-A +A

Gebrek inschrijving KBO belet geen akte van verdediging of derdenverzet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 02/01/2017
A.R.: 
C.11.0724.F

Bij gebreke van vermelding van het nummer der inschrijving in het exploot van dagvaarding [of ander geding inleidend stuk] verklaart de rechtbank de eis van ambtswege niet ontvankelijk. Hetzelfde lot ondergaan de tegeneis of de eis tot tussenkomst die hun grond vinden in een handelswerkzaamheid waarvoor de verzoeker niet ingeschreven was bij het instellen van de vordering.

Maar deze regeling geldt niet voor akten van verdediging en evenmin voor de instelling van derdenverzet, verdediging en derdenverzet dat mogelijk is ook zonder correcte inschrijving in de kruispuntbank van ondernemingen.

Het alhier besproken arrest wijkt af van de oude stelling dat de niet-ontvankelijkheid evenwel gedekt is indien ze niet vóór iedere andere exceptie of verweermiddel wordt voorgesteld.

De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregels; hij moet de juridische aard van de door partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent.

De rechter is ertoe gehouden om, mits hij het recht van verdediging eerbiedigt, de rechtsnorm te bepalen die van toepassing is op de bij hem ingestelde rechtsvordering en die norm toe te passen; de loutere afwezigheid van verweer tegen de ingeroepen niet-ontvankelijkheid, ontslaat hem daarvan niet.

Wanneer het gebrek aan inschrijving in het KBO niet door de verweerder in limine litis (voor elk verweer) werd opgeworpen, belet dit niet dat de rechter op grond van dit gebrek de vordering ambtshalve dient af te wijzen.

Publicatie
tijdschrift: 
P&B
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/3
Pagina: 
118
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.11.0724.F

1. BELGOLAISE nv,

2. BANQUE CENTRALE DU CONGO,



tegen

MEL ZAÏRE, vennootschap naar Congolees recht.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 15 maart 2010.

II. CASSATIEMIDDEL



De eiseressen voeren volgend middel aan.



Geschonden wettelijke bepalingen



- de artikelen 1025 tot 1034, inzonderheid 1033 en 1034, 1122, 1125, 1126, 1130 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 22 en 23 van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht, aangenomen bij de wet van 16 juli 2004;

- artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen;

- het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, volgens hetwelk de rechter, in burgerlijke zaken, een door de conclusie van de partijen uitgesloten betwisting niet mag opwerpen;

- het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het middel van niet-ontvankelijkheid van het derdenverzet niet-gegrond wegens niet-registratie van de verweerster in de Kruispuntbank van Ondernemingen en beslist bijgevolg dat het derdenverzet van de verweerster niet onontvankelijk moet worden verklaard wegens niet-registratie van laatstgenoemde in de Kruispuntbank van Ondernemingen, om de volgende redenen:

"In de huidige stand van zaken is het debat begrensd tot de door [de eiseressen] aangevoerde niet-ontvankelijkheid van het derdenverzet op grond van de vaststelling dat [de verweerster] gevestigd is in België, te Brussel, en dat haar derdenverzet, aangezien ze niet geregistreerd is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, niet ontvankelijk is;

[De verweerster] betwist dit middel van niet-ontvankelijkheid;

Artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen bepaalt het volgende:

'Elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot vermeldt steeds het ondernemingsnummer.

Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de handels- of ambachtsonderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van de vordering te bewijzen.

Indien de handels- of ambachtsonderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank de vordering van ambtswege onontvankelijk.

Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming eveneens onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien de onontvankelijkheid niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen';

Bij ontstentenis van inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen is geen enkele rechtsvordering ontvankelijk, ongeacht of het een hoofdvordering dan wel een tussenvordering betreft.

