-A +A

Garantie verkoop tweede hands voertuigen tussen particulieren met bemiddeling garage

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Justitie
Datum van de uitspraak: 
woe, 09/11/2016

Het begrip „verkoper” in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen moet aldus worden uitgelegd dat het mede ziet op een handelaar die tussenpersoon voor een particulier is en die de consument niet naar behoren op de hoogte heeft gebracht van het feit dat de eigenaar van het verkochte goed een particulier is, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, rekening houdend met alle omstandigheden van het concrete geval. Voor deze uitlegging maakt het geen verschil of de tussenpersoon al dan niet voor zijn bemiddeling wordt vergoed.

Publicatie
tijdschrift: 
curia
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

RREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

9 november 2016 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 1999/44/EG – Verkoop van en garanties voor consumptiegoederen – Werkingssfeer – Begrip ,verkoper’ – Tussenpersoon – Buitengewone omstandigheden”

In zaak C‑149/15,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de cour d’appel de Liège (hof van beroep Luik, België) bij beslissing van 16 maart 2015, ingekomen bij het Hof op 30 maart 2015, in de procedure

Sabrina Wathelet

tegen

Garage Bietheres & Fils SPRL,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça, kamerpresident, M. Berger (rapporteur), A. Borg Barthet, E. Levits en F. Biltgen, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: A. Calot Escobar,

gelet op de opmerkingen van:

– de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Van Holm en J.‑C. Halleux als gemachtigden,

– de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,

– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Roussanov en G. Goddin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 april 2016,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PB 1999, L 171, blz. 12).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Sabrina Wathelet en de garage Bietheres & Fils SPRL (hierna: „garage Bietheres”) over de verkoop van een tweedehandswagen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 In overweging 9 van richtlijn 1999/44 staat te lezen:

„Overwegende dat tegenover de consument de verkoper rechtstreeks aansprakelijk moet zijn voor de overeenstemming van de goederen met de overeenkomst; dat deze oplossing van oudsher in de rechtsstelsels van de lidstaten voorkomt; dat de verkoper vrij moet blijven om onder de in het nationale recht geldende voorwaarden, verhaal te nemen op de producent, op een eerdere verkoper in dezelfde contractuele keten of op enige andere tussenpersoon, tenzij hij afstand heeft gedaan van zijn rechten; dat deze richtlijn het beginsel van contractvrijheid tussen verkoper, producent, eerdere verkoper of enige andere tussenpersoon onverlet laat; dat het nationale recht bepaalt op wie en hoe verhaal kan worden genomen”.

4 Artikel 1, lid 1, van richtlijn 1999/44 bepaalt:

„Deze richtlijn beoogt de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, teneinde in het kader van de interne markt een eenvormig minimumniveau van consumentenbescherming te verzekeren.”

5 Volgens artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 wordt onder „verkoper” verstaan „iedere natuurlijke of rechtspersoon die uit hoofde van een overeenkomst in het kader van zijn bedrijf of beroep consumptiegoederen verkoopt”.

6 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 1999/44 bepaalt:

„De verkoper is verplicht aan de consument goederen af te leveren die met de koopovereenkomst in overeenstemming zijn.”

7 Artikel 4 van deze richtlijn, met als opschrift „Recht van verhaal”, bepaalt:

„Wanneer de eindverkoper jegens de consument aansprakelijk is uit hoofde van een gebrek aan overeenstemming dat voortvloeit uit een handelen of nalaten van de producent, van een eerdere verkoper in dezelfde contractuele keten of van enige andere tussenpersoon, kan de eindverkoper verhaal nemen op de aansprakelijke persoon of personen in de contractuele keten. De persoon of personen op wie de eindverkoper verhaal kan nemen alsmede de rechtsvorderingen en de wijze van procederen worden bepaald door het nationale recht.”

8 Artikel 8 van richtlijn 1999/44, met als opschrift „Nationaal recht en minimum aan bescherming”, luidt:

„1. De uit deze richtlijn voortvloeiende rechten worden uitgeoefend onverminderd andere rechten die de consument krachtens nationale voorschriften inzake contractuele of niet-contractuele aansprakelijkheid kan doen gelden.

2. De lidstaten kunnen op het door deze richtlijn bestreken gebied strengere voorschriften vaststellen of handhaven voor zover deze met het verdrag verenigbaar zijn, teneinde de consument een hogere graad van bescherming te verzekeren.”

Belgisch recht

9 Artikel 1649 bis van het Burgerlijk Wetboek bepaalt:

㤠1. Deze afdeling is van toepassing op de verkopen van consumptiegoederen door een verkoper aan een consument.

