-A +A

GAS-boete voor uitgebroken paard na wegenwerken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
don, 10/05/2012
A.R.: 
12A76

De rechter toont aan hoe schromelijk de rechten van verdediging en het recht op eerlijk proces geschonden werden doordat de sanctionerende ambtenaar zijn beslissing niet steunt op een volledig strafbundel dat volledig kon worden ingezien, maar op basis van telefoontjes met agenten en zelfs een ontwerp van zijn beslissing ter kennis brengt van de politiediensten en zich van de rechten van verdediging niets aantrekt. De rechter concludeert dat dit een rechtstaat onwaardig is.

Een strafrechter moet oordelen op basis van het dossier en de “beklaagde” moet kennis kunnen nemen van dat dossier en zich erop kunnen verdedigen. Een strafrechter vermag niét te oordelen op basis van stukken die aan de “beklaagde” niet werden vertoond

Een strafrechter vermag niet te oordelen op basis van “contacten” met agenten die tot stand komen nadat de “beklaagde” zijn verweer heeft voorgebracht en waarvan die “beklaagde” geen kennis heeft. Een strafrechter moet oordelen in alle onafhankelijkheid en wordt niet geacht zijn ontwerp van vonnis voor te leggen aan de verbalisanten en/of aan de Procureur des Konings opdat die opmerkingen of aanvullingen zouden bezorgen.

Dat alles geldt even goed voor de sanctie-ambtenaar die een “straf” oplegt.

Publicatie
tijdschrift: 
niet gepubliceerd
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

 
 
POLITIERECHTBANK BRUGGE
 
Openbare terechtzitting van : 10 mei 2012
 
                     Rep. Nr. 2012/
 
 
De Politierechtbank te Brugge, vierde burgerlijke kamer, heeft het hierna volgend vonnis verleend:
 
In de zaak A.R. nr. 12A76
 
Vonnis op tegenspraak en in laatste aanleg
 
 
De heer GP Hooglede
 
appellant:
 
in persoon
 
 
tegen
 
 
De GEMEENTE OOSTKAMP, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, met burelen Kapellestraat 19 te 8020 Oostkamp
 
geïntimeerde:
 
 
 
***************
 
 

I. Rechtspleging

 

 
De zaak werd ingeleid bij verzoekschrift tot hoger beroep dat op 9 maart 2012 op de griffie werd neergelegd en dat met gerechtsbrief van dezelfde dag werd aangezegd aan geïntimeerde.
 
Partijen hebben in openbare terechtzitting dd. 26 april 2012 van de vierde burgerlijke kamer van de Politierechtbank te Brugge hun standpunt uiteengezet.
 
De Rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde stukken.
 
De artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
 
II. Ten gronde
 
 

A. GEGEVENS EN VOORWERP VAN DE VORDERING

 

 
De vordering van appellant strekt ertoe de beslissing dd. 2 maart 2012 tot het opleggen van een gemeentelijke administratieve geldboete te vernietigen. In die beslissing werd hem een geldboete opgelegd van 60,00 euro wegens een inbreuk op art. 127 van het gemeentelijk algemeen politiereglement.
 
  
B. BEOORDELING
 
1. Voornaamste feitelijke elementen en antecedenten
 
1.    Op 31 januari 2012 stelden twee inspecteurs van politie, de heren Christophe Segers en Bart Soenens, een proces-verbaal op in verband met een paard dat los liep in de … te Oostkamp, ter hoogte van het huis nummer …

Volgens het proces-verbaal werden zij om 10.15u. gecontacteerd door de dispatching en kwamen zij omstreeks 10.30u. ter plaatse. In de weide tegenover het huis nummer … liepen twee paarden.   Van een wegenwerker vernamen zij dat één van die paarden tot juist voor hun aankomst op de rijbaan liep. Ze stelden vast dat de afsluiting van de weide in zeer slechte staat verkeerde. De draad, bevestigd aan houten palen, vertoonde grote openingen en hing op diverse plaatsen volledig los. Volgens hen was “de afsluiting totaal ontoereikend om de paarden op afdoende wijze in de weide te kunnen houden.”

