52/2017 van 11 mei 2017

ARREST

In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 152 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de raadkamer van de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof,

wijst na beraad het volgende arrest:

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij beschikking van 5 april 2016 in zake F.J. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 mei 2016, heeft de raadkamer van de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 152 [ van het Wetboek van strafvordering] de artikelen 10 en 11 van de grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, om reden dat een inverdenkinggestelde de raadkamer op de inleidingszitting bij de regeling van de rechtspleging (artikel 127 Wetboek van strafvordering) niet om conclusietermijnen kan verzoeken terwijl een beklaagde voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank op de inleidingszitting om conclusietermijnen kan verzoeken ? ».

Memories zijn ingediend door :

- F.J., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Van Cauter, advocaat bij de balie te Gent;

- de nv R., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. De Ketelaere en Mr. T. De Ketelaere, advocaten bij de balie te Leuven;

- de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Wirtgen, advocaat bij de balie te Brussel.

F .J. heeft ook een memorie van antwoord ingediend.

Bij beschikking van 8 februari 2017 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 8 maart 2017 en de zaak in beraad zal worden genomen.

Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 22 februari 2017 de dag van de terechtzitting bepaald op 8 maart 2017.

Op de openbare terechtzitting van 8 maart 2017 :

- zijn verschenen :

Mr. J. Van Cauter en Mr. K. De Meester, advocaat bij de balie te Gent, voor F.J.;

Mr. A. Wirtgen en Mr. T. Moonen, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad;

- hebben de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet verslag uitgebracht;

- zijn de voornoemde advocaten gehoord;

- is de zaak in beraad genomen.

De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil

In het geschil ten gronde dient de raadkamer van de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel zich uit te spreken over de vordering van de procureur des Konings tot doorverwijzing van twaalf inverdenkinggestelden naar de Nederlandstalige Correctionele Rechtbank te Brussel. De inverdenkinggestelde F.J. had de raadkamer in hoofdorde verzocht de conclusietermijnen te bepalen met toepassing van artikel 152, § l, van het Wetboek van strafvordering. De raadkamer oordeelde dat die bepaling geen toepassing kan vinden in de regelingen van rechtspleging die door de onderzoeksgerechten worden behandeld. De raadkamer stelt vast dat ze de partijen niet mag verplichten de conclusietermijnen in acht te nemen. In ondergeschikte orde had de inverdenkinggestelde F.J. gevraagd de bovenvermelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. De raadkamer is van oordeel dat het antwoord op die vraag noodzakelijk is om uitspraak te doen in het geschil ten gronde.

III. In rechte

-A -

A.1.1. De Ministerraad merkt op dat vóór de recente wijziging van artikel 152 van het Wetboek van strafvordering een verdachte de mogelijkheid had om in een strafprocedure conclusies neer te leggen tot aan de sluiting van de debatten. In zoverre tussen partijen een informele regeling tot stand kwam over de daarbij in acht te nemen termijnen, kon de rechter, anders dan in het burgerlijk procesrecht, niet toezien op de naleving daarvan. Slechts uitzonderlijk kon de vonnisrechter een conclusie weren uit de debatten, namelijk als die louter dilatoir werd ingediend. Bij artikel 76 van de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie heeft de wetgever artikel 152 van het Wetboek van strafvordering, dat betrekking heeft op het verloop van de procedure voor de politierechtbanken, vervangen. Dezelfde regeling is van toepassing op de procedure voor de correctionele rechtbanken ( artikel 189 van het Wetboek van strafvordering) en voor de hoven van beroep (artikel 209bis, laatste lid, van het Wetboek van strafvordering). De nieuwe regeling laat toe dwingende conclusietermijnen op te leggen.

A.1.2. Ten gronde is de Ministerraad in hoofdorde van oordeel dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is omdat ze uitgaat van een kennelijk onjuiste lezing van de in het geding zijnde bepaling. De prejudiciële vraag suggereert immers het bestaan van een ongelijke behandeling ingevolge de onmogelijkheid voor de inverdenkinggestelde om de raadkamer te verzoeken conclusietermijnen vast te leggen. Artikel 127 van het Wetboek van strafvordering staat er echter geenszins aan in de weg dat de voorzitter van de raadkamer op verzoek van één van de partijen conclusietermijnen bepaalt. Ondergeschikt gaat de Ministerraad ervan uit dat het gebrek aan een dwingend karakter van dergelijke termijnen wordt bekritiseerd.