§ 2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

[…]

2° ,verkoper’: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die consumptiegoederen verkoopt in het kader van zijn beroepsactiviteit of zijn commerciële activiteit.”

Feiten van het geding en prejudiciële vraag

10 Wathelet heeft in april 2012 als consument een tweedehandswagen van de garage Bietheres gekocht. Wathelet heeft het bedrag van 4 000 EUR, dat overeenkwam met de verkoopprijs van dat voertuig, aan de garage Bietheres betaald. Die heeft echter noch een ontvangstbewijs, noch een bewijs van betaling, noch een verkoopfactuur aan Wathelet bezorgd.

11 De garage Bietheres heeft het voertuig op eigen kosten technisch laten keuren. Zij heeft de bevoegde Belgische dienst om inschrijving van het voertuig verzocht en Wathelet heeft de kosten hiervoor betaald.

12 In juli 2012 heeft Wathelet, die nog steeds geen factuur had ontvangen, het defect geraakte voertuig voor herstel bij de garage Bietheres afgeleverd. De garage Bietheres heeft vastgesteld dat de motor stuk was.

13 Toen Wathelet haar herstelde voertuig wenste op te halen, werd haar een herstellingsfactuur van 2 000 EUR voorgelegd. Zij heeft geweigerd die factuur te betalen, omdat die kosten moesten worden gedragen door de garage Bietheres, zijnde de verkoper van het voertuig.

14 Wathelet werd op dat moment op de hoogte gebracht van het feit dat haar voertuig nooit had toebehoord aan de garage Bietheres, die het niet voor eigen rekening maar voor rekening van Marie-Claire Donckels had verkocht, die zelf een gewone particulier is. De garage Bietheres was immers slechts tussenpersoon.

15 De verwijzende rechter heeft vastgesteld dat Donckels niet het volledige bedrag van de verkoopprijs had ontvangen, aangezien de garage Bietheres het bedrag van 800 EUR heeft ingehouden voor herstellingen om het voertuig voor verkoop aan te bieden.

16 De garage Bietheres heeft bij brief van 17 november 2012 aan Wathelet, haar rol als tussenpersoon bij de betrokken verkoop bevestigd. Bovendien was het defect van de motor volgens de garage Bietheres een normaal risico bij de koop van een tweedehandsvoertuig tussen particulieren. Daarom is zij blijven weigeren om het voertuig aan Wathelet terug te geven zolang de herstellingsfactuur niet volledig was betaald. De garage Bietheres heeft een ontvangstbewijs van het bedrag van 4 000 EUR aan haar brief gehecht, met de hand aangevuld met de voornaam en de naam van de niet-professionele eigenaar en van de koper, Wathelet, maar dat document is enkel door Donckels ondertekend.

17 De garage Bietheres heeft Wathelet in december 2012 gedagvaard om te verschijnen voor de tribunal de première instance de Verviers (rechtbank van eerste aanleg Verviers, België), en hierbij betaling van de herstellingsfactuur van 2 000 EUR gevorderd, vermeerderd met de interesten.

18 Bij conclusies neergelegd ter griffie van de tribunal de première instance de Verviers heeft Wathelet een tegenvordering ingesteld tot ontbinding van de verkoop van het voertuig, met terugbetaling van het door haar betaalde bedrag van 4 000 EUR, te vermeerderen met de interesten, en tot betaling van een schadevergoeding van 2 147,46 EUR. Bovendien heeft Wathelet de vordering van de garage Bietheres betwist.

19 De tribunal de première instance de Verviers heeft Wathelet tot betaling van de herstellingsfactuur veroordeeld, vermeerderd met de interesten, en de tegenvordering van Wathelet afgewezen. Wathelet heeft bij de verwijzende rechter tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

20 De verwijzende rechter heeft vastgesteld dat Wathelet een „consument” was in de zin van het Burgerlijk Wetboek en dat het voertuig een „consumptiegoed” was in de zin van die regeling. Hij heeft bovendien vastgesteld dat de garage Bietheres bedrijfs- of beroepsmatig consumptiegoederen verkocht.

21 De garage Bietheres betwistte echter dat zij partij bij de betrokken verkoopovereenkomst was, en onderstreepte dat de eigenaar van het betrokken voertuig, Donckels, het voertuig bij haar voor verkoop in bewaring had gegeven en dat het dus om een verkoop tussen particulieren ging.