Zij zagen ook dat er een politielint vasthing aan de afsluiting, waaruit zij hebben afgeleid dat er al eerder een tussenkomst moet geweest zijn. Nazicht in de politiebestanden leerden hen dat er inderdaad al op 22 oktober 2010 om 1.57u. een interventie was geweest voor een loslopend paard op de rijbaan. Het paard dat toen werd aangetroffen was uitgebroken uit dezelfde weide. Er werd toen geen proces-verbaal opgemaakt.

De agenten hebben zes foto’s gemaakt waarop de slechte staat van de afsluiting is te zien en ze voegden die als bijlage bij hun proces-verbaal.

Op 7 februari 2012 vernamen zij van de wijkagent, Chris Schepens, dat de eigenaar van de paarden ene GP was uit Hooglede. De wijkagent zou hem gecontacteerd hebben en gevraagd hebben om de afsluiting te herstellen.

Het proces-verbaal werd afgesloten op 15 februari 2012.

2.   
Met aangetekende brief van 28 februari 2012 werd de heer GP ingelicht van het feit dat er tegen hem een proces-verbaal was opgesteld wegens een inbreuk op art. 127 van het gemeentelijk algemeen politiereglement dat zegt: “Het is de eigenaars van dieren verboden hun dieren achter te laten of te laten rondzwerven.”

In de brief wordt hem gezegd dat maximaal een administratieve geldboete van 60,00 euro kan worden opgelegd en dat hij beschikt over een termijn van 15 dagen om per aangetekende brief zijn verweermiddelen te laten kennen. Bij de brief was een kopie gevoegd van het proces-verbaal.

De heer GP heeft niét gereageerd per aangetekende brief, maar wél met e-mail van 1 maart 2012. In essentie zegt hij daarin dat zijn paarden zijn uitgebroken omdat zijn afsluiting werd beschadigd bij de uitvoering van wegenwerken die al sinds 1 oktober 2011 aan de gang waren.

Op 2 maart 2012 werd de bestreden beslissing genomen. De inbreuk op art 127 van het gemeentelijk algemeen politiereglement wordt voor bewezen aangenomen en de heer GP wordt veroordeeld om een administratieve geldboete te betalen van 60,00 euro.

 
 
 

2. Ontvankelijkheid

 

 
De bestreden beslissing werd ter kennis gebracht aan appellant met aangetekende brief van 2 maart 2012. Krachtens art. 119bis &12 Gem.W. beschikt de overtreder over een termijn van een maand om beroep aan te tekenen.    Het verzoekschrift tot hoger beroep werd binnen die termijn, op 9 maart 2012, op de griffie neergelegd, zodat het beroep ontvankelijk is.
 
 
3. Ten gronde

De gemeente Oostkamp heeft op 2 april 2012 op de griffie een volledig bundel neergelegd, zij het dat de stukken niét geïnventoriëerd zijn en niét genummerd.

De Rechtbank leert daaruit:

1.         Het proces-verbaal werd opgemaakt door inspecteurs Christophe Segers en Bart Soenens, die contact hebben gehad met de wijkagent, de heer Chris Schepens. (zie hierboven uiteenzetting van de feiten).

Het werd, samen met de bijlagen (foto’s) overgemaakt aan de sanctie-ambtenaar, die op 28 februari 2012 de heer GP aanschreef en hem uitnodigde om zijn verweermiddelen te laten geworden. Bij die brief was een kopie gevoegd van het proces-verbaal… maar blijkbaar niét van de foto’s die bij dat proces-verbaal hoorden. Immers, uit de stukken van de gemeente blijkt dat de heer GP op 12 maart (dus nádat de beslissing genomen was) moet gevraagd hebben om de foto’s te krijgen, waarna ze hem op 13 maart 2012 werden overgemaakt.

