-A +A

Gedeeltelijk betaald onderhoudsgeld is niet fiscaal aftrekbaar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 07/02/2017

Wanneer onderhoudsgelden niet vrijwillig betaald worden maar geïnd worden via beslag onder derden, waarbij de alimentatie gedeeltelijk wordt gerecupereerd, is de onderhoudsgerechtigde hierop geen belasting verschuldigd omdat de ontvangen bedragen niet regelmatig worden gestort. Dit is het fiscaal element van regelmatigheid teneinde te voldoen aan het fiscaal begrip oderhoudsgeld

Publicatie
tijdschrift: 
T. Fam
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/8
Pagina: 
201
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

( ... )

1. Voorafgaande feiten en procedure 1.1. Voorwerp van de betwisting

De betwisting heeft betrekking op de aanslag in de personenbelasting voor aanslagjaar 2010, kohierartikel 623365918, voor een te betalen bedrag van 5.970,60 euro.

1.2. Feiten en voorgaande

Eiseres in hoger beroep en de heer B.J. huwden op 19 mei 1981 en hebben twee kinderen geboren respectievelijk in 1981 en 1987. Bij vonnis dd. 29 maart 1999 werd de echtscheiding ten laste van de heer B.J. uitgesproken.

Bij beschikkingen dd. 03/12/1992 en 05/06/1996 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen werd de heer B.J. veroordeeld tot betaling van een onderhoudsgeld van 25.000 BEF (619,73 euro) voor eiseres in hoger beroep en 10.000 BEF (247,89 euro) voor elk van beide kinderen.

Bij vonnis dd. 11/09/1995 van de correctionele rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen werd de heer B.J. veroordeeld wegens familieverlating.

Op 01/09/1999 legde eiseres in hoger beroep een verzoekschrift neer ter griffie van het vredegerecht van het 5de kanton Antwerpen teneinde een uitkering na echtscheiding te verkrijgen op grond van art. 301 BW, alsmede tot verhoging van de onderhoudsbijdragen voor beide kinderen.

Bij tegensprekelijk vonnis van 22/09/2008 werd de gewezen echtgenoot van eiseres in hoger beroep veroordeeld tot betaling van de hierna vermelde maandelijkse onderhoudsuitkeringen die jaarlijks gekoppeld werden aan de index van de gezondheidsindex namelijk:

- voor haarzelf: 850 euro vanaf 01/09/1999;

- voor de zoon P.: 400 euro vanaf 01/09/1999 tot en met 30 juni 2004 (vanaf 1 juli 2004 werd deze onderhoudsuitkering afgeschaft);

- voor de zoon J.: 300 euro vanaf 01/09/1999 tot en met 31 januari 2005 en 400 euro vanaf 01/02/2005.

Rekening houdende met de index der consumptieprijzen werd door het vonnis van 22/09/2008 de onderhoudsbijdrage voor eiseres in hoger beroep verhoogd van 701,71 euro naar 850 euro.

Na voormeld vonnis betaalde de heer B.J. enkel de onderhoudsbijdragen voor de kinderen. Voor de periode vanaf september 1999 tot en met november 2008 werd door de heer B.J. alzo een bedrag betaald van 61.275,39 euro. De heer B.J. weigerde het onderhoudsgeld voor eiseres in hoger beroep te betalen.

De heer B.J. tekende beroep aan tegen alle beschikkingen van voormeld vonnis van 22/09/2008. Dit hoger beroep werd bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 19/10/2009 ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

Bij vonnis van de vrederechter van het zevende kanton te Antwerpen van 19/10/2010 werd het verzoek van de heer B.J. om het persoonlijk onderhoudsgeld af te schaffen en de onderhoudsbijdragen voor de jongste zoon te verminderen, afgewezen. Tegen dit vonnis werd door de gewezen echtgenoot hoger beroep ingesteld dat bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van 27/10/2011 ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard.