22 De verwijzende rechter is evenwel van oordeel dat er ernstige, nauwkeurige en overeenstemmende vermoedens bestaan dat Wathelet niet ervan op de hoogte was gebracht dat het een verkoop tussen particulieren betrof.

23 De cour d’appel de Liège (hof van beroep Luik, België) heeft dan ook de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een beslissing over de volgende prejudiciële vraag:

„Moet het begrip ,verkoper’ van consumptiegoederen in artikel 1649 bis van het Belgische Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoegd bij de wet van 1 september 1994 met als titel ,wet betreffende de bescherming van de consumenten bij verkoop van consumptiegoederen’, waarbij richtlijn 1999/44 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen in Belgisch recht is omgezet, aldus worden uitgelegd dat het niet enkel betrekking heeft op een handelaar die in de hoedanigheid van verkoper de eigendom van een consumptiegoed overdraagt aan een consument, maar ook op een handelaar die optreedt als tussenpersoon voor een niet-professionele verkoper, ongeacht of hij voor zijn bemiddeling een vergoeding ontvangt en ongeacht of hij de kandidaat-koper erover heeft ingelicht dat de verkoper een particulier is?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

24 Vooraf zij opgemerkt dat uit de stukken blijkt dat Donckels en niet de garage Bietheres eigenaar van het betrokken tweedehandsvoertuig was en dat het bijgevolg om een verkoop tussen particulieren ging, aangezien de garage Bietheres slechts tussenpersoon was.

25 De verwijzende rechter heeft bovendien vastgesteld dat de verkoopprijs, na aftrek van de kosten voor het herstel om het betrokken voertuig te koop aan te bieden, aan de eigenaar van het voertuig is overhandigd. Voorts blijkt nergens uit de stukken dat de garage Bietheres niet de toestemming van de eigenaar van het voertuig had om het te verkopen.

26 Hieruit volgt dat de garage Bietheres in het hoofdgeding bij de verkoop van een consumptiegoed beroepsmatig heeft gehandeld, voor rekening van de eigenaar van het goed, die een gewone particulier is die met deze verkoop heeft ingestemd.

27 Dus moet worden nagegaan of de consument die het consumptiegoed heeft gekocht, in die omstandigheden de door richtlijn 1999/44 gewaarborgde bescherming geniet in die zin dat de tussenpersoon als verkoper in de zin van die richtlijn kan worden beschouwd.

28 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de uniforme toepassing van het Unierecht vereist dat, wanneer een bepaling van Unierecht voor een bepaald begrip niet naar het recht van de lidstaten verwijst, dat begrip in de gehele Europese Unie autonoom en uniform moet worden uitgelegd, rekening houdend met de context van de bepaling en het doel van de betrokken regeling (zie in die zin arresten van 18 oktober 2011, Brüstle, C‑34/10, EU:C:2011:669, punt 25, en 15 oktober 2015, Axa Belgium, C‑494/14, EU:C:2015:692, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 Aangezien artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 het begrip „verkoper” omschrijft zonder voor de betekenis van dat begrip naar het nationale recht te verwijzen, moet die bepaling, voor de toepassing van die richtlijn, dus worden beschouwd als een autonoom begrip van het Unierecht dat op het grondgebied van de Unie uniform moet worden uitgelegd.

30 Bovendien is het zo dat, hoewel het begrip „verkoper” in andere Unierechtelijke handelingen voorkomt, de specifieke omschrijving in artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 enkel in die richtlijn voorkomt. Zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie heeft opgemerkt, gaat het dus om een begrip dat moet worden uitgelegd in het licht van de door die richtlijn beoogde doelen en rekening houdend met de specifieke functie van de „verkoper” in het kader van deze richtlijn.

31 Volgens artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 wordt onder verkoper verstaan „iedere natuurlijke of rechtspersoon die uit hoofde van een overeenkomst in het kader van zijn bedrijf of beroep consumptiegoederen verkoopt”.

32 Vastgesteld zij dat het aldus omschreven begrip „verkoper” een objectief begrip is (zie naar analogie arrest van 3 september 2015, Costea, C‑110/14, EU:C:2015:538, punt 21, en beschikking van 19 november 2015, C‑74/15, Tarcâu, EU:C:2015:772, punt 27) dat is gebaseerd op elementen als het bestaan van een „overeenkomst”, de verkoop van een „consumptiegoed” en de „uitoefening van een bedrijf of beroep”.