A.1.3. Vervolgens meent de Ministerraad dat de draagwijdte van de prejudiciële vraag dient te worden beperkt tot de bevoegdheid van de raadkamer voor de regeling van de rechtspleging. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag zou immers kunnen worden afgeleid dat de grondwettigheid in het geding wordt gebracht van de onmogelijkheid tot het bepalen van conclusietermijnen in de context van alle bevoegdheden van de raadkamer.

A.1.4. In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. Ten eerste zijn de situaties van de partijen voor de onderzoeksgerechten en voor de vonnisgerechten niet vergelijkbaar. Zoals het Hof reeds gesteld heeft, verschilt de rechtspleging voor de raadkamer fundamenteel van de rechtspleging voor het vonnisgerecht. De regeling van de rechtspleging door de raadkamer is immers slechts een « gerechtelijke tussenfase » waarbij het vooronderzoek wordt afgesloten en louter beslist wordt of er voldoende bezwaren zijn die een doorverwijzing naar een vonnisgerecht rechtvaardigen. De raadkamer neemt geen beslissing ten gronde met uitzondering van de beslissing tot opschorting of tot internering.

Indien het Hof de situatie van de partijen voor de onderzoeksgerechten en voor de vonnisgerechten vergelijkbaar zou achten, stelt de Ministerraad dat het onderscheid in behandeling objectief en pertinent is. Het onderscheid is gebaseerd op het rechtscollege dat wordt geadieerd. Daarenboven is het onderscheid pertinent, aangezien het procesrechtmisbruik voor de onderzoeksgerechten veel minder frequent voorvalt en niet de grond van de zaak betreft. Het is ook niet ondenkbaar dat de mogelijkheid van conclusietermijnen voor de onderzoeksgerechten ertoe zou leiden dat die systematisch worden gevraagd met een reëel risico - anders dan wat geldt voor de vonnisgerechten - tot vertragingen.

De Ministerraad acht het feit dat een laattijdige conclusie voor de onderzoeksgerechten niet automatisch wordt geweerd, niet kennelijk onevenredig is. De wetgever heeft het immers nodig kunnen achten de vonnisgerechten te onderwerpen aan een strengere regeling. Onderzoeksgerechten kunnen ook steeds dilatoire conclusies weren in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Cassatie.

A.1.5. In zoverre de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang worden gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, meent de Ministerraad dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting. Het is onduidelijk welk facet van het recht op een eerlijk proces in het geding zou zijn. In beginsel is artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bovendien niet van toepassing op de procedure van de regeling van de rechtspleging, tenzij de rechten van verdediging in hun geheel zouden worden ondermijnd. In zoverre een gebrek aan bindende schriftelijke conclusietermijnen al een inbreuk kan uitmaken op artikel 6 van het Europees verdrag van de rechten van de mens, ziet de Ministerraad niet in hoe dit het recht op een eerlijk proces in de fase ten gronde onmogelijk maakt. In die fase beschikt de beklaagde immers wel over het recht om schriftelijke conclusietermijnen te verzoeken bij de vonnisrechter. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van oordeel dat er geen risico bestaat dat de rechten van verdediging van de partijen die verschijnen voor de onderzoeksgerechten zouden worden geschonden.

A.1.6. In uiterst ondergeschikte orde merkt de Ministerraad op dat de prejudiciële vraag hoogstens aanleiding kan geven tot de vaststelling dat het wettelijk kader een ongrondwettige leemte bevat. Geen enkel artikel voorziet immers in een mogelijkheid voor de onderzoeksgerechten om afdwingbare conclusietermijnen te bepalen. Het staat in voorkomend geval aan de wetgever een gedifferentieerde regeling te treffen die tegemoetkomt aan de rechten van alle betrokkenen, en niet aan het Hof of aan de onderzoeksgerechten.

