-A +A

Gebrek in de weg en de verplichting van de weggebruiker tot het schenken van aandacht aan de toestand van het wegdek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 22/10/2012

De normale dan wel abnormale gesteldheid van een zaak dient te worden beoordeeld door een vergelijking met zaken van dezelfde soort op het ogenblik van de feiten, zulks in het licht van de mogelijkheid om in bepaalde omstandigheden schade te berokkenen (Cass. 11 maart 2010, Arr.Cass. 2010, 715; Cass. 25 april 2005, RW 2007-08, 62). De zaak dient met andere woorden vergeleken te worden met haar “model”, dat niet volmaakt dient te zijn maar wel moet beantwoorden aan de eisen die men er in redelijkheid en volgens de normale maatschappelijke verwachtingen aan mag stellen (zie o.a. H. Vandenberghe, “Themis – Vormingsonderdeel verbintenissenrecht”, Academiejaar 2000-01, 99).

Wat een veilig wegverkeer hindert, kan als normaal dan wel als abnormaal worden beschouwd. Wanneer wordt vastgesteld dat een hinderende factor niet of moeilijk door een modaal bestuurder in te schatten is, kan de weg als abnormaal worden beschouwd (J. Muyldermans, “Gebruik van de zaak: voorwerp op de weg?”, TAVW 1998, 184).

De rechtbank is van oordeel dat de aanwezigheid op een geasfalteerde rijbaan, in een stedelijke omgeving, van kiezel die in een relatief grote hoeveelheid en zonder signalisatie is achtergelaten na of tijdens wegenwerken, dient te worden beschouwd als een abnormaal kenmerk van de rijbaan dat deze gebrekkig maakt, waardoor zij niet meer beantwoordt aan haar normale veilige structuur. Dit geldt in het bijzonder nu de kiezel zich bevond op een kruispunt, derhalve op een plaats waar weggebruikers richtingveranderingen uitvoeren en waar aldus gevaar voor uitschuiven was ontstaan. Dit risico was ongetwijfeld kleiner voor een vrachtwagen of personenwagen, maar was wel reëel voor een motorfiets. De veilige structuur van de weg moet dezelfde zijn voor alle op die weg toegelaten voertuigen en rijwielen. Een modaal bestuurder-motorrijder mocht zich er in principe aan verwachten dat zich op de plaats waar het ongeval zich voordeed – tenzij anders gesignaleerd, quod non – geen dergelijke hoeveelheid kiezel was achtergebleven (zie nochtans infra, 2.4 inzake de mede-aansprakelijkheid van K.S. op grond van de feitelijke zichtbaarheid van het gevaar).

De stelling dat het ongeval zich ook zou hebben voorgedaan indien er signalisatie was geplaatst, kan niet worden aangenomen, nu duidelijk blijkt dat K.S. ten val is gekomen doordat zijn aandacht niet op het gevaar was gevestigd.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
1547
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

K.S. e.a. t/ Stad Antwerpen, NV S. en NV A.B.

I. Antecedenten

Het geding tussen de partijen betreft een ongeval van 4 oktober 2005 omstreeks 8 u 51 te Antwerpen op het kruispunt van de Fruithoflaan met de Berchemlaan. Daarbij kwam K.S. met de moto Kawasaki, die eigendom was van zijn moeder R.M., ten val.

Volgens K.S. ging hij onderuit ten gevolge van kiezel die na wegenwerken op het wegdek was blijven liggen en was er geen verkeersbord dat waarschuwde voor gladheid van het wegdek.

K.S. en R.M. gingen op 19 juni 2006 over tot dagvaarding van de stad Antwerpen voor de politierechtbank.

De stad Antwerpen dagvaardde op 18 september 2006 de aannemer NV S. in tussenkomst en vrijwaring. NV A.B., BA-verzekeraar van S., is vrijwillig tussengekomen in het geding.

II. Procedure

De eerste rechter, die de oorspronkelijke vorderingen en de respectieve standpunten van de partijen nauwgezet heeft weergegeven, verklaarde in het bestreden vonnis van 1 december 2008 de vorderingen van K.S. en R.M. tegen de stad Antwerpen en NV S. ontvankelijk maar ongegrond;

...