33 Weliswaar verwijst dit begrip niet naar het begrip tussenpersoon. Meer in het algemeen bevat richtlijn 1999/44 geen omschrijving van het begrip „tussenpersoon”, hoewel dit in overweging 9 en artikel 4 van deze richtlijn wordt vermeld. Bovendien regelt deze richtlijn, binnen het bestek van een verkoopovereenkomst, niet de aansprakelijkheid van de tussenpersoon ten aanzien van de consument.

34 Dat neemt niet weg dat, zoals de advocaat-generaal in punt 51 van zijn conclusie in wezen opmerkt, die vaststelling op zich niet uitsluit dat het begrip „verkoper” in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 aldus kan worden uitgelegd dat het mede ziet op een handelaar die voor rekening van een particulier handelt, indien hij ten overstaan van de consument de indruk wekt als verkoper van een consumptiegoed krachtens een verkoopovereenkomst in het kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf te handelen. Deze handelaar kan immers verwarring bij de consument scheppen, door hem ten onrechte te doen geloven dat hij als eigenaar dat goed verkoopt.

35 In dat verband zij in de eerste plaats erop gewezen dat de bewoordingen van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 geenszins aan een dergelijke uitlegging in de weg staan.

36 In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat een teleologische uitlegging van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44, gelet op de doelstelling ervan om een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen (arrest van 3 oktober 2013, Duarte Hueros, C‑32/12, EU:C:2013:637, punt 25), steun kan bieden voor de in punt 34 overwogen uitlegging.

37 Krachtens artikel 2, lid 1, en artikel 3 van richtlijn 1999/44 is de verkoper verplicht aan de consument een goed af te leveren dat met de koopovereenkomst in overeenstemming is, en overeenkomstig lid 3 van laatstgenoemd artikel moet hij in geval van gebrek aan overeenstemming het goed herstellen of vervangen. Artikel 1, lid 2, onder c), van deze richtlijn beperkt aldus de kring van personen tegen wie de consument zich kan keren om de rechten die hij aan deze richtlijn ontleent, te doen gelden. Het is daarom noodzakelijk dat de consument op de hoogte is van de identiteit van de verkoper en met name weet of hij een particulier dan wel een handelaar is, opdat de consument de hem door richtlijn 1999/44 geboden bescherming kan genieten.

38 Wanneer, in de omstandigheden als die van het hoofdgeding, een handelaar tussenpersoon is voor een particulier, ontneemt het feit dat de consument niet op de hoogte is van de hoedanigheid waarin die handelaar bij de verkoop betrokken is, dus die consument de rechten die hem door richtlijn 1999/44 worden gewaarborgd en die volgens artikel 7, lid 1, ervan dwingend zijn.

39 In dit opzicht kan een efficiënte bescherming van de consument in het kader van richtlijn 1999/44 slechts worden gewaarborgd mits de consument ervan op de hoogte wordt gebracht dat de eigenaar een particulier is. Die uitlegging staat toe de richtlijn nuttig effect te geven en is in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof volgens welke het door de richtlijnen van de Unie uitgewerkte stelsel ter bescherming van de consument op de gedachte berust dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan de verkoper beschikt (arrest van 4 juni 2015, Faber, C‑497/13, EU:C:2015:357, punt 42).

40 Op het vlak van de informatie bestaat immers een aanzienlijke wanverhouding tussen de consument en de professionele tussenpersoon, met name wanneer de consument niet ervan op de hoogte is dat de eigenaar van het verkochte goed in werkelijkheid een particulier is.

41 In omstandigheden als in het hoofdgeding, waarin de consument makkelijk op een dwaalspoor kan worden gebracht gezien de context waarin de verkoop plaatsvindt, moet dus aan de consument een hoog niveau van bescherming worden geboden. De aansprakelijkheid van de verkoper op grond van richtlijn 1999/44 moet daarom kunnen worden opgelegd aan de tussenpersoon die, wanneer hij zich aan de consument voorstelt, een risico op verwarring bij de consument schept door hem te doen geloven dat hij de eigenaar van het verkochte goed is.

42 Een andersluidende uitlegging volgens welke de handelaar die als tussenpersoon handelt, in elk geval is uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44, doet afbreuk aan de algehele doelstelling die de Unieregeling inzake consumentenbescherming nastreeft en die in artikel 169 VWEU is neergelegd, te weten een hoog niveau van consumentenbescherming en bijgevolg het vertrouwen van de consumenten waarborgen.

43 In de derde plaats zij met betrekking tot de vergoeding van de tussenpersoon voor zijn bemiddeling vastgesteld dat die vergoeding, die wordt geregeld in de contractuele relatie tussen de niet-professionele eigenaar en de tussenpersoon, in beginsel niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 1999/44 valt. Zoals de Oostenrijkse regering en de Europese Commissie hebben opgemerkt, is de vraag of de handelaar die tussenpersoon is, al dan niet voor zijn bemiddeling wordt vergoed, immers niet relevant om te bepalen of hij als „verkoper” in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 moet worden omschreven.

