-A +A

Gedwongen tussenkomst in beroep nadat een deskundigenonderzoek werd bevolen is niet onontvankelijk

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 23/05/2016

Uit de in hun onderlinge samenhang gelezen artt. 812 en 981 Ger.W. blijkt dat de eis in gedwongen tussenkomst nadat een deskundigenonderzoek werd bevolen, niet onontvankelijk is.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1112
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BVBA De B. t/ NV C., BVBA M.D. en CVBA A.D.

1. Feitenrelaas

BVBA De B. (appellante, hierna «De B.» genoemd) heeft in 2008-2009 renovatiewerken laten uitvoeren aan haar pand, gelegen in (...). Hierbij zijn BVBA M.D. (tweede geïntimeerde, «M.D.» genoemd en CVBA A.D. (derde geïntimeerde, hierna «A.D.» genoemd) als architecten opgetreden.

De aannemingswerken voor de ventilatie werden aan NV C. (eerste geïntimeerde, hierna «C.» genoemd) toevertrouwd.

2. Voorafgaande rechtspleging

Oorspronkelijk waren enkel De B., M.D., A.D., J.-P. C., NV Bouwbedrijf K.H. en BVBA P.E. in deze procedure betrokken.

Bij tussenvonnis van 12 september 2012 werd een deskundigenonderzoek bevolen en werd architect J.V. als gerechtsdeskundige aangesteld.

Op 5 november 2013 legde de gerechtsdeskundige zijn voorverslag neer ter griffie van de eerste rechter. Hierin besloot de gerechtsdeskundige onder andere dat de ventilatiewerken gebrekkig zouden zijn uitgevoerd door C.

Daaropvolgend daagde De B., C. op 5 december 2013 in tussenkomst.

In het bestreden tussenvonnis van 14 mei 2014 werd de eis in tussenkomst ontvankelijk en gegrond verklaard. Het bij tussenvonnis van 12 september 2012 bevolen deskundigenonderzoek werd aan C. gemeen verklaard, onder voorbehoud van al haar rechten ten gronde. (...)

De eerste rechter oordeelde dat art. 981 Ger.W. niet van toepassing was in dit geschil, omdat afdoende bleek dat de gerechtsdeskundige zijn voorverslag vóór 5 december 2013 aan de procespartijen had bezorgd.

3. Eisen in hoger beroep

De B. heeft hoger beroep ingesteld om het bestreden vonnis te horen hervormen, een deskundigenonderzoek m.b.t. de ventilatie te horen bevelen waarbij een andere deskundige dan architect V. zou worden aangesteld en C., M.D. en A.D. te horen veroordelen tot betaling van 1 euro provisioneel (...).

C. heeft incidenteel hoger beroep ingesteld om het bestreden vonnis te horen hervormen, de eis in tussenkomst onontvankelijk of minstens ongegrond te horen verklaren (...).

M.D. en A.D. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld om het bestreden vonnis te horen hervormen, de eis in tussenkomst onontvankelijk of minstens ongegrond te horen verklaren en De B. te horen veroordelen tot betaling van 1 euro provisioneel (...).

4. Beoordeling

...

4.2. Over de gegrondheid van het hoger beroep en van de incidentele hogere beroepen

Partijen werden ter terechtzitting van 11 april 2016 door het hof uitgenodigd en in de gelegenheid gesteld om standpunt in te nemen over de ontvankelijkheid van de eis in tussenkomst. De zaak werd te dien einde in voortzetting gesteld op de terechtzitting van 2 mei 2016 om partijen in de gelegenheid te stellen hierover conclusies uit te wisselen.

