-A +A

Gebruik van een vervallen parkeerkaart voor mindervaliden is valsheid in geschrifte

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 14/06/2016
A.R.: 
P.15.1042.N

De enkele omstandigheid dat een parkeerkaart voor mindervaliden vervallen is op het ogenblik waarop zij wordt gebruikt of niet overeenstemt met het model dat in een ministerieel besluit is bepaald en dat die kaart volgens dat besluit vervallen is, heeft niet tot gevolg dat derden die deze kaart in een voertuig zien liggen, niet meer overtuigd kunnen zijn van het feit dat de bestuurder van dat voertuig het recht heeft te parkeren op een parkeerplaats voor mindervaliden, daar die overtuiging kan worden opgeleverd door de ogenschijnlijke geldigheid van een dergelijke kaart.

Bedrieglijk opzet bij gebruik van valse stukken is aanwezig zodra de gebruiker van het valse stuk enig voordeel of enige winst beoogt, die hij zonder het gebruik van dat stuk niet zou hebben behaald. De vraag of de gebruiker van dat stuk het beoogde voordeel ook in concreto heeft behaald, speelt daarbij geen rol.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.15.1042.N

J.V.E.V.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 24 juni 2015.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van art. 197 Sw.: het arrest veroordeelt de eiser wegens het gebruik op 2 mei 2013 van een vals openbaar stuk, namelijk een parkeerkaart voor mindervaliden met een geldigheidsdatum tot 1 juni 2007; aan deze kaart, die ten tijde van het feit reeds zes jaar was vervallen, kon geen geloof meer worden gehecht; aldus had dat stuk geen juridische draagwijdte meer; deze kaart kon na het verstrijken van de vervaltermijn onmogelijk nog als waar worden beschouwd in het maatschappelijk verkeer en nog valselijk het recht verschaffen om te parkeren op een mindervalidenplaats; een vervallen stuk kan niet meer op strafbare wijze worden gebruikt; bijgevolg is niet voldaan aan de constitutieve bestanddelen van het misdrijf gebruik van valse stukken.

2. Art. 197 Sw. bestraft degene die gebruik maakt van een vals stuk als bedoeld in onder meer de artt. 193 en 196 Sw. Een dergelijk vals stuk is een door de wet beschermd geschrift waarin, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de waarheid op een bij de wet bepaalde wijze is vermomd, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan.

Een door de wet beschermd geschrift is een geschrift dat in zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbaar vertrouwen opdringen, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten.

3. De enkele omstandigheid dat een parkeerkaart voor mindervaliden vervallen is op het ogenblik waarop zij wordt gebruikt, heeft niet tot gevolg dat derden die deze kaart in een voertuig zien liggen, niet meer overtuigd kunnen zijn van het feit dat de bestuurder van dat voertuig het recht heeft te parkeren op een parkeerplaats voor mindervaliden. Die overtuiging kan immers worden opgeleverd door de ogenschijnlijke geldigheid van een dergelijke kaart.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. Het arrest oordeelt dat de gebruikte parkeerkaart, met de kenmerken en de gegevens die het beschrijft, zich aan het openbaar vertrouwen heeft opgedrongen omdat elke particulier, al dan niet mindervalide, die kennisneemt van deze kaart gerechtigd kan zijn daaraan geloof te hechten. Het oordeelt daarbij dat het feit dat de geldigheidsdatum van de parkeerkaart bijna zes jaar was verstreken irrelevant is omdat elke particulier gerechtigd kan zijn geloof te hechten aan het feit dat de op die kaart vermelde datum, bij gebrek aan de woorden «geldig tot» of «vervaldatum», een uitgiftedatum is. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van art. 6.1 EVRM, art. 149 Gw., art. 197 Sw. en art. 1, 2o van het MB van 7 mei 1999 betreffende de parkeerkaart voor mensen met een handicap, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging, het recht op tegenspraak en «Nemo censetur ignorare legem»: het arrest oordeelt ten onrechte dat de gebruikte parkeerkaart met de kenmerken en de gegevens die het beschrijft, zich aan het openbaar vertrouwen opdringt omdat elke particulier die ervan kennis neemt gerechtigd kan zijn geloof eraan te hechten; uit de beschreven kenmerken en gegevens van die kaart blijkt echter dat zij niet overeenstemt met het model, bepaald bij art. 1, 2o, van voormeld ministerieel besluit; dat besluit bepaalt ook dat de op de kaart vermelde datum een vervaldatum is; omdat iedereen geacht wordt de wet te kennen, kon elke particulier vaststellen dat de kaart niet beantwoordde aan het model en dat zij vervallen was, zodat hieraan geen geloof kon worden gehecht; minstens spruit de reden dat particulieren aan een dergelijke kaart geloof mochten hechten niet voort uit algemene bekendheid, terwijl de eiser geen kennis heeft gekregen van de bronnen waarop deze reden is gebaseerd en ze bijgevolg niet heeft kunnen tegenspreken.