44 Het staat aan de bevoegde nationale rechter om na te gaan of, in een situatie als in het hoofdgeding, de handelaar als de „verkoper” in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 kan worden beschouwd, wanneer hij de consument niet naar behoren heeft geïnformeerd dat hij niet de eigenaar van het betrokken goed was, hetgeen impliceert dat die rechter met alle omstandigheden van het concrete geval rekening houdt (zie naar analogie arrest van 4 juni 2015, Faber, C‑497/13, EU:C:2015:357, punten 38 en 39). In dat verband kunnen met name de mate van betrokkenheid en de intensiteit van de inspanningen van de tussenpersoon bij de verkoop, de omstandigheden waarin het goed aan de consument is aangeboden en het gedrag van de consument relevant zijn om te bepalen of hij kon begrijpen dat de tussenpersoon voor rekening van een particulier handelde.

45 Gelet op een en ander moet het begrip „verkoper” in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 aldus worden uitgelegd dat het mede ziet op een handelaar die tussenpersoon voor een particulier is en die de consument-koper niet naar behoren op de hoogte heeft gebracht van het feit dat de eigenaar van het verkochte goed een particulier is, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, rekening houdend met alle omstandigheden van het concrete geval. Voor deze uitlegging maakt het geen verschil of de tussenpersoon al dan niet voor zijn bemiddeling wordt vergoed.

Kosten

46 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Het begrip „verkoper” in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen moet aldus worden uitgelegd dat het mede ziet op een handelaar die tussenpersoon voor een particulier is en die de consument niet naar behoren op de hoogte heeft gebracht van het feit dat de eigenaar van het verkochte goed een particulier is, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, rekening houdend met alle omstandigheden van het concrete geval. Voor deze uitlegging maakt het geen verschil of de tussenpersoon al dan niet voor zijn bemiddeling wordt vergoed.

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
H. SAUGMANDSGAARD ØE
van 7 april 2016 (1)
Zaak C‑149/15

Sabrina Wathelet
tegen
Garage Bietheres & Fils SPRL
[verzoek van de cour d’appel de Liège (België) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 1999/44/EG – Verkoop van en garanties voor consumptiegoederen – Artikel 1, lid 2, onder c) – Begrip verkoper – Aansprakelijkheid van een handelaar die als tussenpersoon handelt voor een niet-professionele verkoper”

 

 

I – Inleiding

1. Het lijdt geen twijfel dat een consument die een consumptiegoed koopt van een andere particulier, niet de bescherming geniet van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen(2). Geldt dat echter ook wanneer een handelaar bij de verkoop handelt in naam en voor rekening van een particulier en zich aan de consument als de verkoper voorstelt? Dat is de vraag die in de onderhavige zaak aan de orde is.

2. De prejudiciële vraag die de cour d’appel de Liège (hof van beroep Luik, België) voorlegt, is gerezen in een geding tussen een consument en een handelaar over de verkoop van een tweedehandswagen. De hamvraag is of de handelaar, die enkel tussenpersoon was voor de niet-professionele eigenaar van de wagen, jegens de consument voor de gebreken aan overeenstemming van de wagen aansprakelijk is.

3. Binnen die context wenst de verwijzende rechter van het Hof in wezen te vernemen of het begrip verkoper in artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 mede ziet op een handelaar als verweerster in het hoofdgeding, wanneer hij bij de verkoop als tussenpersoon voor een particulier handelt, ook al komt dat geval in deze bepaling niet aan bod.

4. Het Hof moet in de onderhavige zaak dan ook oordelen over de draagwijdte van het begrip verkoper in de zin van richtlijn 1999/44 en dus ook over de werkingssfeer van die richtlijn.

5. In de analyse die volgt, zal ik eerst algemene overwegingen betreffende het begrip tussenpersoon en de uitleggingswijzen van het begrip verkoper in richtlijn 1999/44 uiteenzetten. Vervolgens zal ik, teneinde de prejudiciële vraag te beantwoorden, de werkingssfeer van het begrip verkoper in de zin van deze richtlijn afbakenen op basis van een analyse van zowel de bewoordingen als de doelstelling van artikel 1, lid 2, onder c), van de richtlijn. Ten slotte zal ik nader ingaan op de beoordeling die de nationale rechter moet verrichten, en de vergoeding van de tussenpersoon.