Het vonnis van het vredegerecht van het zesde kanton van 22/09/2008 werd op verzoek van eiseres in hoger beroep betekend aan de heer B.J. met bevel tot betaling. De heer B.J. werd verzocht om onmiddellijk aan eiseres in hoger beroep, in handen van de gerechtsdeurwaarder, de achterstallige onderhoudsgelden voor de periode van 01/09/1999 tot en met 01/12/2008 voor een totaal verschuldigd bedrag van 112.543,67 euro te betalen, te vermeerderen met een onderhoudsbijdrage van 1.465,61 euro per maand vanaf 01/01/2009. Hierop kwam geen reactie.

Aangezien de gewezen echtgenoot in gebreke bleef het bedrag aan voornoemde onderhoudsuitkering verschuldigd aan eiseres in hoger beroep vrijwillig te betalen, werd op verzoek van eiseres in hoger beroep op 23 december 2008 uitvoerend beslag onder derden gelegd in handen van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid en in handen van de Socialistische Mutualiteit de Voorzorg om de betaling te bekomen van 112.804,74 euro voor achterstallen aan onderhoudsuitkeringen en kosten.

In het exploot van 23 december 2008 tot uitvoerend beslag onder derden werden de derde-beslagene, zijnde de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid en de Socialistische Mutualiteit De Voorzorg,

- formeel verboden om zich te ontdoen van de voorwerpen of de sommen waarop het beslag slaat en om te betalen in andere handen dan die van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder;

- aangemaand om verder maandelijks rechtstreeks aan eiseres in hoger beroep te betalen de som van 1.037,63 euro (onderhoudsuitkering voor eiseres in hoger beroep) en van 427,98 euro (onderhoudsuitkering zoon J.).

Ingevolge het uitvoerend beslag onder derden werd door de derde-beslagenen aan de instrumenterende gerechtsdeurwaarder als volgt gesteld, namelijk:

- op 27 januari 2009: de maandelijkse uitkering van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid voor de gewezen echtgenoot van eiseres in hoger beroep bedroeg 458,27 euro en was aldus onvoldoende om zelfs nog maar de lopende onderhoudsuitkeringen, zijnde 1.037,63 euro (onderhoudsuitkering eiseres in hoger beroep) en 427,98 euro (onderhoudsuitkering voor zoon J.), te betalen en dit bedrag van 458,27 euro zou dan ook maandelijks aan eiseres in hoger beroep overgemaakt worden;

- op 24 februari 2009: de maandelijkse uitkering van de Socialistische Mutualiteit De Voorzorg voor de gewezen echtgenoot van eiseres in hoger beroep bedroeg 1.219,14 euro en was aldus onvoldoende om de maandelijkse onderhoudsuitkeringen, zijnde 1.037,63 euro (onderhoudsuitkering eiseres in hoger beroep) en 427,98 euro (onderhoudsuitkering voor zoon J.), te betalen en dit bedrag van 1.219,14 euro zou dan ook maandelijks aan eiseres in hoger beroep overgemaakt worden.

In uitvoering van voornoemd uitvoerend beslag onder derden betaalde:

- de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid in het jaar 2009 vanaf 26 februari 2009 maandelijks de aan de gewezen echtgenoot van eiseres in hoger beroep verschuldigde uitkering rechtstreeks aan haar, zijnde 4.696,58 euro;

- de Socialistische Mutualiteit De Voorzorg in het jaar 2009 vanaf 27 februari 2009 maandelijks de aan de gewezen echtgenoot van eiseres in hoger beroep verschuldigde uitkering rechtstreeks aan eiseres in hoger beroep, zijnde 13.669,98 euro.

In het jaar 2009 werd in totaal 18.366,56 euro onderhoudsuitkeringen voor haar en voor haar zoon rechtstreeks aan eiseres in hoger beroep betaald.

Eiseres in hoger beroep diende een tijdige aangifte in de personenbelasting in voor aanslagjaar 2010.

De aanslag werd aanvankelijk gevestigd conform de aangifte (kohierartikel 705380564).

Bij bericht van wijziging van 06/09/2012 deelde de belastingadministratie aan eiseres in hoger beroep mee de inkomsten en andere gegevens te moeten wijzigen die eiseres in hoger beroep in haar aangifte voor aanslagjaar 2010 had vermeld of schriftelijk had erkend.

De belastingadministratie stelde dat volgens inlichtingen in haar bezit eiseres in hoger beroep had nagelaten om het in 2009 ontvangen bedrag (13.669,98 euro) aan onderhoudsgeld van de heer B.J. te vermelden. Er werd een belastingverhoging van 10 % aangekondigd.

