-A +A

Geen conclusies buiten de termijn zonder akkoord wederpartij

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 21/02/2017
A.R.: 
P.16.1079.N

Uit artikel 4, tiende lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter conclusies, neergelegd buiten de vastgestelde termijnen, zonder enig verzoek daartoe van de partijen uit het debat dient te weren tenzij partijen akkoord zijn om de conclusies in het debat te houden of, gelet op de ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit, een nieuwe conclusietermijn werd verleend.

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift voor Strafrecht
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/2
Pagina: 
134
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.16.1079.N
I en II
I J F V,
beklaagde,
eiser,
tegen
L D,
burgerlijke partij,
verweerder,
met als raadsman mr. Nicolaas Vinckier, advocaat bij de balie te Kortrijk.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 5 september 2016.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I van 27 oktober 2016

1. Gelet op eisers afstand zijn de door de verweerder aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid zonder voorwerp.
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II van 10 november 2016

2. De verweerder voert aan dat het arrest van 5 september 2016, ondanks de gebruikte bewoordingen, op tegenspraak werd gewezen zodat het cassatieberoep laattijdig, mitsdien niet ontvankelijk is.

3. Krachtens artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvorde-ring kan op de rechtsdag, die met toepassing van dit artikel 4 is bepaald, de meest gerede partij een vonnis op tegenspraak vorderen.

Uit de vaststellingen van het arrest volgt dat geen van de partijen een vonnis op tegenspraak heeft gevorderd. Het arrest is dan ook wel degelijk bij verstek gewezen. Het cassatieberoep is tijdig ingesteld binnen de door artikel 424 Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn.
Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

4. De verweerder voert tevens aan dat het cassatieberoep hem niet regelmatig werd betekend vermits dit niet is gebeurd op zijn gekozen woonplaats, eveneens met de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep tot gevolg.

5. Uit de vermeldingen van de akte van betekening van het arrest blijkt dat de verweerder woonplaats heeft gekozen in het kantoor van de optredende gerechts-deurwaarder.

Volgens artikel 39, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek mag de betekening, wanneer de geadresseerde bij een lasthebber woonplaats heeft gekozen, aan die woonplaats geschieden. Die bepaling legt niet de verplichting op om de betekening te doen aan de bij een lasthebber gekozen woonplaats wanneer de geadresseerde, zoals in casu, in België is gedomicilieerd.

Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

6. Gelet op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, is er geen grond om akte te verlenen van de afstand.

Ontvankelijkheid van de memorie

7. De verweerder voert aan dat de kennisgeving van eisers memorie ten on-rechte niet aan zijn gekozen woonplaats is gebeurd. Tevens is het onmogelijk de overgemaakte memorie aan een welbepaald cassatieberoep toe te wijzen, waardoor beide, minstens één van de cassatieberoepen niet is gestaafd door een memorie, zodat de eiser geen onwettigheden of onregelmatigheden aanvoert.

8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser de verweerder op 26 december 2016 een afschrift van de akte van afstand van zijn cassatieberoep van 27 oktober 2016, alsook van zijn memorie heeft overgemaakt. Hieruit volgt dat de memorie enkel betrekking kan hebben op het cassatieberoep van 10 november 2016.

In zoverre mist het middel van niet-ontvankelijkheid feitelijke grondslag.

9. Voor het overige kan dit middel om de hierboven vermelde redenen niet worden aangenomen.
Eerste middel
Eerste onderdeel

10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Ti-tel Wetboek van Strafvordering: het arrest weert de syntheseconclusie van de verweerder, met inbegrip van een hierbij gevoegd nieuw stuk, ten onrechte niet uit het debat met als motief dat er geen toepassing werd gemaakt van artikel 748, § 2, Gerechtelijk Wetboek, er geen vraag tot wering van stukken of conclusies voorligt en de verweerder deze laattijdig neergelegde syntheseconclusie niet heeft teruggetrokken.

Grond van niet-ontvankelijkheid

11. De verweerder voert aan dat het middel bij gebrek aan belang niet ontvanke-lijk is daar het arrest verweerders syntheseconclusie en de eraan gevoegde stukken niet betrekt bij de beoordeling van de zaak.

12. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid valt niet te onder-scheiden van het onderzoek naar de gegrondheid van het middel.
De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het onderdeel

12. Krachtens artikel 4, tiende lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvorde-ring bepaalt de rechter, na verzoek hiertoe door één van de partijen van het ge-ding, de termijnen om conclusie te nemen en de rechtsdag. Artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering voegt hieraan toe: "Behoudens akkoord van de partijen of de in artikel 748, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde uitzondering, worden de conclusies die na het verstrijken van de in het tiende lid vastgestelde termijnen worden overgelegd, ambtshalve uit de debatten geweerd. Op de vastgestelde dag kan de meest gerede partij een vonnis op tegen-spraak vorderen".

13. Uit deze bepaling volgt dat de rechter conclusies, neergelegd buiten de vast-gestelde termijnen, zonder enig verzoek daartoe van de partijen uit het debat dient te weren tenzij partijen akkoord zijn om de conclusies in het debat te houden of, gelet op de ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit, een nieuwe conclusietermijn werd verleend

14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

-de verweerder op 26 april 2016 een syntheseconclusie met bijkomende stukken heeft neergelegd, dit is buiten de bij beschikking van 23 juni 2014 bepaalde conclusietermijnen;

- er geen akkoord van de partijen voorligt om de laattijdig neergelegde conclusie in het debat te houden.
Het arrest dat oordeelt dat er geen reden is tot wering van de laattijdig neer-gelegde conclusies bij gebrek aan een daartoe strekkende vraag van de partijen dan wel een door de eiser gevorderde toepassing van artikel 748, § 2, Gerechtelijk Wetboek en dat vervolgens bij de oordeelsvorming verwijst naar een stuk dat bij deze conclusie werd gevoegd, schendt voormeld artikel 4, elfde lid.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

15. De grieven die niet kunnen leiden tot een cassatie zonder verwijzing, be-hoeven geen antwoord.

Dictum
Het Hof,
Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep I.
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.
Veroordeelt de eiser tot de kosten van het cassatieberoep I.
Houdt de beslissing over de kosten van het cassatieberoep II aan en laat deze over aan de verwijzingsrechter.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Bepaalt de kosten in het geheel op 201,67 euro, waarvan op het cassatieberoep I 68,89 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep II 62,78 euro.
 

Noot: 

• Tijdschrift voor Strafrecht [T.Strafr.] B. M.; Noot onder cassatie. 2017, nr. 2, p. 134-137.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 06/08/2017 - 08:22
Laatst aangepast op: zo, 06/08/2017 - 08:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.