-A +A

GASboete administratief beroep kan niet ingesteld met ter griffie neergelegde brief

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 24/01/2017

Blijkens de inhoud van art. 31, § 1 GAS-wet zijn de (regels van de) burgerlijke procedure en de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek expliciet van toepassing op het hoger beroep.

In art. 31, § 1, derde lid GAS-wet wordt bepaald dat de politierechtbank beslist in het kader van een contradictior en openbaar debat. Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat een eenzijdig verzoekschrift (artt. 1025 e.v. Ger.W.) hieraan alvast niet voldoet.

In de burgerlijke procedure en de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek kent men voorts nog twee vormen van verzoekschriften op tegenspraak waarmee een zaak kan worden ingeleid:

– het in art. 1034bis Ger.W. bedoelde verzoekschrift op tegenspraak dat van toepassing is op de inleiding van vorderingen indien de wet afwijkt van de algemene regel die voorziet in een inleiding van de hoofdvorderingen bij dagvaarding, of

– het in art. 1056, 2o Ger.W. bedoelde verzoekschrift op tegenspraak waarbij hoger beroep wordt ingesteld.

Gelet op het feit dat de procedure voor de politierechtbank in wezen de behandeling van een (hoger) beroep en dus een beroepsprocedure betreft (weliswaar niet tegen een rechterlijke beslissing maar tegen een administratieve beslissing), gelet op het feit dat de beroepsprocedure voor de politierechtbank uitdrukkelijk verloopt volgens de regels van de burgerlijke procedure en dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk van toepassing zijn, is de rechtbank van oordeel dat het in art. 31, § 1, eerste lid GAS-wet bedoelde verzoekschrift moet voldoen aan de vereisten van art. 1057 Ger.W.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
32
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

W. t/ Stad Gent

I. Procedure

Het hoger beroep werd, naargelang het standpunt van de partijen, ingeleid bij brief van 13 februari 2016, neergelegd ter griffie op 16 februari 2016, of bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie op 4 maart 2016.

...

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt betwist.

Onverminderd art. 31, § 1, eerste tot zevende lid van de wet van 24 juni 2013 «betreffende de gemeentelijke administratieve sancties» (hierna: «GAS-wet») zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op het beroep bij de politierechtbank (art. 31, § 1, achtste lid GAS-wet).

II. Relevante feiten

Op 6 september 2015 werd vastgesteld dat aan de woning van de appellant (...) te Gent op het trottoir een steiger stond opgesteld zonder signalisatie.

Een proces-verbaal, zoals bedoeld in art. 20 GAS-wet, werd opgemaakt.

Per aangetekende brief van 8 oktober 2015, en verstuurd op 9 oktober 2015, deed de sanctionerend ambtenaar de in art. 25, § 2 GAS-wet bedoelde mededeling aan de appellant.

De appellant voerde geen mondeling of schriftelijk verweer.

III. De bestreden beslissing

In diens administratieve beslissing van 18 januari 2016 legde de sanctionerend ambtenaar aan de appellant een administratieve geldboete van 240 euro op.

De sanctionerend ambtenaar was van oordeel dat in de persoon van de appellant een overtreding van art. 2 van de politieverordening betreffende de uitvoering van werken en van art. 1 van de politieverordening op de privatieve ingebruikneming van de openbare weg bewezen is.

De administratieve beslissing werd per aangetekende brief van 18 januari 2016, en verstuurd op 19 januari 2016, ter kennis gebracht van de appellant.

IV. Vordering

De appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beslissing. Het hoger beroep van de appellant strekt ertoe, zoals laatst gesteld in zijn op 7 juli 2016 ter griffie neergelegde conclusie: het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en de betwiste GAS-boete te annuleren (...).

De appellant voert als middel tegen de bestreden beslissing aan dat voor dezelfde feiten al eerder een proces-verbaal werd opgemaakt (waarop trouwens een GAS-boete volgde die werd betaald) en dat het hem onmogelijk was om de toestand te regulariseren in de korte tijdspanne tussen de eerdere vaststellingen en de vaststellingen die het voorwerp uitmaken van huidig geschil.

V. Beoordeling

Op grond van art. 31, § 1, eerste lid GAS-wet kan de gemeente of de overtreder, in geval van een administratieve geldboete, beroep instellen bij geschreven verzoekschrift bij de politierechtbank, volgens de burgerlijke procedure, binnen een maand na de kennisgeving van de administratieve beslissing.

Op het beroep bij de politierechter zijn, onverminderd art. 31, § 1, eerste tot zevende lid GAS-wet, de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing (art. 31, § 1, achtste lid GAS-wet).