II – Toepasselijke bepalingen

A – Richtlijn 1999/44

6. Overweging 1 van richtlijn 1999/44 verwijst naar artikel 153 EG-Verdrag (thans artikel 169 VWEU), dat onder andere bepaalt:

„Om de belangen van de consumenten te bevorderen en een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, draagt de [Unie] bij tot de bescherming van […] de economische belangen van de consumenten alsmede tot de bevordering van hun recht op voorlichting […] om hun belangen te behartigen”.(3)

7. De overwegingen 5 en 6 van richtlijn 1999/44 preciseren:

„(5) Overwegende dat het scheppen van een gemeenschappelijke minimale regelgeving voor de consument die geldt onafhankelijk van de plaats van aankoop van goederen binnen de Gemeenschap, het vertrouwen van de consument zal versterken en hem in staat zal stellen ten volle van de interne markt te profiteren;

(6) Overwegende dat de voornaamste problemen van de consument en de belangrijkste bron van conflicten met verkopers verband houden met het gebrek aan overeenstemming van de goederen met de overeenkomst; dat derhalve de nationale wetgevingen betreffende de verkoop van consumptiegoederen in dezen nader tot elkaar dienen te worden gebracht, evenwel zonder afbreuk te doen aan de nationaalrechtelijke beginselen en bepalingen inzake contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid”.

8. Betreffende de aansprakelijkheid van de verkoper bepaalt overweging 9 van de richtlijn:

„(9) Overwegende dat tegenover de consument de verkoper rechtstreeks aansprakelijk moet zijn voor de overeenstemming van de goederen met de overeenkomst; dat deze oplossing van oudsher in de rechtsstelsels van de lidstaten voorkomt; dat de verkoper vrij moet blijven om onder de in het nationale recht geldende voorwaarden, verhaal te nemen op de producent, op een eerdere verkoper in dezelfde contractuele keten of op enige andere tussenpersoon, tenzij hij afstand heeft gedaan van zijn rechten; dat deze richtlijn het beginsel van contractvrijheid tussen verkoper, producent, eerdere verkoper of enige andere tussenpersoon onverlet laat; dat het nationale recht bepaalt op wie en hoe verhaal kan worden genomen”.

9. Artikel 1, lid 1, bepaalt dat met de richtlijn wordt beoogd:

„[…] de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, teneinde in het kader van de interne markt een eenvormig minimumniveau van consumentenbescherming te verzekeren”.

10. Daartoe legt richtlijn 1999/44 de verkopers een aantal verplichtingen jegens de consumenten op, met name de verplichting krachtens artikel 2, lid 1, om aan de consument goederen af te leveren die met de verkoopovereenkomst in overeenstemming zijn, en de verplichting krachtens artikel 3, lid 1, om jegens de consument aansprakelijk te zijn voor elk gebrek aan overeenstemming dat bestaat bij de aflevering van de goederen.

11. Artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 omschrijft het begrip verkoper voor de toepassing van de richtlijn als volgt:

„verkoper: iedere natuurlijke of rechtspersoon die uit hoofde van een overeenkomst in het kader van zijn bedrijf of beroep consumptiegoederen verkoopt”.

12. Artikel 4 van de richtlijn, met als opschrift „Recht van verhaal”, bepaalt:

„Wanneer de eindverkoper jegens de consument aansprakelijk is uit hoofde van een gebrek aan overeenstemming dat voortvloeit uit een handelen of nalaten van de producent, van een eerdere verkoper in dezelfde contractuele keten of van enige andere tussenpersoon, kan de eindverkoper verhaal nemen op de aansprakelijke persoon of personen in de contractuele keten. De persoon of personen op wie de eindverkoper verhaal kan nemen alsmede de rechtsvorderingen en de wijze van procederen worden bepaald door het nationale recht.”

13. Artikel 1, lid 1, bepaalt dat richtlijn 1999/44 slechts in een minimale harmonisering van de nationale regelingen inzake consumentenbescherming voorziet.(4) Artikel 8, met als opschrift „Nationaal recht en minimum aan bescherming”, preciseert in lid 1:

„De uit deze richtlijn voortvloeiende rechten worden uitgeoefend onverminderd andere rechten die de consument krachtens nationale voorschriften inzake contractuele of niet-contractuele aansprakelijkheid kan doen gelden.”

B – Belgisch recht

14. Het begrip verkoper, zoals het is omschreven in artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44, is in Belgisch recht letterlijk omgezet in artikel 1649 bis, § 2, 2°, van het Belgische Burgerlijk Wetboek.