A.2. De inverdenkinggestelde naamloze vennootschap R. is van oordeel dat artikel 152 van het Wetboek van strafvordering niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien de inverdenkinggestelde op de inleidende zitting bij de regeling van de rechtspleging de raadkamer niet kan verzoeken om dwingende conclusietermijnen. De situatie van een inverdenkinggestelde voor een onderzoeksgerecht is vergelijkbaar met die van een beklaagde voor de vonnisgerechten. Voor beide instanties moet het debat op tegenspraak worden gewaarborgd en bestaat de mogelijkheid om de aangevoerde argumenten schriftelijk uit te werken. Op beiden rust de verplichting om hun beslissing te motiveren. Onderzoeksgerechten kunnen zelfs naar aanleiding van de regeling van rechtspleging geadieerd zijn om ten gronde te oordelen. Bijgevolg besluit de naamloze vennootschap R. dat de invoering van dwingende conclusietermijnen in strafzaken ook moet gelden voor de onderzoeksgerechten.

A.3.1. De inverdenkinggestelde F.J. meent allereerst dat de prejudiciële vraag niet uitgaat van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling, in tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert. Het woord« conclusietermijnen » hangt contextueel samen met artikel 152 van het Wetboek van strafvordering en verwijst dus naar de dwingende conclusietermijnen waarin die bepaling voorziet.

A.3.2. F.J. is voorts van oordeel dat beide categorieën van personen vergelijkbaar zijn. Het recht op tegenspraak geldt zowel voor de onderzoeksgerechten als voor de vonnisgerechten. Daarenboven is het doel dat een inverdenkinggestelde nastreeft voor het onderzoeksgerecht (buitenvervolgingstelling, het verval van de strafvordering, de opschorting van de uitspraak van de veroordeling of al dan niet internering) vergelijkbaar met het doel dat een beklaagde nastreeft voor het vonnisgerecht (vrijspraak, het verval van de strafvordering, de opschorting van de uitspraak van de veroordeling of al dan niet internering).

Het aangeklaagde verschil in behandeling is niet pertinent. De stelling dat procesmisbruik veel minder zou voorkomen bij onderzoeksgerechten wordt niet gestaafd en verklaart niet waarom dat probleem zou mogen blijven voortbestaan. De Ministerraad toont ook niet aan waarom een soortgelijke regeling van conclusietermijnen enkel bij onderzoeksgerechten een reëel risico op vertragingen zou teweegbrengen.

Ten slotte acht F.J. het niet evenredig dat voor onderzoeksgerechten een ander sanctiemechanisme geldt voor laattijdig neergelegde conclusies dan voor de vonnisgerechten. Beide procedures beogen een debat op tegenspraak te organiseren tussen de verschillende betrokken partijen. Om een dergelijk debat te laten verlopen met respect voor de rechten van verdediging, het recht op een goede rechtsbedeling en het recht op tegenspraak, voorziet artikel 152 van het Wetboek van strafvordering in het opleggen van een conclusiekalender en in sancties voor buiten termijn neergelegde conclusies. F.J. besluit dan ook dat artikel 152 van het Wetboek van strafvordering het gelijkheidsbeginsel schendt, in zoverre het niet van toepassing is op de procedure voor de onderzoeksgerechten.

A.3.3. F.J. meent ten slotte dat de Ministerraad ten onrechte ervan uitgaat dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet van toepassing is. Het Europees Hof voor de Rechten van de mens erkent in steeds meer gevallen dat dit artikel toepassing vindt op de procedure voor de onderzoeksgerechten (bijvoorbeeld EHRM, 18 maart 1997, Mantovanelli t. Frankrijk). Artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat het recht op tegenspraak omvat, moet dus zoveel mogelijk in het hele strafproces worden gerespecteerd. Aangezien dwingende conclusietermijnen het recht op tegenspraak alleen maar kunnen versterken, ziet F.J. niet in waarom dat artikel niet van toepassing zou zijn op die concrete problematiek in de regeling der rechtspleging. De prejudiciële vraag dient ook in dat opzicht bevestigend te worden beantwoord.

-B-

B.1. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 152 van het Wetboek van strafvordering met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre een inverdenkinggestelde de raadkamer op de inleidingszitting bij de regeling van de rechtspleging niet om conclusietermijnen kan verzoeken, terwijl een beklaagde de politierechtbank of de correctionele rechtbank op de inleidingszitting wel om conclusietermijnen kan verzoeken.

