-A +A

Geen aanslag of dwangbevel na de afsluiting van de vereffening of na de fusie of splitsing

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 27/06/2017
A.R.: 
2015/AR/2497)
Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/19
Pagina: 
1485
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(P.C. / Belgische Staat - Rolnr.: 2015/AR/2497)

(…)

1. De feiten
Huidige betwisting heeft betrekking op een btw-navordering bij dwangbevel, Reg. 127/12718, R.C.I.V. nr. 404/1109/37841, met betrekking tot de periode van 20 februari 2002 tot 5 juni 2003 voor een bedrag van 221.060,32 EUR in hoofdsom, meer geldboete ten bedrage van 442.120 EUR en interesten in toepassing van artikel 91, § 1 WBTW.

Bij buitengewone algemene vergadering van 23 december 2003 werd beslist tot de ontbinding van de NV X. Eiser in hoger beroep werd aangesteld als vereffenaar. De vereffening werd afgesloten bij beslissing van de algemene vergadering d.d. 1 maart 2004.

Op 9 november 2004 werd een proces-verbaal opgesteld door de BTW-administratie ten laste van X waarbij werd meegedeeld dat inzage was bekomen van een strafdossier met notitienummer X waaruit was gebleken dat een circuit van valse facturen was opgezet teneinde in hoofde van de afnemers, waaronder X, onterecht btw terug te vorderen. Tijdens de btw-controle op 8 september 2004 had eiser in hoger beroep de valsheid van de betrokken facturen erkend. De btw aangerekend in de valse facturen werd dan ook ten onrechte in aftrek gebracht en zulks voor een bedrag van 221.060,32 EUR. Tevens zou een boete van 200% verschuldigd zijn omdat de overtredingen werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiking of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Op 23 november 2004 werd een dwangbevel Reg. 127/12718, R.C.I.V. nr. 404/1109/37841 uitgevaardigd lastens “X, in vereffening, X”, waarbij de ten onrechte in aftrek gebrachte btw, boete en interesten werden nagevorderd. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijk directeur a.i. van de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen op 29 november 2004 en bij aangetekend schrijven d.d. 3 december 2004 ter kennis gebracht van “NV X in vereffening P/A X (vereffenaar), X”.

(…)

4. Bespreking
Het bestreden dwangbevel werd in casu uitgevaardigd na de sluiting van de vereffening van X bij beslissing van de algemene vergadering d.d. 1 maart 2004, lastens “NV X in vereffening”. NV X werd daarbij aangeduid als schuldenaar van de belasting en boete, meer interesten. De kennisgeving van het dwangbevel gebeurde enerzijds aan de NV X op het adres van haar maatschappelijke zetel en anderzijds aan “NV X in vereffening P/A X”. Eiser in hoger beroep is van oordeel dat het dwangbevel aldus werd uitgevaardigd lastens en ter kennis werd gebracht van een onbestaande rechtspersoon, waardoor het dwangbevel nietig is.

Artikel 85 WBTW bepaalt dat bij gebreke van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren een dwangbevel wordt uitgevaardigd door de met invordering belaste ambtenaar. De kennisgeving van het dwangbevel gebeurt bij een ter post aangetekende brief. Het dwangbevel geldt als taxatietitel, waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebreke van spontane betaling van de verschuldigde belasting, doch eveneens als uitvoerbare titel, nodig voor de invordering van de fiscale schuld. Het betreft de eerste vervolgingsakte waarin melding wordt gemaakt van de identiteit van de vervolgende schuldeiser en van de schuldenaar van de belasting, waarbij opgave wordt gedaan van voorwerp en oorzaak van de belastingschuld (H. Vandebergh (ed.), BTW-Handboek, Gent, Larcier, 2014, nrs. 3008 en 3011).

Er wordt niet bepaald bij wet wie als schuldenaar van de belasting dient te worden aangemerkt indien de vereffening van de belastingplichtige vennootschap is afgesloten, zodat ter zake dient te worden teruggegrepen naar het gemeen recht, in casu het Wetboek Vennootschappen.

Ingevolge artikel 183, § 1 W.Venn. wordt een vennootschap na ontbinding geacht voort te bestaan voor haar vereffening. Zij behoudt derhalve haar rechtspersoonlijkheid. De sluiting van de vereffening van een vennootschap overeenkomstig de artikelen 194 en 195 W.Venn., maakt in beginsel een einde aan het bestaan en de rechtspersoonlijkheid van die vennootschap (Cass. 14 februari 2012, AR P.11.1181.N). Zij verdwijnt als afzonderlijk rechtssubject, zonder vermogen, organen of maatschappelijke zetel (cf. ook C. Hotterbeeckx, “Kan een vennootschap zich na de sluiting van haar vereffening nog verder verweren tegen de fiscus?”, TFR 2009, afl. 370, 890, nr. 3; C. Clottens, “Het lot van lopende gerechtelijke procedures na afsluiting van de vereffening van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid”, TRV 2010, 157-158; C. Berckmans, De vereffeningsprocedure, Mechelen, Kluwer, 2014, nr. 863 en J. Lambrechts, De vereffening van de BVBA en de NV, Mechelen, Kluwer, 2012, RNPS, 216).