Eiseres in hoger beroep antwoordde met een niet-akkoord op voormeld bericht van wijziging.

Bij kennisgeving van beslissing tot taxatie van 23/10/2012 deelde de belastingadministratie aan eiseres in hoger beroep de redenen mee waarom er geen rekening kon gehouden worden met de opmerkingen van eiseres in hoger beroep. De betwiste aanslag werd op 09/11/2012 gevestigd.

Bij aangetekend schrijven van 10/05/2013 (ontvangen bij de belastingadministratie op 13/05/2013), van 16/07/2013 (ontvangen bij de belastingadministratie op 17/07/2013) en 06/09/2013 (ontvangen bij de belastingadministratie op 09/09/2013), tekende eiseres in hoger beroep bezwaar en aanvullend bezwaar aan tegen voormelde aanslag.

Door eiseres in hoger beroep werd op 17/07/2013 tevens een aanvraag tot bemiddeling ingediend bij de Fiscale Bemiddelingsdienst. Het resultaat van de bemiddeling was dat de bemiddelingsambtenaar alleen had kunnen vaststellen dat de standpunten van beide partijen niet met elkaar konden verzoend worden. De Fiscale Bemiddelingsdienst sloot bijgevolg de bemiddelingsopdracht af zonder bemiddelde oplossing (afsluiting en goedkeuring van het bemiddelingsverslag op 18/09/2013).

Bij directorale beslissing van 09/10/2013 werd het bezwaarschrift gedeeltelijk ingewilligd. De grief van eiseres in hoger beroep was gegrond in de zin dat onder code 1192 niet het bedrag van 13.669,98 diende te worden opgenomen maar wel het bedrag van 11.758,65 euro (onderhoudsuitkeringen belastbaar overeenkomstig art. 90,3° WIB92) en onder code 1193 een bedrag diende te worden opgenomen van 277,88 euro (onderhoudsuitkeringen belastbaar overeenkomstig art. 90,4° WIB92/divers inkomen).

1.3. Procedure voor de eerste rechter

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 08/01/2014 stelde eiseres in hoger beroep een vordering in rechte in.

Eiseres in hoger beroep vorderde:

- de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- dienvolgens de hierna vermelde directoriale beslissing

met refertenummer 001-01-13/025877 dd. 09/10/2013 van Adviseur-E.a. Inspecteur-dienstchef W. Anne, hiertoe gedelegeerd door de Adviseur-Gewestelijke Directeur der Directe Belastingen, Gewestelijke Directie Antwerpen I, te hervormen;

- het door eiseres in hoger beroep tegen de bestreden aanslag in de personenbelasting tijdig ingediende bezwaarschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- de bestreden aanslag in de personenbelasting met betrekking tot aanslagjaar 2010, gekend onder kohierartikel 623365918 te ontheffen;

- bijgevolg eiseres in hoger beroep te ontslaan van de ten onrechte ingekohierde belasting en in voorkomend geval de terugbetaling te bevelen van de eventueel door eiseres in hoger beroep reeds betaalde bedragen en/of de door verweerder in hoger beroep ten onrechte ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig art. 418 WIB92;

- verweerder in hoger beroep te verwijzen in de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding. Het bestreden vonnis, verklaarde de vordering toelaatbaar doch ongegrond en wees deze af. Eiseres in hoger beroep werd veroordeeld tot de kosten van het geding door verweerder in hoger beroep niet begroot en derhalve door de rechtbank niet vereffend.

De eerste rechter oordeelde als volgt:

Rekening houdend met de onderscheiden betalingswijzen die worden voorzien in voornoemd exploot van 23 december 2008 tot uitvoerend beslag onder derden, zoals dit op verzoek van eiseres werd betekend, namelijk enerzijds de lopende onderhoudsuitkeringen maandelijks rechtstreeks aan eiseres en anderzijds de achterstallige onderhoudsuitkeringen en kosten ten bedrage van 112.804,74 euro aan de instrumenterende gerechtsdeurwaarder, en rekening houdend met voornoemde bedragen die de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid en de Socialistische Mutualiteit De Voorzorg conform hun brieven van respectievelijk 27 januari 2009 en 24 februari 2009 in het jaar 2009 vanaf eind februari 2009 maandelijks rechtstreeks aan eiseres betaalden, staat het ontegensprekelijk vast dat eiseres hierdoor kwijting heeft verleend van deze betalingen door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid en de Socialistische Mutualiteit De Voorzorg in het jaar 2009 toegerekend worden op de lopende onderhoudsuitkeringen en dat bijgevolg artikel 1256 BW niet van toepassing is.

