-A +A

Gebrekkige levering wanneer voorwerp ongeschikt is tot het gebruik waartoe het is bestemd

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Veurne
Datum van de uitspraak: 
zat, 01/04/2017

De verkoper is gehouden tot vrijwaring voor de verborgen gebreken van de verkochte zaak die deze ongeschikt maken tot het gebruik waartoe men ze bestemt, of die dit gebruik zodanig verminderen dat de koper, indien hij de gebreken gekend had, de zaak niet of slechts tegen een mindere prijs zou hebben gekocht (art. 1641 BW).

Er kan sprake zijn van een verborgen gebrek indien het gebrek, zelfs als het de zaak niet intrinsiek aantast, die zaak toch ongeschikt maakt voor het gebruik waartoe de koper, met medeweten van de verkoper, de zaak bestemt of dit gebruik zodanig vermindert dat de koper ze niet of slechts tegen een mindere prijs zou hebben gekocht indien hij de gebreken gekend had .

In dat geval heeft de koper de keuze om ofwel de zaak terug te geven en zich de prijs te doen terugbetalen (actio redhibitoria), ofwel de zaak te behouden en zich een gedeelte van de prijs te doen terugbetalen (actio aestimatoria), welk gedeelte door deskundigen zal worden bepaald (art. 1644 BW).

Indien de verkoper de gebreken van de zaak gekend heeft, is hij niet alleen gehouden tot teruggave van de prijs die hij ervoor ontvangen heeft, maar bovendien tot vergoeding van alle schade aan de koper (art. 1645 BW). Dat principe wordt ook geacht van toepassing te zijn op de actio aestimatoria;

Indien de verkoper de gebreken van de zaak gekend heeft, is hij niet alleen gehouden tot teruggave van de prijs die hij ervoor ontvangen heeft, maar bovendien tot vergoeding van alle schade aan de koper (art. 1645 BW). In dat geval kan de koper schade vorderen voor genotsderving ten gevolge van het gebrek.

De beroepsverkoper wordt geacht de gebreken van de door hem verkochte zaak te kennen in de zin van art. 1645 BW. Die beroepsverkoper kan evenwel zijn onoverwinnelijke onwetendheid of de onnaspeurbaarheid van het verborgen gebrek bewijzen .

Een door de technische automobielinspectie afgeleverd keuringsattest, waarin geen melding gemaakt wordt van gebreken aan een voertuig, ontslaat de professionele autoverkoper niet van de eigen verplichting om een voertuig te verkopen dat niet door een verborgen gebrek is aangetast;

Een omgebouwd voertuig met een uiterst beperkt laadvermogen is aangetast met een functioneel gebrek. Deze verkoop is behept met een gebrekkige levering wanneer dat gebrek het gebruik vermindert waartoe de koper het voertuig, met medeweten van de verkoper had bestemd op een zodanige wijze dat de koper dat voertuig slechts tegen een mindere prijs zou hebben gekocht indien zij dat gebrek gekend had.

Wanneer de verkoper een een beroepsverkoper (van voertuigen) is, diende zij het functionele gebrek van het omgebouwde voertuig te kennen. Zij diende meer bepaald te weten dat het voertuig, na de ombouwing ervan, maar een uiterst beperkt laadvermogen meer zou hebben en niet meer functioneel zou zijn voor de koper. De verkoper levert niet het bewijs van haar onoverwinnelijke onwetendheid of van de onnaspeurbaarheid van het verborgen gebrek. Het door de technische keuring afgeleverde attest, waarin een verkeerd laadvermogen werd vermeld, ontslaat de verkoper niet van haar eigen verplichting om een omgebouwd voertuig te verkopen dat niet door een verborgen gebrek is aangetast.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1274
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Faillissement BVBA I.B. t/ BVBA PG C. en BVBA A.C.

I. Feiten

1. BVBA I.B., thans in staat van faillissement, bestelde op 9 juli 2007 een voertuig Citroën Jumper bij PG C. Op de bestelbon werd vermeld dat het voertuig omgebouwd moest worden, met een enkelvoudige kipbak, materiaalkoffer en ladderdrager.

De verkoopprijs van het voertuig bedroeg 24.889,70 euro incl. btw (20.570,00 euro excl. btw) en de prijs van de ombouwingen 10.653,84 euro incl. btw (8.804,83 euro excl. btw).

2. PG C. deed een beroep op A.C. om de ombouwingen in verband met de kipbak en de materiaalkoffer te leveren en te plaatsen. A.C. had in dit verband op 29 juni 2007 een offerte opgemaakt, voor een totale som van 8.766,45 euro.