III. Grond van de zaak

1. Rechtsgronden

De consorten S. spreken de stad Antwerpen aan op grond van art. 1384, eerste lid BW en art. 135, § 2 van de Nieuwe Gemeentewet.

De stad Antwerpen is van oordeel dat de feiten waarop de vordering gebaseerd is niet bewezen zijn en subsidiair dat geen gebrek van de rijbaan bewezen is noch een tekortkoming aan de veiligheidsverplichting van de stad. (...).

...

2. Feiten: fout, schade en oorzakelijk verband

2.1. De toedracht van het ongeval

Op het ogenblik van de feiten (4 oktober 2005) heeft K.S. van het ongeval aangifte gedaan bij de politie, die ter plaatse is gekomen en geen proces-verbaal heeft opgesteld, maar wel een kort verslag. Tevens ligt een verklaring voor van de getuige J.P., die het ongeval zelf niet heeft gezien maar wel achter zich de slag ervan heeft gehoord.

De eerste rechter heeft de relevante passages uit deze onderscheiden stukken omstandig aangehaald, zodat de rechtbank ter zake naar het bestreden vonnis verwijst.

Op grond van de in hun onderlinge samenhang gelezen vaststellingen van de politie en de verklaring van de getuige P. is de rechtbank van oordeel dat op het kruispunt van de Fruithoflaan met de Berchemlaan op het ogenblik van de feiten wel degelijk kiezel los op het wegdek lag, afkomstig van de wegenwerken die door NV S. waren uitgevoerd en die er blijkens het bestek dat daarop van toepassing was, precies in bestonden dat steenslag werd gestrooid en daarna ingewalst. De stelling van NV S. dat het losliggen van kiezel na de werken onmogelijk zou zijn wegens het gebruikte procedé (aanbrengen van een slemlaag), wordt tegengesproken door de positieve vaststelling van de politie. Uit het feit dat de politie het nodig achtte om zo vlug mogelijk signalisatie te laten aanrukken, dient bovendien te worden afgeleid dat het ging om een vrij grote hoeveelheid kiezel die een gevaar voor de weggebruikers opleverde.

Voorts kan uit de verklaring van de getuige P. die de slag van de val hoorde en preciseerde dat hij in zijn achteruitspiegel geen andere voertuigen in de nabijheid van de gevallen motorrijder heeft gezien, samen genomen met het feit dat K.S. onmiddellijk de politie heeft verwittigd, met voldoende zekerheid worden afgeleid dat K.S. inderdaad bij het nemen van de bocht ten val is gekomen doordat hij uitschoof ten gevolge van de losliggende kiezel.

2.2. De aansprakelijkheid van de stad Antwerpen

2.2.1. Er bestaat geen betwisting over de hoedanigheid van de stad Antwerpen als juridisch bewaarder van de weg waar het ongeval zich voordeed.

Opdat de aansprakelijkheidsvordering tegen de stad Antwerpen zou slagen, is vereist dat het ongeval te wijten was aan een gebrek in de zin van art. 1384, eerste lid BW, hetgeen inhoudt dat de weg een abnormaal kenmerk vertoonde waardoor in bepaalde gevallen schade kon ontstaan voor derden (H. Vandenberghe, “Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (2000-2008)”, TPR 2011, 396; Cass. 28 januari 2005, NJW 2005, 1131). Van die aansprakelijkheid wordt de stad als wegbeheerder niet bevrijd door de omstandigheid dat eventueel een derde aan de oorsprong van het gebrek ligt (Cass. 21 mei 1999, RW 2001-02, 679) en haar op die grond eventueel dient te vrijwaren (zie infra).

De normale dan wel abnormale gesteldheid van een zaak dient te worden beoordeeld door een vergelijking met zaken van dezelfde soort op het ogenblik van de feiten, zulks in het licht van de mogelijkheid om in bepaalde omstandigheden schade te berokkenen (Cass. 11 maart 2010, Arr.Cass. 2010, 715; Cass. 25 april 2005, RW 2007-08, 62). De zaak dient met andere woorden vergeleken te worden met haar “model”, dat niet volmaakt dient te zijn maar wel moet beantwoorden aan de eisen die men er in redelijkheid en volgens de normale maatschappelijke verwachtingen aan mag stellen (zie o.a. H. Vandenberghe, “Themis – Vormingsonderdeel verbintenissenrecht”, Academiejaar 2000-01, 99).