Art. 119bis§9 Gem.W. zegt uitdrukkelijk dat bij de brief waarbij de procedure wordt opgestart moet gevoegd zijn “een afschrift van het proces-verbaal”. Naar het oordeel van de Rechtbank impliceert dit dat ook alle bijlagen bij het proces-verbaal, zoals bvb. foto’s, die integraal deel uitmaken van dat proces-verbaal mee moeten verstuurd worden. Door het proces-verbaal niet integraal over te maken schendt men de rechten van verdediging.   Dat geldt zeker nu in de bestreden beslissing uitdrukkelijk verwezen wordt naar de foto’s “die aantonen dat de omheining heel gebrekkig is”. De aangevochten beslissing wordt dus minstens gedeeltelijk gebaseerd op stukken waarvan appellant geen kennis heeft gekregen.

2.         Volgens art. 119bis§9 Gem.W. moet in de brief ook staan dat de betrokkene het recht heeft om zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman en dat hij het recht heeft zijn dossier te consulteren.   In de brief van 28 februari 2012 wordt noch het één, noch het ander vermeld.   Het ontbreken van deze vermeldingen maakt een schending uit van de rechten van verdediging.   Men mag in dit verband niet uit het oog verliezen dat de administratie de “sterkste” partij is, zodat zij er nauwgezet moet over waken dat ze de procedure correct volgt. Als de wet vijf puntjes vermeldt die in de brief moeten staan of bij de brief moeten gevoegd zijn, dan moet de administratie ervoor zorgen dat die 5 puntjes erin staan…

 
 
3.         Na kennis te hebben gekregen van de verweermiddelen van de “beklaagde”, moet de sanctieambtenaar een beslissing nemen.   De gemeentelijke administratieve geldboeten zijn “straffen” in de zin van art. 6 EVRM. Ze zijn immers bedoeld voor het publiek in het algemeen en hebben een repressieve bedoeling. Ze hebben een algemeen en repressief karakter en zijn (zoals de sancties in de Voetbalwet) van strafrechtelijke aard in de zin van art. 6 EVRM. (VENY L. e.a., De gemeentelijke administratieve sancties… bis, bijdrage in Gandaius Actueel X, blz. 71, nr. 12 ; VENY L. en DE VOS N., De gemeentelijke bestuurlijke sancties en de bestuurlijke procedures van sanctieoplegging, bijdrage in Gemeentelijke administratieve sancties, bundeling van de bijdragen aan de studienamiddagen gehouden te Genk op 1 juni 2005 en te Gent op 8 juni 2005, uitg. Van Den Broele, blz. 106, nr. 133)    De sanctie moet dus aanzien worden als een “straf” in de zin van art. 6 EVRM. (zie DERUYCK F., Het verband tussen Beccaria en Euro 2000 of het handhavingsstelsel in de Wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, bijdrage in Liber Amicorum J. Van Den Heuvel, blz. 488, nr. 33 ; IDOMON C., noot onder Pol. Mechelen, 28 juli 2000, R.W. 2001-02, 715 ; DE SUTTER T., De gemeentelijke administratieve sancties 1999-2009, bijdrage in Recht in de gemeente Studiedagen; Gemeentelijke administratieve sancties balans 1999-2009, Die Keure, 2010, blz. 11, randnr. 10)  

Dat betekent dat bij de totstandkoming van de beslissing de rechten van verdediging moeten gerespecteerd worden.

De Rechtbank stelt vast dat de sanctie-ambtenaar het dossier heeft laten behandelen door een dossierbeheerder, mevrouw Lien Vermeersch.

Op 1 maart 2012 ontving zij per e-mail het verweer van de heer GP.

 
Op 2 maart 2012 stuurde zij een e-mail aan beide verbalisanten (Segers en Soenens) én aan de wijkagent (Schepens) en schrijft:

“In het kader van bovenvermeld P.V…. heeft de betrokkene gisteren gebeld en per mail zijn verweer overgemaakt (zie bijlage).



Na contactname met de wijkinspecteur Chris Schepens heb ik een beslissingsbrief opgesteld (zie bijlage). Mochten jullie nog opmerkingen of aanvullingen hebben voor deze beslissing, maak dit gerust aan mij over. Volgende week wordt de beslissing voorgelegd… ter ondertekening.”

