-A +A

Gedwongen tussenkomst na aanstelling deskundige

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Hasselt
Datum van de uitspraak: 
vri, 08/11/2013

Artikel 812 Ger.W. bepaalt:

“Tussenkomst kan geschieden voor alle gerechten, ongeacht de vorm van de rechtspleging, zonder dat echter reeds bevolen onderzoeksverrichtingen afbreuk mogen doen aan de rechten van de verdediging (…)”

Artikel 981 Ger.W. bepaalt:

“Het deskundigenonderzoek kan niet tegengeworpen worden aan de partij die gedwongen tussenkomt nadat de deskundige zijn voorlopig advies heeft verstuurd, tenzij zij van het middel van de niet-tegenwerpbaarheid afziet.

De derde die tussenkomt kan niet eisen dat reeds gedane werkzaamheden in zijn bijzijn worden overgedaan, tenzij hij aantoont daar belang bij te hebben.”

Deze bepalingen beogen de rechten van verdediging te vrijwaren van derden die in de loop van het geding, nadat een deskundig onderzoek werd bevolen, in gedwongen tussenkomst zouden worden gedagvaard.

Zij moeten zo worden gelezen dat, wanneer de dagvaarding tot gedwongen tussenkomst plaatsvindt na een besluit tot expertise, het criterium van de schending van de rechten van verdediging moet worden gehanteerd en getoetst aan de hand van de vraag of en in welke mate de deskundige al handelingen heeft verricht die een negatieve invloed kunnen hebben op de juridische toestand van de partij die in gedwongen tussenkomst wordt geroepen.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/11
Pagina: 
771
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(R.B. BVBA / E. NV (vennootschap naar buitenlands recht))

VOLGT HET VONNIS:

Feiten en voorgaanden
(…)

Beoordeling
(…)

2.

E. beroept zich ten gronde op de artikelen 812 en 981 Ger.W., stellend dat zij niet meer in gedwongen tussenkomst kan worden gedagvaard na mededeling van het voorverslag van de gerechtsdeskundige en dat, indien dat toch zou gebeuren, de vordering in gedwongen tussenkomst onontvankelijk moet worden verklaard.

Artikel 812 Ger.W. bepaalt:

“Tussenkomst kan geschieden voor alle gerechten, ongeacht de vorm van de rechtspleging, zonder dat echter reeds bevolen onderzoeksverrichtingen afbreuk mogen doen aan de rechten van de verdediging (…)”

Artikel 981 Ger.W. bepaalt:

“Het deskundigenonderzoek kan niet tegengeworpen worden aan de partij die gedwongen tussenkomt nadat de deskundige zijn voorlopig advies heeft verstuurd, tenzij zij van het middel van de niet-tegenwerpbaarheid afziet.

De derde die tussenkomt kan niet eisen dat reeds gedane werkzaamheden in zijn bijzijn worden overgedaan, tenzij hij aantoont daar belang bij te hebben.”

Deze bepalingen beogen de rechten van verdediging te vrijwaren van derden die in de loop van het geding, nadat een deskundig onderzoek werd bevolen, in gedwongen tussenkomst zouden worden gedagvaard.

Zij moeten zo worden gelezen dat, wanneer de dagvaarding tot gedwongen tussenkomst plaatsvindt na een besluit tot expertise, het criterium van de schending van de rechten van verdediging moet worden gehanteerd en getoetst aan de hand van de vraag of en in welke mate de deskundige al handelingen heeft verricht die een negatieve invloed kunnen hebben op de juridische toestand van de partij die in gedwongen tussenkomst wordt geroepen.