B.2. Artikel 152 van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij artikel 76 van de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (hierna : de wet van 5 februari 2016), bepaalt :

« § 1. De partijen die wensen te concluderen en nog geen conclusies hebben neergelegd vragen op de inleidingszitting om conclusietermijnen te bepalen.

De rechter legt in dat geval de termijnen vast waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en aan de andere partijen moeten worden toegezonden en bepaalt de rechtsdag, na de partijen te hebben gehoord. De beslissing wordt vermeld in het proces¬verbaal van de zitting. De conclusies worden opgesteld overeenkomstig de artikelen 743 en 744 van het Gerechtelijk Wetboek.

De conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd en meegedeeld aan het openbaar ministerie, indien deze betrekking hebben op de strafvordering, en in voorkomend geval, aan alle andere betrokken partijen, worden ambtshalve uit de debatten geweerd.

§ 2. Tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt, kunnen conclusies worden neergelegd na het verstrijken van de overeenkomstig paragraaf 1 vastgelegde termijnen :

- mits het akkoord van de betrokken partijen, of

- bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt.

De rechter kan ten gevolge hiervan nieuwe conclusietermijnen vastleggen en een nieuwe rechtsdag bepalen. In dat geval is paragraaf 1 van toepassing.

§ 3. Tegen de beslissingen van de rechter die beoogd zijn in de paragrafen 1 en 2 staat geen rechtsmiddel open.

§ 4. De bepalingen van paragrafen 1 en 2 zijn van toepassing op het openbaar ministerie ».

B.3 .1. Volgens de Ministerraad is de prejudiciële vraag niet ontvankelijk, aangezien ze er verkeerdelijk van zou uitgaan dat de inverdenkinggestelde de raadkamer niet kan verzoeken conclusietermijnen vast te leggen, terwijl artikel 127 van het Wetboek van strafvordering daaraan niet in de weg staat.

B.3.2. Het staat in de regel aan de verwijzende rechter de bepalingen die hij toepast te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt ondervraagd over de ongelijke behandeling die zou voortvloeien uit het feit dat de inverdenkinggestelde de raadkamer, op de inleidingszitting bij de regeling van de rechtspleging, niet om dwingende conclusietermijnen zou kunnen verzoeken en de laattijdigheid van conclusies niet met sancties zou kunnen worden verbonden, terwijl die mogelijkheid wel bestaat voor de beklaagde in de procedure voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank op grond van artikel 152 van het Wetboek van strafvordering.

B.3.3. De exceptie wordt verworpen.

B.4. De wet van 5 februari 2016 heeft dwingende conclusietermijnen ingevoerd in strafzaken met inachtneming van « de principes van het vrije woord ter zitting en de gelijkheid van wapens» (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, pp. 69-70; DOC 54-1418/005, p. 113). De nieuwe regeling is opgenomen in artikel 152 van het Wetboek van strafvordering, dat betrekking heeft op de procedure voor de politierechtbanken. Die bepaling geldt ook voor de correctionele rechtbanken ( artikel 189 van het Wetboek van strafvordering) en voor de hoven van beroep (artikel 209bis, laatste lid, van het Wetboek van strafvordering). De nieuwe regeling houdt in dat partijen die wensen te concluderen en nog geen conclusies hebben neergelegd, op de inleidingszitting vragen conclusietermijnen te bepalen. De rechter legt in dat geval conclusietermijnen en een rechtsdag vast, die vervolgens op het zittingsblad worden vermeld. Conclusies die niet tijdig zijn neergelegd en meegedeeld aan alle betrokken partijen worden in principe ambtshalve uit de debatten geweerd.

B.5.1. De rechtspleging voor de raadkamer verschilt grondig van de rechtspleging voor de vonnisgerechten. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.5.2. In de voorliggende zaak rijst de vraag of de in het geding zijnde bepaling afbreuk doet aan het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat een inverdenkinggestelde de raadkamer bij de regeling van de rechtspleging niet om dwingende conclusietermijnen zou kunnen verzoeken en de laattijdigheid van conclusies niet met sancties zou kunnen worden verbonden.