Aangezien de voor eiseres verschuldigde maandelijkse onderhoudsuitkeringen voor de periode van februari 2009 tot en met december 2009, zijnde de periode dat de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid en de Socialistische Mutualiteit De Voorzorg maandelijks rechtstreeks aan eiseres betaalden, in totaal 11.406,68 EUR bedroeg, staat het vast dat deze onderhoudsuitkeringen regelmatig werden toegekend en bijgevolg in haren hoofde belastbare onderhoudsuitkeringen zijn overeenkomstig art. 90,3° WIB92.

Verder staat het vast dat de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid en de Socialistische Mutualiteit De Voorzorg samen in februari, maart en april 2009 in totaal 351,97 EUR te veel onderhoudsuitkeringen betaalden voor eiseres, zoals correct werd berekend in de bestreden beslissing, en dat dit bedrag nog als regelmatige toekenning kan worden beschouwd voor de maand januari 2009 zodat dit bedrag in haren hoofde eveneens een belastbare onderhoudsuitkering is overeenkomstig art. 90,3° WIB92.

Het staat tevens vast dat bij beschikkingen van 3 december 1992 en 5 juni 1996 de gewezen echtgenoot van eiseres reeds veroordeeld was tot betaling van maandelijkse onderhoudsuitkering en dat bij tegensprekelijk vonnis van 22 september 2008 deze maandelijkse onderhoudsuitkering vanaf 1 september 1999 met terugwerkende kracht werd verhoogd van 707,71 EUR naar 850,00 EUR.

Ingevolge voornoemde verhoging van de maandelijkse onderhoudsuitkering vanaf 1 september 1999 met terugwerkende kracht zijn de aanvullende uitkeringen, die eiseres zijn betaald na het belastbare tijdperk waarop ze betrekking hebben, belastbaar overeenkomstig artikel 90,4° WIB92.

Nu ook nà april 2009 de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid en de Socialistische Mutualiteit De Voorzorg te veel onderhoudsuitkeringen betaalden voor eiseres en het overschot ongetwijfeld betrekking heeft op de onderhoudsuitkeringen voor eiseres voor de periode van 1 september 1999 tot en met 31 december 2008, is dit overschot belastbaar overeenkomstig artikel 90,4° WIB92 in de mate dat het meer bedraagt dan het bedrag dat reeds werd toegekend bij voornoemde beschikking van 3 december 1992.

Bijgevolg is dit overschot voor een bedrag van 277,88 euro, zoals correct werd berekend in de bestreden beslissing, belastbaar overeenkomstig artikel 90,4° WIB92.

Het al dan niet vrijwillig karakter van de betalingen is geen door de wet opgelegde voorwaarde inzake het al dan niet belastbaar zijn van ontvangen onderhoudsuitkeringen zodat het dan ook niet relevant is dat deze betalingen hebben plaatsgevonden naar aanleiding van een uitvoerend beslag onder derden."

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 27/04/2015, hoger beroep ingesteld.

1.4. Procedure voor het hof van beroep

Eiseres in hoger beroep vordert:

- het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis a quo van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 11 maart 2015 met rolnummer 14/133/A te hervormen;

- dienvolgens de directoriale beslissing met refertenummer 001-01-13/025877 dd. 09/10/2013 van Adviseur-E.a. Inspecteur-dienstchef W. Anne, hiertoe gedelegeerd door de Adviseur-Gewestelijke Directeur der Directe Belastingen, Gewestelijke Directie Antwerpen I, te hervormen;

- de bestreden aanslag in de personenbelasting met betrekking tot aanslagjaar 2010, gekend onder kohierartikel 623365918 te ontheffen;

- bijgevolg eiseres in hoger beroep te ontslaan van de ten onrechte ingekohierde belasting en in voorkomend geval de terugbetaling te bevelen van de eventueel door eiseres

in hoger beroep reeds betaalde bedragen en/of de door verweerder in hoger beroep ten onrechte ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig art. 418 WIB92;

- verweerder in hoger beroep te verwijzen in de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 780 euro per aanleg.