De ondernemer mag in een procedure niet optreden als eiser maar wel als verweerder aangezien het recht om zichzelf te verdedigen een algemeen rechtsbeginsel is (S. Wauters, Kruispuntbank van Ondernemingen, nr. 102, p. 82, in Rép. Not., t. XII, boek I4);

[De verweerster] heeft in voorliggende zaak bij wijze van derdenverzet beroep ingesteld tegen een arrest dat gewezen werd in het raam van een eenzijdige procedure waarin [zij] geen partij was. Haar derdenverzet is, zoals het verwoord is, geen vordering tegen de twee andere partijen in het geding maar een verweermiddel tegen een beslissing die haar nadeel kan berokkenen;

De sanctie van niet-ontvankelijkheid bepaald in artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 is bijgevolg niet van toepassing op het derdenverzet van [de verweerster];

Daaruit volgt dat het middel van niet-ontvankelijkheid dat steunt op de niet-registratie van [de verweerster] in de Kruispuntbank van Ondernemingen, niet gegrond is".

Grieven

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 1033 van het Gerechtelijk Wetboek, kan al wie niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, verzet doen tegen de beslissing die zijn rechten benadeelt.

Artikel 1122 van datzelfde wetboek bepaalt dat ieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, derdenverzet kan doen tegen een, zij het voorlopige, beslissing die zijn rechten benadeelt en die gewezen is door een burgerlijk gerecht, of door een strafgerecht in zoverre dit over burgerlijke belangen uitspraak heeft gedaan.

Krachtens artikel 22 van het Wetboek van internationaal privaatrecht wordt een buitenlandse rechterlijke beslissing die uitvoerbaar is in de Staat waar zij werd gewezen, in België geheel of gedeeltelijk uitvoerbaar verklaard overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 23.

Artikel 23, §3, van dat wetboek verwijst naar de regels die zijn voorgeschreven voor de procedure op eenzijdig verzoekschrift, ingevoerd door de artikelen 1025 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek.

Uit de redenen van het arrest blijkt dat de procedure op eenzijdig verzoekschrift van 7 september 2006 werd ingeleid.

Wanneer de procedure op eenzijdig verzoekschrift wordt ingeleid, mag elke derde wiens rechten door de beslissing worden benadeeld, indien hij niet in de zaak is tussengekomen, verzet doen tegen de beschikking, zoals bedoeld in die artikelen.

Hoewel het beroep, bedoeld in artikel 1033 van het Gerechtelijk Wetboek, als verzet wordt aangemerkt, dient het eigenlijk als een derdenverzet te worden beschouwd.

Het derdenverzet wordt ten aanzien van alle partijen hoofdelijk gedaan bij dagvaarding voor de rechter die de bestreden beslissing gewezen heeft.

Die dagvaarding heeft tot gevolg dat een nieuwe procedure wordt ingeleid maar dan tussen de verzetdoende partij en de [verzoeker].

Daaruit volgt dat artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 op die procedure van toepassing is, welke voorschrijft dat elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot steeds het ondernemingsnummer vermeldt en dat, indien de handels- of ambachtsonderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn, de rechtbank de vordering van ambtswege niet-ontvankelijk verklaart.

Het arrest, dat die sanctie echter weigert toe te passen op grond dat het door de verweerster ingeleide derdenverzet "geen vordering is gericht tegen de twee andere partijen in het geding maar een verweermiddel tegen een beslissing die haar nadeel kan berokkenen" verantwoordt zijn beslissing niet naar recht en schendt artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 en de in het middel bedoelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, met uitzondering van artikel 1138, 2°, van dat wetboek.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, zoals van toepas-sing op dit geschil, bepaalt in het eerste lid dat elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot steeds het ondernemings-nummer vermeldt, en in het derde lid dat indien de handels- of ambachtsonderne-ming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Onderne-mingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet inge-schreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, de rechtbank de vordering van ambtswege onontvankelijk verklaart.

Die bepaling is niet van toepassing op de akten van verweer tegen een rechtsvor-dering, zelfs niet als het een derdenverzet is.

Het arrest, dat vaststelt dat de verweerster "bij wijze van derdenverzet beroep heeft ingesteld tegen een arrest dat gewezen werd in het raam van een eenzijdige procedure waarin zij geen partij was" en dat oordeelt dat "haar derdenverzet, zo-als het geformuleerd is, geen vordering tegen de twee andere partijen is maar een verweermiddel tegen een beslissing die haar nadeel kan berokkenen", verant-woordt naar recht zijn beslissing "dat het middel van niet-ontvankelijkheid [afge-leid] uit de niet-registratie van [de verweerster] in de Kruispuntbank van Onder-nemingen niet-gegrond is".