B.6. Bij de regeling van de rechtspleging beslist de raadkamer over de afsluiting van het gerechtelijk onderzoek. Al is artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in beginsel niet van toepassing in de fase voorafgaand aan de strafrechtspleging voor de rechtscolleges die over de gegrondheid van de strafvordering uitspraak doen, toch dient ermee rekening te worden gehouden dat de vereisten van artikel 6 een rol kunnen spelen vóór de aanhangigmaking van de zaak bij de rechter ten gronde, indien en voor zover de initiële miskenning ervan het eerlijk karakter van het proces ernstig in het gedrang dreigt te brengen (EHRM, 24 november 1993, Imbrioscia t. Zwitserland). Bovendien bestaan er afwijkingen op het algemene principe dat de raadkamer zich niet uitspreekt over de grond van de zaak bij de regeling van de rechtspleging.

B.7.1. Met de invoering van een dwingende regeling van conclusietermijnen voor de vonnisgerechten in strafzaken beoogt de wetgever een ordentelijker verloop van het strafproces en een beter beheer van de zittingskalender (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, p. 69). Hoewel er reeds een praktijk bestond om conclusietermijnen vast te leggen in strafzaken in onderling overleg of door de vonnisrechter in aanwezigheid van de partijen, betrof dit echter een louter « gentlemen 's agreement » (ibid.).

B.7.2. Aan een te laat overgezonden conclusie kon echter in beginsel geen sanctie worden gekoppeld, wat door de in het geding zijnde bepaling wordt verholpen. Volgens de wetgever kan het weren van conclusies in bepaalde omstandigheden verantwoord zijn, met name wanneer sprake is van proceduremisbruik en wanneer laattijdige conclusies een goede rechtsbedeling verhinderen en daarbij op een foutieve wijze de rechten van andere partijen schaden en het recht op een eerlijk proces aantasten (ibid.).

B.8.1. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn van toepassing op de gehele procedure en kan dat recht op onherstelbare wijze geschonden zijn tijdens de fase van het vooronderzoek (EHRM, 15 juli 2002, Stratégies et communications en Dumoulin t. België, § 39).

B.8.2. Bij de regeling van de rechtspleging voor de raadkamer leggen de partijen hun conclusie neer ter terechtzitting. Hoewel geen enkele wetsbepaling de partijen verbiedt conclusies over te leggen tot de sluiting van de debatten, is het niet uitgesloten dat de partijen in onderling overleg of in overleg met de raadkamer conclusietermijnen afspreken.

B.8.3. Weliswaar bestaat er in de procedure voor de raadkamer geen bepaling die toelaat laattijdige conclusies uit de debatten te weren. De raadkamer kan evenwel de neerlegging van conclusies weigeren, als ze enkel als een vertragingsmanoeuvre bedoeld is (Cass. 16 juni

2004, Arr. Cass., 2004, nr. 331; Cass. 23 december 2015, P.15.0615.F). De raadkamer kan eveneens een laattijdig ingediende conclusie uit de debatten weren door ze als een misbruik van de rechtspleging aan te merken op grond dat zij een goede rechtsbedeling verhindert, de rechten van de tegenpartij op onrechtmatige wijze schendt en het recht op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang brengt (Cass. 8 juni 2011, Arr. Cass., 2011, nr. 388; Cass. 29 april 2015, Arr. Cass., 2015, nr. 282).

B.8.4. Aldus kan de raadkamer rekening houden met, enerzijds, het openbaar belang en de zorg voor een goede rechtsbedeling binnen een redelijke termijn en, anderzijds, het recht van de procespartijen op een debat op tegenspraak, met eerbiediging van de wapengelijkheid.

B.9. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, wordt aan de rechten van de inverdenkinggestelde niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan doordat artikel 152 van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 76 van de wet van 5 februari 2016, niet van overeenkomstige toepassing is bij de regeling van de rechtspleging voor de raadkamer.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 152 van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 11 mei 2017.
 

Noot: 

Roeland Vasseur, Onderzoeksgerecht moet geen dwingende conclusietermijnen kunnen opleggen, Juristenkrant 352, 28 juni 2017

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 26/07/2017 - 14:30
Laatst aangepast op: wo, 26/07/2017 - 14:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.