De Belgische Staat besluit tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van het hoger beroep en vordert eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op 780 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

2. Bespreking

2.1. Art. 90.3° en 90.4° WIB92

Volgens eiseres in hoger beroep zijn de betalingen die verweerder in hoger beroep toerekent aan de maanden februari 2009 tot en met december 2009 niet belastbaar aangezien er geen sprake is van een regelmatige toekenning of betaling. Zij stelt dat de betalingen immers het gevolg zijn van een gedwongen uitvoering zodat de betalingen niet regelmatig zijn.

Verder stelt eiseres in hoger beroep dat er geen sprake is van een regelmatige betaling van onderhoudsuitkeringen aangezien de betalingen achterstallige onderhoudsgelden betreffen voor de periode vanaf 1999 tot en met 2008 en de betaling van deze achterstallige schulden geenszins vrijwillig maar ingevolge een uitvoerend beslag onder derden gebeurde.

Eiseres in hoger beroep stelt dat ook de taxatie op grond van artikel 90,4° met betrekking tot het saldo van de betalingen ten onrechte gebeurde aangezien de onregelmatigheid van de betaling niet te wijten is aan het vonnis maar aan de nalatigheid van de onderhoudsplichtige.

Volgens de Belgische Staat moeten de betalingen die eiseres in hoger beroep in 2009 ontvangen heeft voor de maanden februari tot en met december 2009 voor zover ze het daadwerkelijk maandelijks verschuldigde bedrag niet overtreffen, in ieder geval bestempeld worden als zijnde regelmatige betalingen voor die maanden, belastbaar overeenkomstig artikel 90,3° WIB92 en dit voor een bedrag van 11.406,58 euro. De belastingadministratie wijst hiervoor naar de betalingswijze zoals gestipuleerd in het deurwaardersexploot van 23/12/2008 en de verklaringen van de derde-beslagene partijen.

De overschotten ( = de mate waarin de in 2009 ontvangen onderhoudsuitkeringen het daadwerkelijk maandelijks verschuldigde bedrag overtreffen) die werden betaald voor de maanden februari, maart en april kunnen volgens de Belgische Staat geacht worden betrekking te hebben op januari 2009 en dienen eveneens als regelmatige onderhoudsuitkeringen beschouwd te worden, belastbaar overeenkomstig artikel 90,3° WIB92 en dit voor een bedrag van 351,97 euro. Verder dient volgens de belastingadministratie van de betalingen die in 2009 werden verricht een bedrag van 277,88 euro (zijnde het bedrag aan overschotten die eiseres in hoger beroep in 2009 ontving en volgens de belastingadministratie betrekking hebben op de periode Ol/09/1999- 31/12/2008 en dit slechts in de mate deze meer bedragen dan het bedrag reeds toegekend bij beschikking van 03/12/1992) beschouwd te worden als diverse inkomsten zoals bedoeld in artikel 90,4° WIB92.

Overeenkomstig artikel 90,3° WIB92 zijn belastbaar de onderhoudsuitkeringen die aan de belastingplichtige regelmatig zijn toegekend door personen van wier gezin hij geen deel uitmaakt, wanneer ze worden toegekend ter uitvoering van een verplichting op grond van het Burgerlijk of het Gerechtelijk Wetboek of van een gelijkaardige wettelijke verplichting in een buitenlandse wetgeving, alsmede kapitalen die zulke uitkeringen vervangen.

Overeenkomstig artikel 90,4° WIB92 zijn belastbaar de uitkeringen of aanvullende uitkeringen als vermeld onder 3° die, ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd, aan de belastingplichtige zijn betaald na het belastbare tijdperk waarop ze betrekking hebben.