Op 14 februari 2008 heeft A.C. een factuur opgemaakt ten aanzien van PG C. voor die werken, voor een totale som van 7.889,81 euro.

3. Op het identificatieverslag van de autokeuring in Diksmuide werd op 25 februari 2008 vermeld «Nuttig laadvermogen (MTM-Tarra-75kg): 1935 kg».

4. De advocaat van I.B. heeft op 9 juli 2008 de volgende aangetekende brief naar PG C. gestuurd:

«(...) Cliënte geeft mij opdracht om U aan te spreken i.v.m. haar aankoop bij uw bedrijf van een lichte vrachtwagen (CT), van het merk Citroën Jumper.

«Na heel wat moeilijkheden (laattijdige levering, ontbrekende montages, slepen van de laadbak op de wielen), is mijn cliënte naar aanleiding van een politiecontrole op 17 juni 2008 in kennis gesteld van een ernstig verborgen gebrek waarmee het voertuig behept is, namelijk een gewicht dat in strijd is met de bestelling, de afgeleverde boorddocumenten en de wetgeving, en waardoor het onmogelijk is om ladingen tot twee ton te vervoeren.

«Indien mijn cliënte van dit gebrek op de hoogte was geweest, quod non, dan zou zij de wagen nooit hebben aangekocht. Het gebrek maakt het voertuig immers volledig ongeschikt tot het gebruik waartoe I.B. het bestemd had.

«Om deze reden sommeer ik U de verkoop overeenkomstig art. 1644 BW ongedaan te maken, het voertuig terug te halen op de zetel van de vennootschap van cliënte, alsook de prijs en de hiernavolgende kosten terug te betalen: (...).

«Ook wordt voorbehoud geformuleerd voor het vorderen van bijkomende schadevergoeding met toepassing van art. 1645 BW (...).»

De advocaat van PG C. heeft de aanspraken van I.B. uitgebreid betwist in een brief van 22 juli 2008.

II. Procedure

5. I.B. heeft deze zaak (vóór haar faillissement) ingeleid bij dagvaarding die op 23 oktober 2008 werd betekend aan PG C.

...

IV. Beoordeling

...

B. Ten gronde

a. Hoofdvordering

12. De verkoper is gehouden tot vrijwaring voor de verborgen gebreken van de verkochte zaak die deze ongeschikt maken tot het gebruik waartoe men ze bestemt, of die dit gebruik zodanig verminderen dat de koper, indien hij de gebreken gekend had, de zaak niet of slechts tegen een mindere prijs zou hebben gekocht (art. 1641 BW).

Er kan sprake zijn van een verborgen gebrek indien het gebrek, zelfs als het de zaak niet intrinsiek aantast, die zaak toch ongeschikt maakt voor het gebruik waartoe de koper, met medeweten van de verkoper, de zaak bestemt of dit gebruik zodanig vermindert dat de koper ze niet of slechts tegen een mindere prijs zou hebben gekocht indien hij de gebreken gekend had (zie ook: Brussel 11 oktober 2001, JT 2002, 132; Luik 25 april 2002, RGAR 2003, nr. 13472, over het laadvermogen van een voertuig).

In dat geval heeft de koper de keuze om ofwel de zaak terug te geven en zich de prijs te doen terugbetalen (actio redhibitoria), ofwel de zaak te behouden en zich een gedeelte van de prijs te doen terugbetalen (actio aestimatoria), welk gedeelte door deskundigen zal worden bepaald (art. 1644 BW).

Indien de verkoper de gebreken van de zaak gekend heeft, is hij niet alleen gehouden tot teruggave van de prijs die hij ervoor ontvangen heeft, maar bovendien tot vergoeding van alle schade aan de koper (art. 1645 BW). Dat principe wordt ook geacht van toepassing te zijn op de actio aestimatoria (zie ook: Antwerpen 18 maart 2013, T.Not. 2014, 30; S. Marysse, «Commentaar bij artikelen 1644-1647 BW» in Comm.Bijz.Ov., 2016, p. 19, nr. 36).

Indien de verkoper de gebreken van de zaak gekend heeft, is hij niet alleen gehouden tot teruggave van de prijs die hij ervoor ontvangen heeft, maar bovendien tot vergoeding van alle schade aan de koper (art. 1645 BW). In dat geval kan de koper schade vorderen voor genotsderving ten gevolge van het gebrek (zie ook: Luik 14 september 1998, RGAR 2000, nr. 13.232; S. Marysse, «Commentaar bij artikelen 1644-1647 BW» in Comm.Bijz.Ov., 2016, p. 20, nr. 46).