De GAS-wet, met art. 31, § 1 zoals van toepassing in huidig geschil, werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 1 juli 2013 (p. 41.293 e.v.).

In art. 25 van het op 1 december 2014 in werking getreden algemeen reglement op de gemeentelijke administratieve sancties van de geïntimeerde, zoals goedgekeurd in de gemeenteraad van 24 november 2014 en bekendgemaakt op 27 november 2014, wordt herhaald dat de meerderjarige overtreder in geval van een administratieve geldboete bij geschreven verzoekschrift een beroep kan instellen bij de politierechtbank, volgens de burgerlijke procedure, binnen een maand na de kennisgeving van de administratieve beslissing.

Bij brief van 13 februari 2016, neergelegd ter griffie op 16 februari 2016, liet de appellant aan de griffie weten: «Ik teken beroep aan tegen de administratieve beslissing. Ik heb voor dezelfde overtreding al een boete betaald (...).»

Op 4 maart 2016 legde de appellant een verzoekschrift tot hoger beroep tegen een gemeentelijke administratieve sanctie neer ter griffie.

Het wordt niet betwist dat het op 4 maart 2016 ter griffie neergelegde verzoekschrift alvast als een geschreven verzoekschrift in de zin van art. 31, § 1, eerste lid GAS-wet moet worden beschouwd. Naar de vorm voldoet het op 4 maart 2016 ter griffie neergelegde verzoekschrift aan de vereiste van art. 31, § 1, eerste lid GAS-wet.

Het wordt echter terecht evenmin betwist dat het op 4 maart 2016 ter griffie neergelegde verzoekschrift na het verstrijken van de in art. 31, § 1, eerste lid GAS-wet bepaalde termijn werd neergelegd.

Voor zover het hoger beroep aldus zou ingeleid zijn bij het op 4 maart 2016 ter griffie neergelegde verzoekschrift, is dit in ieder geval laattijdig en dient het afgewezen te worden als onontvankelijk.

Het wordt voorts niet betwist dat de op 16 februari 2016 ter griffie neergelegde brief van 13 februari 2016 op zich binnen de in art. 31, § 1, eerste lid GAS-wet bepaalde termijn werd neergelegd.

De vraag rijst nu of de op 16 februari 2016 ter griffie neergelegde brief voldoet aan de vereiste van een geschreven verzoekschrift zoals bedoeld in art. 31, § 1, eerste lid GAS-wet.

Blijkens de inhoud van art. 31, § 1 GAS-wet zijn de (regels van de) burgerlijke procedure en de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek expliciet van toepassing op het hoger beroep.

In art. 31, § 1, derde lid GAS-wet wordt bepaald dat de politierechtbank beslist in het kader van een contradictior en openbaar debat. Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat een eenzijdig verzoekschrift (artt. 1025 e.v. Ger.W.) hieraan alvast niet voldoet.

In de burgerlijke procedure en de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek kent men voorts nog twee vormen van verzoekschriften op tegenspraak waarmee een zaak kan worden ingeleid:

– het in art. 1034bis Ger.W. bedoelde verzoekschrift op tegenspraak dat van toepassing is op de inleiding van vorderingen indien de wet afwijkt van de algemene regel die voorziet in een inleiding van de hoofdvorderingen bij dagvaarding, of

– het in art. 1056, 2o Ger.W. bedoelde verzoekschrift op tegenspraak waarbij hoger beroep wordt ingesteld.

Gelet op het feit dat de procedure voor de politierechtbank in wezen de behandeling van een (hoger) beroep en dus een beroepsprocedure betreft (weliswaar niet tegen een rechterlijke beslissing maar tegen een administratieve beslissing), gelet op het feit dat de beroepsprocedure voor de politierechtbank uitdrukkelijk verloopt volgens de regels van de burgerlijke procedure en dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk van toepassing zijn, is de rechtbank van oordeel dat het in art. 31, § 1, eerste lid GAS-wet bedoelde verzoekschrift moet voldoen aan de vereisten van art. 1057 Ger.W.

De op 16 februari 2016 ter griffie neergelegde brief van 13 februari 2016 voldoet niet aan de vereisten van art. 1057 Ger.W. en kan dan ook niet gelden als een geschreven verzoekschrift waarbij beroep werd ingesteld tegen de administratieve beslissing van 18 januari 2016.

Het hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie op 4 maart 2016. Dit hoger beroep is laattijdig. Het hoger beroep dient bijgevolg afgewezen te worden als onontvankelijk.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 01/09/2017 - 18:18
Laatst aangepast op: vr, 01/09/2017 - 18:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.