-A +A

GASboete voor vuilzak de avond voor de ophaling buiten te zetten boete werd door rechter herleid tot 1 euro

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
don, 28/06/2012
A.R.: 
12A153
Publicatie
tijdschrift: 
niet gepubliceerd
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

 
 
POLITIERECHTBANK BRUGGE
 
Openbare terechtzitting van : 28 juni 2012
 
                                                                                                   Rep. Nr. 2012/
 
 
De Politierechtbank te Brugge, vierde burgerlijke kamer, heeft het hierna volgend vonnis verleend:
 
In de zaak A.R. nr. 12A153
 
Vonnis op tegenspraak en in eerste aanleg
 
 
De heer GVB wonende  te 8400 Oostende
 
appellant:
 
in persoon verschijnend
 
 
tegen
 
 
De STAD OOSTENDE, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, met burelen Stadhuis Vindictivelaan 1 te 8400 Oostende
 
geïntimeerde:
 
 
 
***************
 
 
I. Rechtspleging
 
De zaak werd ingeleid bij verzoekschrift tot hoger beroep dat op 27 januari 2011 op de griffie werd neergelegd en dat met gerechtsbrief van 10 mei 2012 werd aangezegd aan geïntimeerde.
 
Partijen hebben in openbare terechtzitting dd. 21 juni 2012 van de vierde burgerlijke kamer van de Politierechtbank te Brugge hun standpunt uiteengezet.
 
De Rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde stukken.
 
De artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in ge-rechtszaken werden nageleefd.
 
II. Ten gronde
 
A. GEGEVENS EN VOORWERP VAN DE VORDERING
 
De vordering van appellant strekt ertoe de beslissing dd. 17 december 2010 tot het opleggen van een gemeentelijke administratieve geldboete te vernietigen. In die beslissing werd hem een geldboete opgelegd van 59,00 euro wegens een inbreuk op art. 33 en 34a van de stedelijke verordening betreffende de openbare reinheid.
 
 
B. BEOORDELING
 
1. Voornaamste feitelijke elementen en antecedenten

Blijkens een zg. “bestuurlijk verslag” stelde een Oostends gemachtigd ambtenaar op zondag 13 juni 2010 om 10u. vast dat in de Van Iseghemlaan te Oostende, ter hoogte van het huis nummer …, een reglementaire huisvuilzak tegen de boomhaag stond, terwijl de huisvuilophaling pas zou gebeuren op maandagochtend. De zak werd meegenomen en doorzocht en men vond een brief gericht aan de heer GVB..
 
Met aangetekende brief van 27 juli 2010 werd de heer GVB ingelicht van het feit dat er tegen hem een bestuurlijk verslag was opgesteld wegens een inbreuk op art. 33 en 34a van de stedelijke verordening betreffende de openbare reinheid, aangezien het huisvuil enkel op de dag van de ophaling vanaf 5u. ’s morgens mag worden buiten gezet. In de brief staat dat er appellant een geldboete van maximaal 62,50 euro kan worden opgelegd en hij wordt uitgenodigd om zijn verweermiddelen schriftelijk te laten geworden door middel van een aangetekende brief. Bij de brief was een kopie gevoegd van het bestuurlijk verslag.
 
Blijkbaar is die brief door de Post teruggestuurd aan afzender, zodat hij op 24 augustus 2010 nog een keer werd verstuurd per gewone post.
 
Op 17 december 2010 volgde de aangevochten beslissing. Daarin staat dat de aangetekende brief van 27 juli 2010 is teruggekeerd, zodat hij nog eens werd verstuurd op 24 augustus 2010, zij het dan per gewone post. Verder wordt gezegd dat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om schriftelijk zijn verweer te bezorgen. De inbreuk wordt bewezen verklaard en de heer GVB wordt veroordeeld om een administratieve geldboete te betalen van 59,00 euro.
 
 
2. Ontvankelijkheid
 
De bestreden beslissing werd ter kennis gebracht aan appellant met aangetekende brief van 27 december 2010. Krachtens art. 119bis &12 Gem.W. beschikt de overtreder over een termijn van een maand om beroep aan te tekenen.    Het verzoekschrift tot hoger beroep werd binnen die termijn, op 27 januari 2011, op de griffie neergelegd, zodat het beroep ontvankelijk is.
 
In dit verband weze aangestipt dat de griffie na ontvangst van het verzoekschrift aan appellant heeft gevraagd om het rolrecht te betalen (35,00 euro). Dat werd pas op in mei 2012 betaald, zodat de griffie het verzoekschrift op 10 mei 2012 heeft aangezegd aan geïntimeerde.
 