De beroepsverkoper wordt geacht de gebreken van de door hem verkochte zaak te kennen in de zin van art. 1645 BW (zie ook: Luik 12 november 1997, JLMB 1998, 624). Die beroepsverkoper kan evenwel zijn onoverwinnelijke onwetendheid of de onnaspeurbaarheid van het verborgen gebrek bewijzen (zie ook: S. Marysse, «Commentaar bij artikelen 1644-1647 BW» in Comm.Bijz.Ov., 2016, p. 24, nr. 55).

Een door de technische automobielinspectie afgeleverd keuringsattest, waarin geen melding gemaakt wordt van gebreken aan een voertuig, ontslaat de professionele autoverkoper niet van de eigen verplichting om een voertuig te verkopen dat niet door een verborgen gebrek is aangetast (zie ook: Rb. Antwerpen 16 oktober 2002, RW 2005-06, 791; S. Stijns, B. Tillemans e.a., «Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten: koop en aanneming (1999-2006)», TPR 2008, p. 1555, nr. 166).

13. In deze zaak wegen de elementen van de verkoop van het voertuig Citroën Jumper zwaarder door dan de elementen van de aanneming, namelijk de bijkomende ombouwing van dat voertuig. Bijgevolg zijn de wettelijke regels over koop van toepassing op de overeenkomst die tot stand kwam tussen I.B. en PG C. (absorptietheorie).

Hoewel het niet bewezen wordt dat I.B. had geëist dat het aangekochte voertuig een laadvermogen van 2 ton zou hebben, behoorde PG C. te weten dat I.B. dat voertuig aankocht om daarvan op een nuttige wijze gebruik te maken voor haar activiteit als professionele bouwfirma.

...

Het verkochte en omgebouwde voertuig was aangetast met een functioneel gebrek, namelijk een uiterst beperkt laadvermogen. Dat gebrek verminderde het gebruik waartoe I.B. het voertuig, met medeweten van PG C., had bestemd op een zodanige wijze dat I.B. dat voertuig slechts tegen een mindere prijs zou hebben gekocht indien zij dat gebrek gekend had.

Aangezien PG C. een beroepsverkoper van voertuigen is, diende zij het functionele gebrek van het omgebouwde voertuig te kennen. Zij diende meer bepaald te weten dat het voertuig, na de ombouwing ervan, maar een uiterst beperkt laadvermogen meer zou hebben en niet meer functioneel zou zijn voor I.B. PG C. levert niet het bewijs van haar onoverwinnelijke onwetendheid of van de onnaspeurbaarheid van het verborgen gebrek. Het door de technische keuring afgeleverde attest, waarin een verkeerd laadvermogen werd vermeld, ontslaat PG C. niet van haar eigen verplichting om een omgebouwd voertuig te verkopen dat niet door een verborgen gebrek is aangetast (zie ook hierboven).

Het is niet bewezen dat I.B. op de hoogte was van dit gebrek of daarvan op de hoogte moest zijn.

...

I.B. heeft ervoor gekozen om het voertuig te behouden en vordert een vergoeding van PG C., zodat zij dus minstens impliciet vordert dat PG C. haar een gedeelte van de koopprijs terugbetaalt (actio aestimatoria).

Het gedeelte van de prijs dat terugbetaald moet worden door PG C., wordt naar redelijkheid en billijkheid als volgt bepaald, in overeenstemming met hetgeen gevorderd wordt door mr. Belpame qq.:

– aanschafwaarde van het voertuig (excl. btw): (20.570,00 euro aankoop + 8.804,83 euro ombouw) 29.374,83 euro – waardevermindering van 40%: –11.749,93 euro – verkoopwaarde op 30 mei 2011 (excl. btw): –10.700,00 euro totaal 6.924,90 euro
Die som wordt verhoogd met de moratoire intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf de gevorderde datum van 30 mei 2011 tot de dag van de volledige betaling.

14. Daarnaast moet PG C. als beroepsverkoper op grond van art. 1645 BW alle schade vergoeden aan I.B., dus ook de gevorderde genotsderving als gevolg van het gebrek. Omdat het laadvermogen van het voertuig onbruikbaar laag is, heeft I.B. niet het beoogde volledige genot gehad van de bestelde lichte vrachtwagen. Het feit dat zij die lichte vrachtwagen is blijven gebruiken, is niet in strijd met het feit dat het genot van het gebruik van dat voertuig verminderd was.