III – Feiten en hoofdgeding

15. S. Wathelet heeft op 24 april 2012 een tweedehandswagen in een garage gekocht, te weten de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Garage Bietheres & Fils SPRL (hierna: „garage Bietheres”), tegen een prijs van 4 000 EUR.

16. Wathelet heeft het bedrag van 4 000 EUR aan de garage Bietheres overhandigd. Zij heeft echter noch een bewijs van betaling noch een verkoopfactuur ontvangen.

17. De garage Bietheres heeft het voertuig op haar kosten technisch laten keuren en heeft de bevoegde Belgische dienst om inschrijving van het voertuig verzocht. Wathelet heeft de kosten voor inschrijving betaald.

18. Enkele maanden later, in juli 2012, is het voertuig defect geraakt. Het is voor herstelling in de werkplaats van de garage Bietheres afgeleverd. De garage heeft vastgesteld dat de motor stuk was.

19. In een brief van 13 november 2012 aan de garage Bietheres heeft Wathelet de garage Bietheres in gebreke gesteld om haar het voertuig terug te geven en onder andere de factuur van de verkoop geëist.

20. Wathelet is op 17 november 2012 naar de garage Bietheres getrokken om haar voertuig terug te halen. Dat is haar geweigerd omdat zij niet ermee had ingestemd een herstellingsfactuur van 2 000 EUR van 17 november 2012 te ondertekenen. Volgens Wathelet werd zij op dat moment op de hoogte gebracht van het feit dat de garage Bietheres niet de verkoper van het voertuig was, maar in werkelijkheid enkel de rol van tussenpersoon voor een particulier had gespeeld.(5)

21. Bij brief van 17 november 2012 aan Wathelet heeft de garage Bietheres aangevoerd dat het door Wathelet gekochte voertuig voor verkoop in bewaring was gegeven en dat haar van bij het begin was gemeld dat het voertuig niet van de garage Bietheres, maar wel van een particulier was. Volgens de garage Bietheres was het defect van de motor een normaal risico bij de koop van een tweedehandsvoertuig tussen particulieren. Daarom is de garage Bietheres blijven weigeren om het voertuig aan Wathelet terug te geven zolang de herstellingsfactuur van 2 000 EUR niet volledig was betaald. De garage Bietheres heeft een ontvangstbewijs van het bedrag van 4 000 EUR aan haar brief gehecht, met de hand aangevuld met de voornaam en de naam van de niet-professionele eigenaar en van de koper, Wathelet. Dat document is enkel door de niet-professionele eigenaar ondertekend.

22. De garage Bietheres heeft Wathelet op 13 december 2012 gedagvaard om te verschijnen voor de tribunal de première instance de Verviers (rechtbank van eerste aanleg Verviers), en hierbij onder andere de betaling gevorderd van de herstellingsfactuur van 2 000 EUR van 17 november 2012, vermeerderd met de interesten. De garage Bietheres heeft aangevoerd dat het door Wathelet gekochte voertuig van een van haar klanten was en dat de verkoop een verkoop tussen particulieren was.

23. Wathelet heeft de vordering van de garage Bietheres betwist en heeft op basis van het Belgische Burgerlijk Wetboek een tegenvordering ingesteld tot ontbinding van de verkoop, met terugbetaling van het bedrag van 4 000 EUR, te vermeerderen met de intresten. Wathelet heeft bovendien schadevergoeding ten belope van 2 147,46 EUR gevorderd. Zij heeft aangevoerd dat de verkoop van het voertuig heeft plaatsgevonden tussen haarzelf en de garage Bietheres en dat zij niet kon weten dat de garage Bietheres niet de verkoper was.

24. De tribunal de première instance heeft de vordering van de garage Bietheres gedeeltelijk gegrond verklaard en Wathelet veroordeeld tot betaling van een bedrag van 2 000 EUR, vermeerderd met de interesten. Deze rechtbank heeft bovendien de tegenvordering van Wathelet ongegrond verklaard.

25. Wathelet heeft hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de cour d’appel de Liège (hof van beroep Luik), waarbij zij haar in eerste aanleg ingestelde vordering heeft gehandhaafd en subsidiair de onmiddellijke teruggave van het voertuig heeft gevorderd.