Het hoger beroep is ontvankelijk als het verzoekschrift tijdig is ingediend, ook al wordt het rolrecht pas later betaald, na het verstrijken van de beroepstermijn. De latere betaling heeft enkel tot gevolg dat de zaak slechts later op de rol wordt ingeschreven, maar heeft geen invloed op de datum van het indienen van het verzoekschrift in hoger beroep. (Gent, 6 december 1994, T.W.V.R. 2000, blz. 3)
 
Het kwijten van het rolrecht is inderdaad een louter fiscale verplichting, zonder dewelke de rolstelling niet zal of kan gebeuren, maar dat belet niét dat de datum van de neerlegging van het verzoekschrift tot hoger beroep decisief is voor wat betreft de tijdigheid van het hoger beroep. De betaling van het rolrecht heeft geen impact op de vraag wanneer de rechter wordt gevat. Het feit dat het rolrecht pas met vertraging werd betaald (en zelfs maar betaald werd lang nadat de fiscale zaak was afgehandeld), belet dus niét dat het hoger beroep wel degelijk tijdig en ontvankelijk is.
 
 
3. Ten gronde
 
a) Inbreuk bewezen ?
 
1.   In zijn verzoekschrift tot hoger beroep zegt appellant dat hij na ontvangst van de brief van de sanctie-ambtenaar wél heeft geantwoord en hij legt een kopie voor van een brief gedateerd 17 augustus 2010 met het bewijs van aangetekende verzending. Daarin heeft hij in essentie geschreven dat hij toen nog woonde in Everberg, maar aan het verhuizen was naar Oostende, Van Iseghemlaan.   “We vertrekken dus terug naar Everberg, elke zondagmorgen. Het is dan dat wij voor ons vertrek, de vuilniszakken buiten zetten op de aangeduide plaats. Het intern reglement van onze building laat niet toe de vuilniszakken binnen te stockeren of in de kelder te plaatsen. Dus, als goede huisvader, pakken wij alles netjes in en zetten wij de vuilniszak voor ons huis. Ik begrijp dus niet wat er fout is en als er een fout zou zijn, verwacht ik van jullie diensten een oplossing in afwachting dat wij er definitief wonen…”
 
Vreemd is dat de brief van de sanctie-ambtenaar dd. 27 juli 2010 als referte heeft: “1130/10/3/26343/AB”, terwijl appellant in zijn brief van 17 augustus 2010 een andere referte vermeldt. (1130/10/3/27181/AB)
 
Daar komt bij dat de aangetekende brief van de sanctie-ambtenaar van 27 juli 2010 appellant nooit zou bereikt hebben, aangezien de Post hem terugstuurde aan afzender. Diezelfde brief werd dan nog eens per gewone post verstuurd op 24 augustus 2010, maar al op 17 augustus reageerde appellant op een brief die hij pas een week later zou ontvangen…
 
Het is de Rechtbank dan ook allerminst duidelijk of de brief van 17 augustus 2010 van appellant werkelijk betrekking heeft op de feiten van 13 juni 2010. Er kan de sanctie-ambtenaar bezwaarlijk verweten worden dat hij niet geantwoord heeft.
 
 
2.    Wat er ook van zij: belangrijker is dat de beschouwingen in de brief van 17 augustus 2010 van appellant op geen enkele manier afbreuk doen aan het bestaan van de inbreuk.
 
De stedelijke verordening houdt immers in dat men het huisvuil slechts mag buiten zetten op de dag van de huisvuilophaling vanaf 5 u. ‘s morgens.   Dit betekent concreet dat appellant het huisvuil pas op maandag 14 juni mocht buiten zetten.
 
In zijn brief van 17 augustus 2010 heeft hij uitdrukkelijk bevestigd dat hij het al de zondagochtend heeft buiten gezet omdat hij dan vertrok naar Everberg.   Maar volgens hem was dat geen “fout”. Een inbreuk op de verordening was het nochtans manifest.
 
Dat appellant naar Everberg vertrok kan best juist zijn, maar het kan geen motief zijn om de verordening te overtreden.   Het feit dat iemand op maandagochtend niet thuis is omdat hij op reis is, naar zijn andere woon- of verblijfplaats is (te Oostende zijn er heel wat “tweede verblijvers”) of om welke reden dan ook, kan geen vrijgeleide zijn om dan maar de verordening te overtreden.
 