Uit de in hun onderlinge samenhang gelezen artt. 812 en 981 Ger.W. blijkt dat de eis in gedwongen tussenkomst nadat een deskundigenonderzoek werd bevolen, niet onontvankelijk is indien geen afbreuk wordt gedaan aan het recht van verdediging van de partij die in gedwongen tussenkomst wordt gedaagd (in deze zin: Cass. 30 januari 2015, RW 2015-16, 592, noot T. Toremans, «De gedwongen tussenkomst vóór en na het «voorlopig advies» van de gerechtsdeskundige: toelaatbaarheid van de tussenkomst (art. 812, eerste lid Ger.W.) en tegenwerpbaarheid van het deskundigenonderzoek (art. 981, eerste lid Ger.W.)», P&B 2015, 147, noot D. Mougenot, «Recevabilité de l’intervention forcée en cours d’expertise: la Cour de Cassation fait progresser le débat»).

De eerste rechter heeft ten onrechte geoordeeld dat art. 981 Ger.W. niet van toepassing was op dit geschil, terwijl deze wetsbepaling nu juist gemaakt is voor deze processituatie. Door de eis in tussenkomst ontvankelijk te verklaren en de vaststellingen en besluiten van de gerechtsdeskundige zonder meer gemeen te verklaren aan C., terwijl aan C. enkel voorbehoud werd verleend om haar verweer te voeren in het debat ten gronde, heeft de eerste rechter niet alleen art. 981 Ger.W. geschonden, maar ook het recht van verdediging van C.

Krachtens art. 981 Ger.W. had C. het recht om het deskundigenonderzoek aan haar niet-tegenwerpbaar te horen verklaren en in ieder geval belang om de werkzaamheden van de expertise in haar bijzijn te laten overdoen, ook al deed zij geen afstand van de voormelde exceptie van niet-tegenwerpbaarheid. Eventueel zou er onder bepaalde omstandigheden ook aanleiding zijn geweest tot het bevelen van een nieuwe expertise met een andere gerechtsdeskundige.

Ingevolge art. 1068, eerste lid Ger.W. is het geschil thans definitief in hoger beroep aanhangig gemaakt. Hoewel er geen principieel recht op een dubbele aanleg bestaat, zou de ontvankelijkheidsverklaring van de eis in tussenkomst in hoger beroep, gevolgd door een correcte toepassing van art. 981 Ger.W. of het bevelen van een nieuwe expertise met een andere deskundige, C. van een aanleg beroven, wat in de concrete omstandigheden van dit geschil ook een onherroepelijke aantasting van haar recht van verdediging zou inhouden. Bovendien kan wegens het grote tijdsverloop sinds de voltooiing van de werken en de ingebruikname van deze werken niet zonder meer beweerd worden dat alle technische vaststellingen nuttig kunnen worden overgedaan.

De eis in tussenkomst van C. is onontvankelijk. Het hoger beroep is ongegrond en de incidentele hogere beroepen zijn in de voormelde mate gegrond.

Uit geen enkel element blijkt dat De B. tergend of roekeloos zou hebben geprocedeerd, zodat het incidenteel hoger beroep van M.D. en A.D. op dit punt ongegrond is.

Ten aanzien van C. is dit arrest een eindarrest.

Ten aanzien van De B., M.D. en A.D. dienen partijen in de gelegenheid te worden gesteld om standpunt in te nemen over het samenspel van het beschikkingsbeginsel en van de devolutieve werking van het hoger beroep. De devolutieve werking van het hoger beroep heeft immers tot gevolg dat het geschil in zijn geheel voor de appelrechter wordt gebracht, met inbegrip van de geschilpunten waarover de eerste rechter nog niet heeft geoordeeld. Voorts houdt het beschikkingsbeginsel in dat partijen door hun hoger beroep in incidentele hogere beroepen de grenzen van het geschil in hoger beroep bepalen.

...

Noot: 

Een vrijwillige tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling kan niet voor de eerste maal in hoger beroep plaatsvinden en is bijgevolg niet ontvankelijk zie

• Rechtbank eerste aanleg Turnhout 10/11/2014, RW 2015-2016, 233:

E.V. e.a. t/ J.D.V. e.a.

1. Feiten en procedurele antecedenten

...

Wijlen H.B. was 87 jaar oud en verbleef in het woonzorgcentrum (...).

De aanleggers in derdenverzet zijn zusters, neven en nichten van wijlen H.B.