Een vereffende vennootschap leidt echter nog een passief voortbestaan in de persoon van de vereffenaar. Overeenkomstig artikel 198, § 1, derde streepje W.Venn. kan een schuldeiser van de vennootschap immers nog gedurende een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de bekendmaking van de beslissing tot sluiting van de vereffening een vordering instellen tegen “de vereffenaar als zodanig”. Het betreft een fictie die het de schuldeisers mogelijk maakt om alsnog hun rechten te doen gelden tegen een vereffende vennootschap en zulks middels een vordering ingesteld tegen de vereffenaar. Het betreft een passief voortbestaan van de vennootschap die tevens omschreven wordt als “passieve rechtspersoonlijkheid” alhoewel, zoals hiervoor toegelicht, de sluiting van de vereffening in beginsel een einde maakt aan de rechtspersoonlijkheid van de vennootschap.

Uit artikel 198, § 1, derde streepje W.Venn. volgt dat de vennootschap enkel nog kan worden aangesproken middels een vordering tegen “de vereffenaar als zodanig”, zijnde de vereffenaar qualitate qua, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de vereffende vennootschap. De tekst van de wet is ter zake duidelijk en behoeft geen nadere duiding. Na de sluiting van de vereffening houdt het actief bestaan van de vennootschap op en is zij vanaf dat ogenblik nog enkel aanspreekbaar als passieve rechtspersoon in de persoon en in de woonplaats van haar vereffenaar (cf. Gent 13 december 1988, FJF, No. 1989/251). De vereffenaar wordt derhalve overeenkomstig artikel 198, § 1, derde streepje W.Venn. de schuldenaar van de belasting na de sluiting van de vereffening van de belastingplichtige vennootschap.

Het hof stelt vast dat het dwangbevel in casu werd uitgevaardigd op naam van de NV X in vereffening op het adres van haar maatschappelijke zetel. De vordering van de administratie, door uitvaardiging van het dwangbevel, is derhalve niet gericht tegen de vereffenaar als zodanig. De vaststelling dat het dwangbevel, uitgevaardigd lastens NV X in vereffening, vervolgens ter kennis werd gebracht aan de NV X in vereffening P/A X doet geen afbreuk aan de vaststelling dat het dwangbevel werd uitgevaardigd lastens een rechtspersoon die in beginsel niet meer bestaat. Bovendien werd de kennisgeving niet gedaan aan het adres van de vereffenaar, doch op de maatschappelijke zetel van de vereffende vennootschap en op het adres van een derde. Uit de kennisgeving van het dwangbevel “P/A” kan dan ook niet worden afgeleid dat het dwangbevel werd uitgevaardigd lastens “de vereffenaar als zodanig”.

Dat de btw-schuld betrekking heeft op handelingen die door de vennootschap voor haar vereffening werden gesteld, rechtvaardigt niet de uitvaardiging van het dwangbevel lastens de vennootschap na afsluiting van de vereffening. De bevoegdheid om te handelen door middel van een dwangbevel bestaat immers alleen tegenover de wettelijke schuldenaar van de btw (H. Vandebergh, BTW-Handboek, Gent, Larcier, 2014, nrs. 3008, 3010 en 3011). Na de afsluiting van de vereffening is slechts de vereffenaar als zodanig, in toepassing van artikel 198, § 1, derde streepje W.Venn., de wettelijke schuldenaar van de belasting, aangezien de vennootschap, gelet op het verlies van haar rechtspersoonlijkheid, niet meer bestaat. Het dwangbevel diende dan ook, om rechtsgeldig te zijn, te worden uitgevaardigd lastens de vereffenaar qualitate qua, als vertegenwoordiger van de vereffende vennootschap.

Het gaat daarbij niet om een materiële vergissing in de identificatie van de schuldenaar van de belasting in het bijzonder nu dient te worden vastgesteld dat het dwangbevel ook niet werd verzonden naar het adres van de vereffenaar maar naar de maatschappelijke zetel en naar het adres van een derde (vgl. Gent 13 december 1988, FJF, No. 1989/251 en C. Hotterbeeckx, “Kan een vennootschap zich na de sluiting van haar vereffening nog verder verweren tegen de fiscus?”, TFR 2009, afl. 370, 890, nr. 11). Het gaat dan ook geenszins om een slechte identificatie doch om een foutieve identificatie die de nietigheid van het dwangbevel met zich meebrengt aangezien een verkeerde schuldenaar van de belasting wordt aangeduid.

Belangenschade dient daarbij niet te worden aangetoond aangezien het dwangbevel een administratieve rechtshandeling is en geen proceshandeling waarop de artikelen 860 Ger.W. en volgende van toepassing zijn (Cass. 3 maart 2011, AR F.10.0039.F). Ook de vaststelling dat het normdoel zou zijn bereikt, doet geen afbreuk aan de vastgestelde nietigheid van het dwangbevel.

Aangezien het dwangbevel derhalve niet werd uitgevaardigd lastens de vereffenaar als zodanig, doch lastens de NV X in vereffening, die door de sluiting van de vereffening geen rechtspersoonlijkheid meer bezat en derhalve was opgehouden te bestaan, is het dwangbevel nietig.

Het bestreden vonnis dient te worden hervormd.

(…)

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 25/12/2017 - 12:25
Laatst aangepast op: ma, 25/12/2017 - 12:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.