En ook het argument dat appellant de stedelijke verordening niet kende, kan geen excuus zijn: elke Belg wordt immers geacht de wet te kennen.   Dat is misschien een fictie, maar het is de enige manier om de wet te handhaven.   Anders zou zelfs iedere moordenaar of iedere dief vrijuit kunnen gaan als hij maar voorhoudt dat hij niet op de hoogte was van de wet die zegt dat moorden of stelen verboden is en strafbaar…
 
De brief van appellant dd. 17 augustus 2010 gaat eigenlijk uit van het vertrekpunt dat de overheid haar regelgeving of haar werking moet aanpassen aan de allerindividueelste verlangens van ieder individu en/of aan de allerindividueelste bepalingen van interne reglementen van appartementsgebouwen: het ene individu is op maandag nooit thuis, dus men moet de verordening aanpassen in die zin dat hij zijn vuilzak toch al op zondag mag buiten zetten of men moet de ronde van de vuilniskar aanpassen, zodat ze in zijn straat niet langs komt op maandag.   Een ander individu is op dinsdag niet thuis enz… Het ene interne reglement zegt zus en het andere zegt zo en de overheid moet haar verordeningen daarop afstemmen en voor iedere individuele burger een individuele reglementering maken, want het eigen belang is heilig…
 
Het omgekeerde is natuurlijk waar: het individu en de gemeenschap van mede-eigenaars hebben zich aan te passen aan een rechtsgeldig en democratisch tot stand gekomen wet of verordening en zij dienen het eigen belang ondergeschikt te maken aan het algemeen belang…
 
Conclusie: De argumentatie van appellant doet niets af aan de vaststelling dat de inbreuk vast staat.
 
 
b) Sanctie ?
 
Ter zitting van 21 juni 2012 is gebleken dat appellant niet alleen een geldboete van 59,00 euro heeft gekregen, maar dat er hem ook een belasting van 125,00 euro werd opgelegd “op het weghalen en verwijderen van afvalstoffen”. Die belasting heeft hij betaald. Ze werd uitvoerbaar verklaard op 29 november 2010 en het aanslagbiljet werd aan appellant verstuurd op 9 december 2010.
 
Dat betekent dat het aanslagbiljet al verstuurd was toen op 17 december 2010 beslist werd om voor dezelfde feiten een geldboete op te leggen.
 
Naar het oordeel van de Rechtbank is het juridisch-technisch mogelijk om én een belasting te heffen én te voorzien in een administratieve geldboete.  
 
Een belasting is immers “een heffing, eigenmachtig gedaan door de Staat, de provincies of gemeenten op de geldmiddelen van personen… en uiteindelijk bestemd voor de diensten van algemeen nut” (advies 3-2004 van de Hoge raad voor binnenlands bestuur inzake “problematiek van de parkeerheffing”, blz. 4, www.binnenland.vlaanderen.be) Als iemand vuilnis op straat zet en de reinigingsdienst moet opgetrommeld worden om dat te komen opruimen kan de betrokkene belast worden voor deze “dienstverlening”.
 
Los van de “belasting” staat dan de administratieve geldboete, die een “straf” is in de zin van art. 6 EVRM, aangezien zij bedoeld is voor het publiek in het algemeen en een repressieve bedoeling heeft, waardoor zij een uiting is van het “gewapend bestuur”. (VENY L. e.a., De gemeentelijke administratieve sancties… bis, bijdrage in Gandaius Actueel X, blz. 72, nr. 14 ; DE SUTTER T., De gemeentelijke admini-stratieve sancties 1999-2009, bijdrage in Gemeentelijke administratieve sancties ba-lans 1999-2009, Die Keure, 2010, blz. 11)
 
Al kunnen beide theoretisch naast mekaar bestaan, men kan zich toch afvragen welke zin het heeft (en wat het kost) twee verschillende ambtenaren met hun “staf” te belasten met het behandelen van één en hetzelfde dossier waarbij de ene een belasting int en de andere voor dezelfde feiten een geldboete, die uiteindelijk terechtkomen in één en dezelfde stadskas. Het is echter niét de Rechter die deze afweging moet maken. Hij mag de opportuniteit van de opgelegde sanctie niét beoordelen en beschikt slechts over een marginaal toetsingsrecht. (DE VOS N. en VENY M., Gemeentelijke bestuurlijke sancties… een nieuwe mogelijkheid tot bestraffing van jongeren bij openbare overlast, R.W. 2005-06, 481 e.v., nr. 44 ; VENY L. en DE VOS N., De gemeentelijke bestuurlijke sancties en de bestuurlijke procedures van sanctie-oplegging, bijdrage in Gemeentelijke administratieve sancties, o.c. blz. 107-108, nr. 134 ; DE SUTTER T., o.c., blz. 52, nr. 78)
 
