-A +A

Geen automatisch inzagerecht in patiëntendossier voor erfgenamen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 14/03/2016
A.R.: 
C.15.0069.F

De overleden patiënt die meermaals, mondeling en schriftelijk de wil heeft uitgedrukt elke relatie met zijn moeder definitief te verbreken en die doelstelling uiteindelijk heeft bereikt, heeft aldus op ondubbelzinnige wijze zijn uitdrukkelijke wil geuit zich te verzetten tegen elke inmenging van zijn moeder in zijn persoonlijke levenssfeer en tegen elke toegang van laatstgenoemde tot zijn persoonlijke gegevens, zelfs na zijn overlijden.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
504
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.15.0069.F

C.V. t/ J.S.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 4 september 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Krachtens art. 9, § 4, eerste zin van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, hebben, na het overlijden van de patiënt, diens echtgenoot, wettelijk samenwonende partner, partner en bloedverwanten tot en met de tweede graad, via een door de verzoeker aangewezen beroepsbeoefenaar, het recht op inzage van het dossier van de patiënt voor zover hun verzoek voldoende gemotiveerd en gespecificeerd is en de patiënt zich hiertegen niet uitdrukkelijk heeft verzet.

Als de rechter de elementen van de zaak in feite vaststelt, en hieruit afleidt dat de patiënt zich uitdrukkelijk ertegen heeft verzet dat zijn dossier na zijn overlijden zou worden ingekeken door een van de verwanten bedoeld bij het voornoemde art. 9, § 4, gaat het Hof evenwel na of de rechter, uit die vaststellingen, naar recht heeft kunnen afleiden dat de patiënt zich uitdrukkelijk daartegen heeft verzet in de zin van die bepaling.

Het arrest stelt vast dat de verweerder, als verweer tegen de vordering van de eiseres om het dossier betreffende haar overleden zoon M. te raadplegen, beweerd heeft dat «M., toen hij nog in leven was, uitdrukkelijk gevraagd had elk contact met zijn moeder te verbreken en haar geen enkele informatie over hem te verstrekken omdat laatstgenoemde daartoe niet geschikt was».

Het oordeelt dat «die bewering van de verweerder over het geheel genomen erg waarschijnlijk is, omdat ze wordt gestaafd door de elementen die het hof van beroep moet beoordelen. Uit de verslagen van de verweerder bij de opvolging van zijn patiënt M. blijkt immers dat, hoewel laatstgenoemde regelmatig contact met zijn vader had, hij vanaf maart 2008 duidelijk en uitdrukkelijk elk contact met zijn moeder wilde verbreken. Psycholoog P., die werkzaam is in het provinciaal universitair centrum «La Clairière», en die M. ook gevolgd heeft, heeft er eveneens op gewezen dat laatstgenoemde de banden met zijn moeder wilde verbreken. M. heeft overigens in de opnameovereenkomst tussen M. en eenheid 2 van La Clairière onder de rubriek «mijn doelstellingen en/of wijzigingen tegenover het leven dat ik nu leid» schriftelijk vermeld: «(definitief) geen contact met mijn moeder te willen» (opnameovereenkomst van 4 februari 2009), «elk contact met mijn moeder te verbreken» (opnameovereenkomst van 9 maart 2009), «heeft elk contact met zijn moeder verbroken (vorige doelstelling)» (overeenkomst van 29 september 2009 [...]. M. verklaarde in de opnameovereenkomst van 4 februari 2009 duidelijk onder de rubriek «mijn vragen aan de dienst», «hulp van de ploeg te krijgen, zodat zij (mijn moeder) mij uiteindelijk met rust laat» [...]. M. heeft dus duidelijk de wens geuit dat het medisch korps de buffer zou zijn tussen hem en zijn moeder.»

Het arrest kon met die overwegingen naar recht beslissen «dat M. meermaals, mondeling en schriftelijk de wil heeft uitgedrukt elke relatie met zijn moeder definitief te verbreken, hij die doelstelling uiteindelijk bereikt heeft en aldus op ondubbelzinnige wijze zijn uitdrukkelijke wil heeft geuit zich te verzetten tegen elke inmenging van zijn moeder in zijn persoonlijke levenssfeer en tegen elke toegang van laatstgenoemde tot zijn persoonlijke gegevens, zelfs na zijn overlijden».

Het middel kan niet worden aangenomen.

Noot: 

• L. Huybrechts, “Aspecten van het beroepsgeheim” in Strafrecht en strafprocesrecht, XXXIIe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva 2005-06, Mechelen, Kluwer, 2006, (233), p. 250, nr. 42 en de verwijzingen in voetnoot 82.

• Cass. 22 mei 2012, AR P.11.1936.N, Arr.Cass. 2012, 1353, conclusie eerste advocaat-generaal M. De Swaef

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 27/11/2017 - 13:32
Laatst aangepast op: ma, 27/11/2017 - 13:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.