6. Het adagium «Nemo censetur ignorare legem» is geen algemeen rechtsbeginsel.

In zoverre het middel miskenning van dit vermeende rechtsbeginsel aanvoert, faalt het naar recht.

7. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van het recht op tegenspraak dat onderscheiden is van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

In zoverre het middel miskenning van een algemeen rechtsbeginsel van het recht op tegenspraak aanvoert, faalt het eveneens naar recht.

8. De enkele omstandigheid dat een parkeerkaart voor mindervaliden niet overeenstemt met het model dat in een ministerieel besluit is bepaald en dat die kaart volgens dat besluit vervallen is, heeft niet tot gevolg dat derden die deze kaart in een voertuig zien liggen, niet overtuigd kunnen zijn van het feit dat de bestuurder van dat voertuig het recht heeft te parkeren op een parkeerplaats voor mindervaliden. Die overtuiging kan immers worden opgeleverd door de ogenschijnlijke geldigheid van een dergelijke kaart.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

9. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel, is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

10. Voor het overige is de reden dat particulieren geloof mochten hechten aan de betrokken parkeerkaart niet gebaseerd op feiten die de appelrechters buiten het debat hebben vernomen, maar enkel op hun beoordeling van de aan tegenspraak onderworpen gegevens van het strafdossier.

In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen.

Derde middel

11. Het middel voert schending aan van art. 149 Gw. en art. 197 Sw.: het arrest oordeelt ten onrechte dat de gebruikte parkeerkaart zich aan het vertrouwen van de verbalisant heeft opgedrongen, omdat deze een proces-verbaal heeft opgesteld; dit bewijst evenwel dat de verbalisant geen geloof heeft gehecht aan die parkeerkaart; bijgevolg kan het arrest uit het opstellen van dat proces-verbaal niet afleiden dat de gebruikte parkeerkaart zich aan het vertrouwen van de verbalisant heeft opgedrongen.

12. Het arrest oordeelt dat de gebruikte parkeerkaart zich aan het openbaar vertrouwen heeft opgedrongen omdat elke particulier, al dan niet mindervalide, die kennis neemt van die kaart met de beschreven kenmerken en gegevens, gerechtigd kan zijn eraan geloof te hechten. Die zelfstandige reden draagt de beslissing dat de parkeerkaart zich aan het openbaar vertrouwen heeft opgedrongen.

Het middel dat gericht is tegen een overtollige reden die de beslissing niet schraagt en die de hiervoor vermelde reden onverlet laat, is niet ontvankelijk.

Vierde middel

Eerste onderdeel

13. Het onderdeel voert schending aan van art. 149 Gw. en art. 197 Sw.: met het oordeel dat het onrechtmatig voordeel van de eiser bestaat in het kunnen parkeren op een plaats die niet voor hem was bestemd, waardoor misschien andere rechtmatige houders van een parkeerkaart voor mindervaliden werden benadeeld, stelt het arrest niet wettig vast dat, noch motiveert het waarom de gebruikte parkeerkaart aan de eiser een onrechtmatig voordeel zou hebben verschaft ten aanzien van de particulieren die van deze kaart kennisnemen; het voertuig dat zonder geldige parkeerkaart is geparkeerd op een parkeerplaats voor mindervaliden stelt zich enkel bloot aan bekeuring door de overheid; een particulier heeft geen verbaliserende bevoegdheid, zodat er geen sprake kan zijn van een onrechtmatig voordeel of een geschonden rechtsgoed van die particulier; mocht de eiser zonder parkeerkaart geparkeerd hebben op een plaats voor mindervaliden, dan zou dat voor de particulier dezelfde rechtsgevolgen hebben.