In een bijlage “2012/GAS/0095: ter info” schrijft ze onder meer dat ze na ontvangst van het verweerschrift van de heer GP heeft gebeld met de wijkagent (Chris Schepens) om zijn “mening” te vragen over de aangevoerde verweermiddelen. En “volgens Chris is de afsluiting zodanig slecht dat het niet anders meer kon dat daar een paard uitbrak.” En verder: “het aanbrengen van het politielint (bedoeld is hier het lint dat bij de interventie in oktober 2011 werd aangebracht) is als signaal bedoeld dat de omheining aan herstelling toe is op die plaatsen en dient dus niet ter vervanging van de omheining”.

 
In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk overwogen dat “de wijkinspecteur is van mening dat de afsluiting niet in goede staat is” en verder ook dat “het aanbrengen van dit politielint was echter enkel een tijdelijke oplossing, en dient eerder als signaal dat de afsluiting aan herstel toe is op die plaatsen waar het lint gespannen werd.”
 
Men moet zich voorstellen dat een Correctionele Rechtbank of een andere strafrechter, na kennis te hebben genomen van het dossier en van het verweer van de “beklaagde” eens telefoneert naar één of meer verbalisanten om te horen wat die van het verweer denken… Men moet zich voorstellen dat een Correctionele Rechtbank of een andere strafrechter het ontwerp van “vonnis” doormailt naar de verbalisanten en/of de Procureur des Konings met de vraag opmerkingen en aanvullingen te bezorgen… Men moet zich voorstellen dat de strafrechter zijn uiteindelijke beslissing onder meer motiveert aan de hand van wat een verbalisant of een wijkagent hem aan de telefoon heeft gezegd…   Strafpleitend Vlaanderen zou op zijn kop staan… Maar een administratie mag dat blijkbaar allemaal en hoeft zich van rechten van verdediging blijkbaar helemaal niets aan te trekken…
 
Een strafrechter moet oordelen op basis van het dossier en de “beklaagde” moet kennis kunnen nemen van dat dossier en zich erop kunnen verdedigen.   Een strafrechter vermag niét te oordelen op basis van stukken die aan de “beklaagde” niet werden vertoond (in dit geval de foto’s). Een strafrechter vermag niet te oordelen op basis van “contacten” met agenten die tot stand komen nadat de “beklaagde” zijn verweer heeft voorgebracht en waarvan die “beklaagde” geen kennis heeft. Een strafrechter moet oordelen in alle onafhankelijkheid en wordt niet geacht zijn ontwerp van vonnis voor te leggen aan de verbalisanten en/of aan de Procureur des Konings opdat die opmerkingen of aanvullingen zouden bezorgen.
 
Dat alles geldt even goed voor de sanctie-ambtenaar die een “straf” oplegt.
 
Conclusie: Zowel bij het opstarten van de procedure (brief die onvolledig was – stukken (foto’s) die niet overgemaakt werden hoewel er in de beslissing naar verwezen wordt en ze erop gebaseerd wordt), als bij de opmaak van de beslissing (overleg met derden, op wier opinie de beslissing gebaseerd wordt) werden de rechten van verdediging telkens weer op een niet te herstellen manier geschonden.   De beslissing die aldus tot stand kwam, is zonder meer nietig.
 
Als in het ongelijk gestelde partij moet geïntimeerde instaan voor de gedingkosten.
 
 
 
OM DEZE REDENEN
 
DE RECHTBANK
 
Rechtsprekende in laatste aanleg en op tegenspraak
 
Alle strijdige en meeromvattende besluiten verwerpende als ongegrond, niet terzake dienend en/of overbodig.
 
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.
 
Verklaart de bestreden beslissing nietig en zegt voor recht dat zij op geen enkele wijze uitwerking kan hebben.
 
Veroordeelt geïntimeerde tot het betalen van alle kosten van deze procedure, aan de zijde van appellant bepaald op het rolrecht voor 35,00 euro en aan de zijde van geïntimeerde niet verder te begroten, gezien deze ten hare laste blijven.
 
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge, vierde burgerlijke kamer, op donderdag 10 mei 2012, waar aanwezig zijn Peter VANDAMME, rechter in de politierechtbank, en Mia MOMMERENCY, griffier
 
 
 
 
Mia MOMMERENCY
Peter VANDAMME
 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 21/09/2013 - 03:15
Laatst aangepast op: vr, 18/04/2014 - 17:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.