Een onderhoudsuitkering is in beginsel belastbaar in hoofde van de ontvanger op grond van art. 90,3° en 4° WIB92. Krachtens artikel 99 WIB92 worden de ontvangen onderhoudsuitkeringen slechts ten belope van 80 % van het aan de verkrijger betaalde bedrag opgenomen in de belastbare grondslag.

De term 'regelmatig' betekent dat de betalingen punctueel en volgens de omstandigheden herhaaldelijk plaatsvinden. Het onderhoudsgeld is dan ook slechts regelmatig als het op vrijwillige basis en op de vastgestelde of overeengekomen tijdstippen wordt gestort.

Het begrip 'regelmatige' betalingen van artikel 90,3° WIB92 moet voor elk geval afzonderlijk en aan de hand van de specifieke feitelijke omstandigheden worden beoordeeld.

Bij beschikkingen van 03/12/1992 en 05/06/1996 werd de gewezen echtgenoot van eiseres in hoger beroep reeds veroordeeld tot betaling van een maandelijkse onderhoudsuitkering.

Bij vonnis dd. 11/09/1995 van de correctionele rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen werd de heer B.J. veroordeeld wegens familieverlating. De heer B.J. erkende tussen 12 mei 1993 en 25 mei 1994 geen onderhoudsgelden betaald te hebben en dat hij zich dus schuldig had gemaakt aan familieverlating. Uit het correctioneel vonnis blijkt dat hij deze achterstallige onderhoudsgelden naderhand wel had aangezuiverd.

Pas negen jaar na het inleidend verzoekschrift van eiseres in hoger beroep werd bij tegensprekelijk vonnis van 22/09/2008 de gewezen echtgenoot van eiseres in hoger beroep veroordeeld tot betaling van de hierna vermelde maandelijkse onderhoudsuitkeringen die jaarlijks gekoppeld werden aan de index van de gezondheidsindex, telkens met ontvangstmachtiging namelijk:

- voor haarzelf: 850 euro vanaf 01/09/1999;

- voor de zoon P.: 400 euro vanaf 01/09/1999 tot en met

30 juni 2004 (vanaf 1 juli 2004 werd deze onderhoudsuitkering afgeschaft);

- voor de zoon J.: 300 euro vanaf 01/09/1999 tot en met 31 januari 2005 en 400 euro vanaf 01/02/2005.

Uit dit vonnis van 22//09/2008 blijkt dat de lange tijd tussen het neerleggen van het verzoekschrift en de uitspraak van het vonnis volledig te wijten is aan het totaal gebrek aan medewerking van de heer B.J. aan het bevolen deskundigonderzoek met het oog op de bepaling van de netto-inkomsten van de heer B.J. vanaf september 1999. Blijkens het vonnis genoot de heer B.J. hogere inkomsten dan hij toegaf en dit uit diverse vennootschappen, wat werd afgeleid uit de bevindingen van de gerechtsdeskundige.

De gewezen echtgenoot van eiseres in hoger beroep tekende hoger beroep aan tegen alle beschikkingen van voormeld vonnis. Dit hoger beroep werd bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 19/10/2009 ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Ook in dit vonnis wordt gewezen dat de heer B.J. zijn eigen boekhoudkundige stukken heeft doen verdwijnen en de werkzaamheden van de eerste deskundige heeft gedwarsboomd.

Een paar maanden na voormelde uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg werd door de gewezen echtgenoot van eiseres in hoger beroep een nieuw verzoekschrift neergelegd bij de vrederechter teneinde een aanpassing te bekomen van zijn onderhoudsverplichtingen wegens gewijzigde omstandigheden.
Ook dit verzoek werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard bij vonnis van de vrederechter van het zevende kanton Antwerpen van 19/10/2010. De vrederechter kon zich niet van de indruk ontdoen dat in deze oneigenlijk gebruik gemaakt werd van de vrederechter teneinde een verdoken beroep in te stellen tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.
Verder wordt hierin geoordeeld: "Dat immers enerzijds blijkt dat er geen werkelijk gewijzigde omstandigheden zijn, terwijl anderzijds de eventueel gewijzigde omstandigheden enkel het gevolg zijn van het feit dat eiser zich van zijn verplichtingen niet heeft gekweten, zodat verweerster beslag heeft laten leggen op zijn inkomsten.