I.B. heeft een verminderd genot van het gekochte voertuig gehad vanaf het ogenblik dat zij dat voertuig in ontvangst heeft genomen. Aangezien het voertuig op 20 februari 2008 werd ingeschreven, kan uitgegaan worden van de door mr. Belpame qq. vermelde datum van 28 februari 2008. Rekening houdend met de schadebeperkingsplicht van I.B. en het feit dat zij het voertuig had kunnen verkopen vanaf de neerlegging van het eindverslag van de deskundige, liep de periode van genotsderving tot en met 28 juli 2009, namelijk de datum van de neerlegging van het eindverslag.

De genotsderving wordt, bij gebrek aan andere concrete cijfergegevens, naar redelijkheid en billijkheid bepaald op een som van 10 euro per werkdag. Aangezien de voormelde periode zeventien maanden omvat en er kan worden uitgegaan van een gemiddelde van achttien werkdagen per maand (inclusief feest- en vakantiedagen), heeft I.B. een genotsderving ondergaan van 306 werkdagen. De schadevergoeding voor genotsderving bedraagt 3.060 euro (namelijk 306 werkdagen x 10 euro per werkdag). Die som wordt verhoogd met de vergoedende intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf de gevorderde datum van 30 mei 2011 tot heden en vanaf heden met de moratoire intrest aan dezelfde intrestvoet, tot de dag van de volledige betaling.

15. In totaal is PG C. een som verschuldigd van 9.984,90 euro (namelijk 6.924,90 euro in verband met de terugbetaling van een gedeelte van de koopprijs + 3.060,00 euro schadevergoeding wegens genotsderving), te verhogen met de voormelde intrest.

b. Vordering in gedwongen tussenkomst en vrijwaring

16. Tussen PG C. en A.C. is een aannemingsovereenkomst tot stand gekomen.

Het is niet bewezen dat er sprake was van een verborgen gebrek aangezien PG C. niet betwist dat zij kennis had van het functioneel gebrek op het ogenblik van de aanvaarding van de uitgevoerde werken. PG C. heeft dat omgebouwde voertuig immers aanvaard met kennis van zaken over het uiterst beperkte laadvermogen van dat voertuig.

PG C. toont evenmin aan de A.C. een fout heeft begaan.

De vordering in gedwongen tussenkomst en vrijwaring is ongegrond.

C. Gerechtskosten

a. Hoofdvordering

17. Wat de hoofdvordering betreft, wordt PG C. als de in het ongelijk gestelde partij beschouwd, zodat zij ten aanzien van mr. Belpame qq. veroordeeld wordt tot de gerechtskosten, namelijk tot de kosten van dagvaarding en rolstelling van 226,31 euro en de kosten van het deskundigenonderzoek van 1.815,00 euro.

b. Vordering in gedwongen tussenkomst en vrijwaring

18. Wat de vordering in gedwongen tussenkomst en vrijwaring betreft, wordt PG C. als de in het ongelijk gestelde partij beschouwd, zodat zij veroordeeld wordt tot de gerechtskosten, namelijk tot de kosten van dagvaarding en rolstelling die zij zelf heeft betaald, en tot de rechtsplegingsvergoeding.

Een vordering in tussenkomst en vrijwaring creëert een nieuwe procesverhouding tussen de eiser in vrijwaring en de verweerder in vrijwaring. De partij die binnen deze procesverhouding in het ongelijk wordt gesteld, dient een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de in het gelijk gestelde partij. Deze rechtsplegingsvergoeding wordt afzonderlijk bepaald op basis van de vordering in tussenkomst en vrijwaring (zie ook: Cass. 23 juni 2016, RABG 2016, 1302).

Uit de syntheseconclusie van A.C. blijkt dat zij het geïndexeerde basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding vordert, rekening houdend met de schaal van de vordering in tussenkomst en vrijwaring van 20.000,01 euro tot 40.000,00 euro. Het bedrag van die laatste vordering wordt evenwel bepaald op grond van de hoofdvordering, in casu in de schaal van 10.000,01 tot 20.000,00 euro. Het geïndexeerde basisbedrag in verband met die schaal wordt toegerekend, namelijk de som van 1.320,00 euro.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 01/04/2018 - 15:25
Laatst aangepast op: zo, 01/04/2018 - 15:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.