(...)



Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseressen tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel,  en in openbare terechtzitting van 2 januari 2017 uitgesproken 

C.11.0724.F

Conclusions de M. l'avocat général J.M. Genicot.




Sur le moyen en sa première branche.



En vertu de l'article 14 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une banque-carrefour des entreprises, modernisation du registre de commerce, création du guichets d'entreprises agréés et portant diverses dispositions:

"Tout exploit d'huissier notifié à la demande d'une entreprise commerciale ou artisanale mentionnera toujours le numéro d'entreprise.

(...)

Dans le cas où l'entreprise commerciale ou artisanale ne prouve pas son inscription en cette qualité à la banque-carrefour des entreprises à la date d'introduction de son action dans le délai assigné par le tribunal ou s'il s'avère que l'entreprise n'est pas inscrite à la banque-carrefour des entreprises, le tribunal déclare l'action de l'entreprise commerciale non recevable d'office..."

Toute demande, principale ou incidente, d'une entreprise non inscrite à la banque-carrefour des entreprises et donc frappée d'irrecevabilité.

D'après l'arrêt de la Cour du 15 janvier 2015, l'article 14 précité "...ne s'applique pas aux actes de défense à une action, cet acte fut-il un acte d'appel ou un pourvoi en cassation...".

Ainsi a été déclaré recevable le pourvoi en cassation d'une société faillie nonobstant sa radiation dès lors qu'elle conservait sa qualité de défenderesse à l'action initialement mue à son égard sur la base de l'article 58 de la loi sur les faillites par le curateur devant le tribunal de commerce en homologation de la transaction conclue avec une autre société(1).

Dans le même ordre d'idées, et plus précisément encore à propos de la tierce opposition dont il est question dans la présente cause, la doctrine relève qu'"... en cas de tierce opposition, le débiteur est demandeur à la mainlevée; mais il n'en est pas moins défendeur à la preuve car, en réalité, c'est la même procédure d'autorisation qui se poursuit sous une forme contradictoire"(2).

Pour mémoire, la solution ainsi retenue par cette doctrine porte spécifiquement sur la notion d'introduction d'instance nouvelle au sens du Code judiciaire, et non au sens de la loi sur l'emploi des langues dont avait eu à connaitre le précédent arrêt de la Cour du 26 novembre 1999 et que justifiait la rédaction particulière de l'article de l'article 4 de ladite loi(3).

L'arrêt attaqué, qui rejette l'irrecevabilité prise du défaut d'immatriculation de la défenderesse à la banque Carrefour des entreprises au motif que sa tierce opposition constitue une défense contre une décision susceptible de lui être préjudiciable, est légalement justifié.

Le moyen, en sa première branche ne peut être accueilli.

Quant à la seconde branche.

(...)

Conclusion.

Je conclus au rejet.

__________________

(1) Cass. 15 janvier 2015, RG C.14.0075.F, Pas. 2015, n° 39, avec concl. du premier avocat. général H. HENKES.

(2) G. DE LEVAL, "Au sujet de l'inversion du contentieux (pour sortir du néolithique)", in Liber Amicorum Commission Droit et Vie des Affaires, Bruylant, 1998, p. 243; v. également H. BOULARBAH et J. ENGLEBERT, Observations sous Cass. 29 novembre 1999, "La tierce opposition contre une ordonnance rendue sur requête unilatérale introduit-elle une instance?", J.T. 2000, p. 420 et spéc. n° 6,7.

(3) H. BOULARBAH et J. ENGLEBERT, op. cit. n° 19 et svts; H. BOULARBAH et C. MARQUET, R.P.D.B., Législation, Doctrine, Jurisprudence, "Tierce opposition", Bruylant, n° 137.

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 25/06/2018 - 00:00
Laatst aangepast op: ma, 25/06/2018 - 00:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.