Dat de inkomstenvermindering die daar het gevolg van is uiteraard niet een vermindering van de onderhoudsverplichting zelf kan rechtvaardigen."

Ook tegen dit vonnis werd door de gewezen echtgenoot hoger beroep ingesteld dat bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van 27/10/2011 opnieuw ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard.

Uit het voorgelegde dossier blijkt duidelijk dat de gewezen echtgenoot van eiseres in hoger beroep - door dwarsboming en het voeren van diverse procedures- er alles aan gedaan heeft teneinde te proberen zich aan de betaling van de onderhoudsgelden te onttrekken en dat hij tot op heden hardnekkig blijft weigeren zowel het achterstallige als het lopende onderhoudsgeld ten gunste van eiseres in hoger beroep te betalen. De gewezen echtgenoot is een onwillige en nalatige uitkeringsplichtige. Zelfs na betekening van het vonnis van 22/09/2008 met bevel tot betaling weigert hij het onderhoudsgeld te voldoen.

Er wordt dus stelselmatig geen onderhoudsgeld betaald door de gewezen echtgenoot aan eiseres in hoger beroep. Aangezien de gewezen echtgenoot in gebreke bleef voornoemde onderhoudsuitkering vrijwillig te betalen, werd op verzoek van eiseres in hoger beroep op 23 december 2008 uitvoerend beslag onder derden gelegd in handen van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid en in handen van de Socialistische Mutualiteit de Voorzorg om de betaling te bekomen van 112.804,74 euro voor onderhoudsuitkeringen en kosten.

In het exploot van 23 december 2008 tot uitvoerend beslag onder derden werden de derde-beslagenen, zijnde de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid en de Socialistische Mutualiteit De Voorzorg tevens aangemaand om verder maandelijks rechtstreeks aan eiseres in hoger beroep te betalen de som van 1.037,63 euro (onderhoudsuitkering voor eiseres in hoger beroep) en van 427,98 euro (onderhoudsuitkering zoon J.). Er werd dus tevens bij hetzelfde exploot overgegaan tot ontvangstmachtiging voor in de toekomst te vervallen bedragen.

Ingevolge de betekening van het uitvoerend beslag onder derden en de ontvangstmachtiging werd de maandelijkse uitkering van de gewezen echtgenoot door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid en de Socialistische Mutualiteit maandelijks rechtstreeks aan eiseres in hoger beroep overgemaakt.

De derden kunnen de aan de gewezen echtgenoot verschuldigde uitkeringen rechtstreeks uitbetalen aan eiseres in hoger beroep ingevolge de betekening van de ontvangstmachtiging, die te dezen een vereenvoudigde uitvoeringsmodaliteit uitmaakt. Het feit dat de kennisgeving van de ontvangstmachtiging in principe gebeurt bij gerechtsbrief door de griffier, neemt niet weg dat te dezen het beslagexploot (betekening door de gerechtsdeurwaarder) kan gelijkgesteld worden met voormelde kennisgeving van ontvangstmachtiging. De ontvangstmachtiging kon dan ook zijn volledige uitwerking krijgen.

In het jaar 2009 werd alzo in totaal 18.366,56 euro onderhoudsuitkeringen voor haar en voor haar zoon rechtstreeks aan eiseres in hoger beroep betaald.

Het blijkt dat de belastingadministratie datgene wat eiseres in hoger beroep rechtstreeks ontvangen heeft in het bijzonder heeft toegerekend op de lopende onderhoudsgelden en voor het meer gestorte op de achterstallige onderhoudsgelden, omdat de bedragen verschuldigd door de beide derden afzonderlijk beschouwd onvoldoende waren om zelfs de lopende onderhoudsuitkeringen te voldoen en zij (de derden) afzonderlijk verklaren alzo geen achterstallen te kunnen voldoen.

Terecht stelt eiseres in hoger beroep dat de gewezen echtgenoot van eiseres in hoger beroep aan haar onderhoudsgeld verschuldigd was sedert 01/09/1999 en dat deze schuld was opgelopen tot 112.804,74 euro (met inbegrip van de kosten doch excl. intrest) en dit ook de reden was voor het leggen van uitvoerend beslag onder derden.