In deze dient desbetreffend te worden vastgesteld dat E. er zich toe beperkt aan te voeren dat de tussenkomst niet toegelaten mag worden op grond van hoger genoemde wetsartikelen, zonder ook maar op enigerlei wijze aannemelijk te maken dat haar verdedigingsrechten werden geschonden, terwijl uit de door BVBA R.B. overgelegde stukken, meer bepaald het voorlopig verslag van deskundige V. (stuk 2 bundel BVBA R.B.), kan worden afgeleid dat:

de verzekerde van E., BVBA V.E., van bij de eerste verrichtingen van het deskundig onderzoek werd bijgestaan door dezelfde raadsman als de huidige raadsman van E., nl. Mr. J. Nolmans (of één van zijn medewerkende confraters);
de verzekerde van E. van bij aanvang van het deskundig onderzoek en op elke bijeenkomst werd bijgestaan door één of meerdere technische raadslieden, m.n, A.M., B.M. en/of V.;
dhr. M., technisch raadsman van de verzekerde van E., op de vergadering van 3 januari 2013 ten overstaan van de deskundige verklaard heeft “als technisch raadgever van de verzekering” geen advies te kunnen geven aan eisende partij over de verzekerbaarheid van de herstelwerken die zouden moeten worden uitgevoerd om aan het gestelde probleem te verhelpen;
de deskundige alsook de overige procespartijen tijdens de reeds uitgevoerde bewerkingen van het deskundig onderzoek de aanwezigheid van hoger vernoemde technisch raadslieden M. en/of V. hebben begrepen als aanwezigheid van de verzekeraar van BVBA V.E., verzekerde van E.;
de raadsman van BVBA B.G.E. op de vergadering van 3 december 2012 immers verklaarde: “Nu men aan tafel zit met de verzekering van partij V.E. (…)”;
de heer C. namens eisende partij op de vergadering van 3 januari 2013 immers verklaarde: “Bij deze willen wij dan ook vragen aan partij V.E. en in het bijzonder aan dhr. M. vermits hij optreedt als technisch raadgever voor de verzekering (…)”;
de technische vertegenwoordigers van E. noch haar raadsman, zijnde dezelfde raadsman als deze van de verzekerde van E., op enig ogenblik tijdens de expertisewerkzaamheden, zoals deze blijken uit het door BVBA R.B. overgelegd voorlopig verslag, ontkend of betwist hebben op te treden namens of voor rekening van E. zelf;
het voorlopig verslag vermeldt dat het aan “partijen en raadslieden” werd meegedeeld met verzoek op deze basis een minnelijke regeling te overwegen dan wel eventuele opmerkingen mee te delen;
E. nergens aanvoert dat zij als in de persoon van haar technisch vertegenwoordigers vrijwillig aan het deskundig onderzoek deelnemende partij niet in de gelegenheid zou zijn gesteld om haar standpunten te doen gelden dan wel opmerkingen op de voorlopige besluiten van de deskundige te formuleren.
Uit hoger vermelde elementen kan met voldoende zekerheid worden afgeleid dat E. als verzekeraar van BVBA V.E. de leiding van het geding heeft genomen tijdens de expertisewerkzaamheden, dat E. vrijwillig heeft deelgenomen aan alle bij vonnis van 27 juni 2012 bevolen werkzaamheden van het deskundig onderzoek alsook de E. ten volle en zonder concreet voorbehoud te formuleren voor haar eigen belangen en deze van haar verzekerde is opgekomen en haar verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen.

Nu de rechten van verdediging E. in die omstandigheden niet werden geschonden kan E. zich niet beroepen op de artikelen 812 en/of 981 Ger.W. om de eis in tussenkomst onontvankelijk en/of ongegrond te horen verklaren en/of de niet-tegenwerpelijkheid van het deskundig onderzoek in te roepen.

(…)

BESLISSING:

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak:

Verklaart de eis in gedwongen tussenkomst van BVBA R.B. opzichtens E. ontvankelijk en thans in volgende mate gegrond.

Veroordeelt E. tot gedwongen tussenkomst met tegenwerping van de onderzoeksverrichtingen van de deskundige.

Houdt de uitspraak over de kosten aan.

In het vonnis werd berust.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 06/07/2017 - 16:43
Laatst aangepast op: do, 06/07/2017 - 16:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.