Wat een veilig wegverkeer hindert, kan als normaal dan wel als abnormaal worden beschouwd. Wanneer wordt vastgesteld dat een hinderende factor niet of moeilijk door een modaal bestuurder in te schatten is, kan de weg als abnormaal worden beschouwd (J. Muyldermans, “Gebruik van de zaak: voorwerp op de weg?”, TAVW 1998, 184).

De rechtbank is van oordeel dat de aanwezigheid op een geasfalteerde rijbaan, in een stedelijke omgeving, van kiezel die in een relatief grote hoeveelheid en zonder signalisatie is achtergelaten na of tijdens wegenwerken, dient te worden beschouwd als een abnormaal kenmerk van de rijbaan dat deze gebrekkig maakt, waardoor zij niet meer beantwoordt aan haar normale veilige structuur. Dit geldt in het bijzonder nu de kiezel zich bevond op een kruispunt, derhalve op een plaats waar weggebruikers richtingveranderingen uitvoeren en waar aldus gevaar voor uitschuiven was ontstaan. Dit risico was ongetwijfeld kleiner voor een vrachtwagen of personenwagen, maar was wel reëel voor een motorfiets. De veilige structuur van de weg moet dezelfde zijn voor alle op die weg toegelaten voertuigen en rijwielen. Een modaal bestuurder-motorrijder mocht zich er in principe aan verwachten dat zich op de plaats waar het ongeval zich voordeed – tenzij anders gesignaleerd, quod non – geen dergelijke hoeveelheid kiezel was achtergebleven (zie nochtans infra, 2.4 inzake de mede-aansprakelijkheid van K.S. op grond van de feitelijke zichtbaarheid van het gevaar).

De stelling dat het ongeval zich ook zou hebben voorgedaan indien er signalisatie was geplaatst, kan niet worden aangenomen, nu duidelijk blijkt dat K.S. ten val is gekomen doordat zijn aandacht niet op het gevaar was gevestigd.

Uit wat voorafgaat volgt dat het ongeval zijn oorzaak vindt in een gebrek van de rijbaan in de zin van art. 1384, eerste lid BW. Dat het gebrek eventueel – in beperkte mate, aangezien het ongeval zich voordeed na het nemen van een bocht – voor K.S. zichtbaar was, neemt noch het gebrek, noch het oorzakelijk verband daarvan met het ongeval weg (vgl. Cass. 21 oktober 1993, RW 1995-96, 12; Cass. 17 december 2010, Arr.Cass. 2010, 3060).

De stad Antwerpen is derhalve als wegbeheerder op grond van art. 1384, eerste lid BW aansprakelijk voor het ongeval opzichtens K.S.

...

2.4. De aansprakelijkheid van K.S.

Ook de eventuele aansprakelijkheid van K.S. dient te worden beoordeeld. De omstandigheden dat schade werd veroorzaakt door een fout van de overheid, sluit immers de mede-oorzakelijkheid van een door de benadeelde begane fout niet uit (Cass. 10 mei 2007, Arr.Cass. 2007, 998; Cass. 23 mei 2007, Pas. 2007, 977).

K.S. bleef immers zoals elkeen de bewaker van zijn eigen veiligheid en diende als normaal alerte motorrijder niet alleen oog te hebben voor de verkeerssituatie rond hem, maar ook voor de toestand van de rijbaan zelf. Dat dit voor hem mogelijk was, blijkt afdoende uit de verklaring van J.P., die vóór K.S. uitreed, dat hij dit traag deed wegens de aanwezigheid van opspattend grind.

Derhalve dient te worden besloten dat K.S. zelf ook een fout heeft begaan door bij het nemen van zijn bocht op het kruispunt onvoldoende aandacht op te brengen voor de toestand van het wegdek aldaar.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 27/05/2015 - 10:26
Laatst aangepast op: wo, 27/05/2015 - 10:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.