Feit blijft dan ook dat de betalingen die rechtstreeks aan eiseres in hoger beroep gedaan werden met volstaan om alle schulden te voldoen.

Uit geen enkel gegeven blijkt dat eiseres in hoger beroep verzaakt heeft aan deze onderhoudsgelden die dateren van vöör de belastbare periode zodat de onderhoudsgelden ondanks de maandelijkse rechtstreekse betaling aan haar geenszins opnieuw gewoon 'regelmatig' te noemen zijn. De gewezen echtgenoot betaalt de onderhoudsuitkering stelselmatig gewoon niet.

Er kan bezwaarlijk gesteld worden dat de sommen maandelijks geïnd via ontvangstmachtiging 'regelmatig' werden betaald.

Het onderhoudsgeld is immers slechts regelmatig als het op vrijwillige basis en op de vastgestelde of overeengekomen tijdstippen wordt gestort. Te deze is er duidelijk sprake van onwil en nalatigheid in hoofde van de gewezen echtgenoot zowel om de achterstallige als de lopende onderhoudsgelden voor eiseres in hoger beroep te betalen.

De onderhoudsgerechtigde heeft beroep moeten doen op de beslagprocedure en de ontvangstmachtiging om betaling van enig onderhoudsgeld voor haar te bekomen.

De betekening van het beslag onder derden samen met de ontvangstmachtiging is slechts een wijze van gedwongen uitvoering en zij kunnen aan de aldus afgedwongen betalingen geen regelmatig karakter verlenen.

Gelet op de duidelijke onwil bij de gewezen echtgenoot om tot betaling over te gaan, de betekening van het uitvoerend beslag onder derden en de ontvangstmachtiging kan er te dezen geen sprake zijn van enige regelmatige betaling.

Dat de belastingadministratie de rechtstreekse betalingen aan eiseres in hoger beroep in eerste instantie verrekende met de onderhoudsgelden verschuldigd voor de maand van de betaling zelf en slechts voor het overschot met de periode die de maand februari 2009 voorafgaat, doet dan ook geen afbreuk aan voorgaande.

Gelet op voorgaande feitelijke gegevens zijn de onregelmatige betalingen ook geenszins te wijten aan een gerechtelijke beslissing zoals bedoeld in artikel 90,4° WIB92 waarbij het bedrag met terugwerkende kracht werd vastgesteld of verhoogd. De achterstallige betalingen zijn immers te dezen duidelijk te wijten aan de nalatigheid van de gewezen echtgenoot.

Gelet op voorgaande wijst het hof de overige argumenten van partijen af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

2.2. Rechtsplegingsvergoeding

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S.31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008.

Overeenkomstig art. 1017 Ger.W dient de Belgische Staat, de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten gewezen te worden zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

De rechtsplegingsvergoeding dient in hoofde van eiseres in hoger beroep vereffend te worden op 715 euro (basisbedrag rechtsplegingsvergoeding van toepassing vanaf 01/03/2011) eerste aanleg en 780 euro (basisbedrag rechtsplegingsvergoeding van toepassing vanaf 01/06/2016) hoger beroep. Het hof ziet geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag voor een in geld waardeerbare vordering van 2.500,01 euro tot 5.000,00 euro.

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep, ontvankelijk en als volgt gegrond.

Het hof hervormt het bestreden vonnis als volgt,

Het hof verklaart de oorspronkelijke vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond.

Het hof vernietigt de aanslag in de personenbelasting voor aanslagjaar 2010, kohierartikel 623365918.

Het hof beveelt de terugbetaling van alle bedragen die uit hoofde van de aldus vernietigde aanslag eventueel ten onrechte werden betaald en/of ingehouden, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 418 WIB92. Het hof veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

Het hof vereffent de kosten in hoofde van eiseres in hoger beroep op 715 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 780 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

( ... )

 

Noot: 

Jean-Emmanuel Beernaert, Beslag, regelmatige betaling en retroactieve verhoging of verlaging van onderhoudsgelden, T. Fam. 2017/8, 230

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 28/03/2018 - 18:09
Laatst aangepast op: wo, 28/03/2018 - 18:09

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.