Art. 119bis §5 Gem.W. bepaalt dat de sanctie die de bevoegde ambtenaar neemt evenredig moet zijn aan de zwaarte van de feiten. Mag de Politierechter niét oordelen over de opportuniteit van de sanctie, hij beoordeelt wel de wettigheid en de pro-portionaliteit van de opgelegde geldboete. (Omzendbrief 00P30bis dd. 3 januari 2005 aangaande de uitvoering van de wetten van 13 mei 1999 tot invoering van gemeentelijke administratieve sancties, van 7 mei 2004 tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en de nieuwe gemeentewet en van 17 juni 2004 tot wijziging van de nieuwe gemeentewet, B.S. 20 januari 2005, nr. 38) Zo kan hij sleutelen aan het bedrag van de verschuldigde boete wegens disproportionaliteit tussen de daad en de sanctie. (DE VOS N. en VENY L., Gemeentelijke bestuurlijke sancties… een nieuwe mogelijkheid tot bestraffing van jongeren bij open-bare overlast, R.W. 2005-06, 481 e.v., in het bijzonder 494, nr. 44)
 
Proportionaliteit moet worden betrokken op het redelijkheidsbeginsel. Het redelijk-heidsbeginsel houdt in dat de overheid bij het nemen van een beslissing alle betrokken belangen vooraf op redelijke wijze moet afwegen. (VENY L. e.a., o.c., Gandaius Actueel, X,, blz. 89, nr. 63) 
 
De ambtenaar die de beslissing neemt is gehouden het zorgvuldigheidsbeginsel na te leven, dat hem verplicht ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk geïnventariseerd en gecontroleerd worden, zodat hij met kennis van zaken kan beslissen en de betrokken belangen zorgvuldig inschat en afweegt, derwijze dat particuliere belangen niét nodeloos worden geschaad. (idem).
 
Proportionaliteit slaat op de evenredigheid tussen de overtreding en het leed dat de straf meebrengt. (DE SUTTER T., o.c., blz. 42, nr. 66)

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de sanctieambtenaar in dit dossier onvoldoende tot geen rekening gehouden met “alle” aspecten van de zaak, want hij heeft klaarblijkelijk geen rekening gehouden met het in de Stad Oostende bestaande belastingsreglement, waarvan toch mag worden aangenomen dat het hem bekend was. 
 
De sanctieambtenaar moest redelijkerwijze niet alleen weten dat appellant zou verzocht worden een belasting te betalen, hij moest ook weten dat er aan appellant al effectief een aanslagbiljet was verstuurd en hij moest dus weten dat het gecumuleerd effect van én een belasting én een geldboete zou betekenen dat appellant uiteindelijk € 184,00 zou moeten betalen voor één enkele inbreuk, waardoor zijn particuliere belangen ernstig zouden geschaad worden.  
 
In elk geval is er in zijn beslissing geen enkel element te vinden waaruit blijkt dat hij hiermee rekening heeft gehouden.   Het komt de Rechtbank dan ook voor dat hij bij het opleggen van een administratieve geldboete van 59,00 euro bovenop de belasting van 125,00 euro de betrokken belangen niét zorgvuldig heeft ingeschat en afgewogen en dat hij de particuliere belangen van appellant nodeloos en op een disproportionele wijze heeft geschaad.
 
Rekening houdend met de reeds vermelde belasting én met het feit dat het in hoofde van appellant gaat om een eerste inbreuk (hetgeen in de aangevochten beslissing uitdrukkelijk wordt vermeld) is de Rechtbank van oordeel dat een geldboete van 1,00 euro kan volstaan om appellant de ernst van zijn gedragingen te doen inzien en hem ertoe aan te zetten in de toekomst de regels inzake de huisvuil”verwerking” stipt na te leven.
 
Gezien het wederzijds gelijk en ongelijk moeten de kosten verdeeld worden in die zin dat appellant het door hem voorgeschoten rolrecht recupereert, terwijl alle overige kosten gecompenseerd worden en iedere partij dus zelf moet instaan voor haar eigen kosten.
 
 
OM DEZE REDENEN
 
DE RECHTBANK
 
Rechtsprekende in laatste aanleg en op tegenspraak
 
Alle strijdige en meeromvattende besluiten verwerpende als ongegrond, niet terzake dienend en/of overbodig.
 
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond

Herleidt de opgelegde administratieve geldboete tot 1,00 euro.
 
Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van het door appellant betaalde rolrecht, in totaal begroot op € 35,00, compenseert de overige gedingkosten en zegt voor recht dat iedere partij zelf moet instaan voor de langs haar zijde vervallen kosten, reden waarom ze niet moeten begroot worden.
 
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge, vierde burgerlijke kamer, op donderdag 28 juni 2012, waar aanwezig zijn Peter VANDAMME, rechter in de politierechtbank, en Mia MOMMERENCY, griffier
 
 
 
Mia MOMMERENCY
Peter VANDAMME
 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 21/09/2013 - 01:30
Laatst aangepast op: za, 21/09/2013 - 01:33

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.