Eerste geïntimeerde is de zoon van een vooroverleden zus van wijlen H.B. Tweede geïntimeerde is de echtgenote van eerste geïntimeerde.

De vrijwillig tussenkomende partij is een zus van wijlen H.B.

Eerste en tweede geïntimeerden vroegen voor de Vrederechter te Westerlo de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder over wijlen H.B.

De Vrederechter heeft wijlen H.B. bezocht in het verzorgingstehuis en vervolgens mr. N.V. aangesteld als voorlopige bewindvoerder.

De appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. Zij tekenden eveneens derdenverzet aan tegen kwestieuze beschikking.

Bij vonnis van de Vrederechter te Westerlo van 12 november 2012 werd de zaak verzonden naar deze rechtbank.

Bij tussenvonnis van deze rechtbank, deze kamer van 14 januari 2013 werd het hoger beroep van aanleggers in derdenverzet onontvankelijk verklaard en werd het derdenverzet ontvankelijk verklaard.

Inmiddels is wijlen H.R. overleden op 19 januari 2013.

Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 22 oktober 2013, is mevrouw M.B. vrijwillig tussengekomen in de procedure.

Aanleggers in derdenverzet vorderen, het vonnis van 14 januari 2013 verder uitwerkend:

– voor recht vast te stellen dat ingevolge het overlijden van H.B. op 19 januari 2013 het voorlopig bewind van rechtswege een einde genomen heeft krachtens art. 488bis, d), derde lid BW;

– bijgevolg de beschikking van de Vrederechter te Westerlo van 6 september 2012 teniet te doen;

– te zeggen voor recht dat de vrijwillige tussenkomst van M.B. ontoelaatbaar, onontvankelijk minstens ongegrond dient te worden verklaard.

Eerste en tweede geïntimeerden alsook de vrijwillig tussenkomende partij vorderen in hun laatste conclusies:

– te zeggen voor recht dat de vordering bij derdenverzet van appellanten / eisende partijen op derdenverzet uitgedoofd is ingevolge het overlijden van de beschermde persoon H.B.

– bijgevolg de vordering op derdenverzet van appellanten/eisende partijen op derdenverzet hetzij onontvankelijk hetzij ongegrond te verklaren;

– de beschikking van de Vrederechter te Westerlo van 6 september 2012 integraal te bevestigen.

2. In rechte

M.b.t. de ontvankelijkheid

Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep werd reeds gestatueerd in het tussenvonnis van deze rechtbanken deze kamer van 14 januari 2014.

Thans dient nog beslist te worden over de ontvankelijkheid van de vrijwillige tussenkomst bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 22 oktober 2013.

De vrijwillig tussenkomende partij vraagt in haar laatste conclusies om aanleggers op derdenverzet te veroordelen tot de kosten van het geding; haar tussenkomst is dus een agressieve vrijwillige tussenkomst.

Tussenkomsten tot het verkrijgen van een veroordeling kunnen niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep (art. 812, tweede lid Ger.W.). Dit verbod is een wettelijke bevestiging van het beginsel van de dubbele aanleg (K. Broeckx, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, p. 313, nr. 693). De vrijwillige tussenkomst dient dan ook onontvankelijk te worden verklaard.

Ten gronde

Wijlen H.B. is overleden op 19 januari 2013. Derhalve neemt het voorlopig bewind over H.B. van rechtswege een einde ingevolge het vroegere art. 488bis, d), derde lid in fine BW, dat in de huidige procedure nog van toepassing is.

Deze rechtbank kan dus alleen maar vaststellen dat aan het voorlopig bewind van rechtswege een einde is gekomen en kan zich niet uitspreken over de aanstelling van het voorlopig bewind op zich.

De vraag tot opheffing van dit voorlopig bewind moet dus niet meer ten gronde beoordeeld worden.

...

Het derdenverzet is door het overlijden van wijlen H.B. uitgedoofd, nu de ratio van het beschermingsstatuut is komen te vervallen.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 07/03/2018 - 21:02
Laatst aangepast op: wo, 07/03/2018 - 21:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.