14. Een vals stuk als bedoeld in de artt. 193, 196 en 197 Sw. is een door de wet beschermd geschrift waarin, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de waarheid op een bij de wet bepaalde wijze is vermomd, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan.

Bedrieglijk opzet is het opzet zichzelf of een ander een onrechtmatig voordeel te verschaffen. Er is bedrieglijk opzet zodra de gebruiker van het valse stuk enig voordeel of enige winst beoogt, die hij zonder het gebruik van dat stuk niet zou hebben behaald.

15. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordeelt het ook: «[De eiser] kon op 2 mei 2013 geen aanspraak maken op deze parkeerplaats. Hij gebruikte de kaart om zich alsnog een vermeend recht toe te kennen, daar regelmatig en wettelijk toegelaten, te mogen staan en de verbalisanten en derden te misleiden.»

Met die reden en het geheel van de eigen redenen die het bevat, geeft het arrest te kennen dat de eiser met het gebruik van de parkeerkaart niet enkel beoogde onrechtmatig een parkeerplaats voor mindervaliden in te nemen, maar ook om tegenover zowel particulieren als de politie de schijn te wekken dat hij rechtmatig een dergelijke parkeerplaats mocht innemen, zodat hij daarover op geen enkele wijze zou worden verontrust. Het arrest dat aldus het beoogde onrechtmatige voordeel van de eiser en het potentiële nadeel van particulieren bepaalt, is regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

16. Het onderdeel voert schending aan van art. 149 Gw. en art. 197 Sw.: met het oordeel dat het onrechtmatig voordeel van de eiser bestaat in het kunnen parkeren op een plaats die niet voor hem was bestemd, waardoor misschien andere rechtmatige houders van een parkeerkaart voor mindervaliden werden benadeeld, stelt het arrest niet wettig vast dat de gebruikte parkeerkaart zich aan het openbaar vertrouwen van de verbalisanten heeft opgedrongen en dat de eiser zich een onrechtmatig voordeel heeft verschaft door het gebruik van het valse stuk; het arrest stelt immers vast dat de verbalisanten een proces-verbaal hebben opgesteld, zodat er geen sprake is van een onrechtmatig voordeel dat bestaat uit het recht te parkeren op een plaats voor mindervaliden; zodoende is het arrest ook tegenstrijdig gemotiveerd.

17. Bedrieglijk opzet bij gebruik van valse stukken is aanwezig zodra de gebruiker van het valse stuk enig voordeel of enige winst beoogt, die hij zonder het gebruik van dat stuk niet zou hebben behaald. De vraag of de gebruiker van dat stuk het beoogde voordeel ook in concreto heeft behaald, speelt daarbij geen rol.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

18. Voor het overige heeft het onderdeel, zoals blijkt uit het antwoord op het derde middel, betrekking op een overtollige reden en is het niet ontvankelijk.

Noot: 

 

• Journal des tribunaux [JT] HENROTTE, Shelley; Observations 'La notion de confiance publique dans le cadre du faux en écriture' 2015, n° 6601, p. 339-340.

• S. Van Dyck, Valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften, Antwerpen, Intersentia, 2007, 280 en volgende.

• Cass. 21 juni 2005, Arr.Cass. 2005, p. 1390

• Cass. 17 juni 2014, AR P.14.0391.N, AC 2014, nr. 436

Strafwetboek / 1867-06-08 / Artt. 193, 196 en 197

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 23/11/2017 - 14:05
Laatst aangepast op: do, 23/11/2017 - 14:05

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.