26. De verwijzende rechter is van oordeel dat er ernstige, precieze en overeenstemmende vermoedens bestaan dat Wathelet op het ogenblik dat zij de koopovereenkomst sloot, niet ervan op de hoogte was gebracht dat het een verkoop tussen particulieren betrof. De verwijzende rechter acht het in dat verband bewezen dat Wathelet de eigenaar van het voertuig nooit heeft ontmoet en dat de garage bij de verkoop als tussenpersoon heeft gehandeld, zonder daarvoor door de eigenaar te zijn vergoed.

IV – Prejudiciële vraag en procedure bij het Hof

27. De verwijzende rechter heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Moet het begrip ,verkoper’ van consumptiegoederen in artikel 1649 bis van het Belgische Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoegd bij de wet van [1 september 1994] met als titel ,wet betreffende de bescherming van de consumenten bij verkoop van consumptiegoederen’, waarbij [richtlijn 1999/44 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen] in Belgisch recht is omgezet, aldus worden uitgelegd dat het niet enkel betrekking heeft op een handelaar die in de hoedanigheid van verkoper de eigendom van een consumptiegoed overdraagt aan een consument, maar ook op een handelaar die optreedt als tussenpersoon voor een niet-professionele verkoper, ongeacht of hij voor zijn bemiddeling een vergoeding ontvangt en ongeacht of hij de kandidaat-koper erover heeft ingelicht dat de verkoper een particulier is?”

28. De Belgische, de Duitse en de Oostenrijkse regering alsmede de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Er zijn geen pleidooien gehouden.

V – Juridische analyse

A – Inleiding

1. Het begrip tussenpersoon

29. Het komt mij nuttig voor om als inleiding enkele opmerkingen te maken over het begrip tussenpersoon, dat een reeks aan situaties omvat waarvan de rechtsgevolgen kunnen verschillen en op nationaal vlak anders geregeld kunnen zijn(6), aangezien het nationale contractenrecht op Europees niveau in slechts zeer beperkte mate is geharmoniseerd(7).

30. De verwijzende rechter heeft niet gepreciseerd in welke zin hij het begrip tussenpersoon gebruikt in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing.

31. Richtlijn 1999/44 bevat geen enkele omschrijving van het begrip tussenpersoon als vermeld in overweging 9 en in artikel 4, en noch de bepalingen, noch de voorstukken van de richtlijn geven aan in welke zin dit begrip in de richtlijn wordt gebruikt. Het Hof heeft evenmin de kans gehad om die vraag te onderzoeken of meer in het algemeen in te gaan op de rol en de aansprakelijkheden van de tussenpersoon op het gebied van de consumentenbescherming.

32. Het begrip tussenpersoon komt evenwel voor in andere richtlijnen inzake de bescherming van de consument. Verschillende van die richtlijnen bevatten een expliciete omschrijving van dit begrip, dat ziet op elke persoon die handelt in naam of voor rekening van een ander.(8) Die omschrijving omvat zowel de handelaar, die in de regel wordt beschouwd als zijnde gebonden door de overeenkomst krachtens het nationale contractenrecht(9), als hij die handelt namens een ander persoon, die daarentegen in de regel niet als een partij bij de overeenkomst wordt beschouwd(10).

33. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de eigenaar van het betrokken voertuig heeft verzekerd dat het voertuig van hem was, dat het ging om een „verkoop tussen particulieren en dat de garage enkel als tussenpersoon [had] gediend”. Bovendien is in de verwijzingsbeslissing aangegeven dat de betaling van de verkoopprijs is overgemaakt aan de eigenaar van het voertuig.(11)

34. Ik leid daaruit af dat de betrokken tussenpersoon, de garage Bietheres, bij de verkoop in naam en voor rekening van de eigenaar van het voertuig heeft gehandeld.

35. Ik zal mij, in de analyse die volgt, dan ook baseren op een omschrijving van het begrip tussenpersoon die ziet op elke handelaar die bij de verkoop van een consumptiegoed ten aanzien van de consument handelt in naam en voor rekening van de niet-professionele eigenaar van het verkochte goed.(12)

36. Aangezien geen aanwijzingen op het tegendeel duiden, ga ik ervan uit dat de garage Bietheres de toestemming had van de eigenaar van het voertuig om het te verkopen. Mijn analyse betreft daarom enkel de situatie waarin de tussenpersoon met toestemming handelt.

2. Voorwerp van de prejudiciële vraag

37. Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen welke uitlegging dient te worden gegeven van het begrip verkoper in artikel 1649 bis van het Belgische Burgerlijk Wetboek, dat is ingevoegd bij de wet van 1 september 1994 ter omzetting van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 in Belgisch recht.

38. Vooraf zij opgemerkt dat het Hof, dat is aangezocht krachtens artikel 267 VWEU, bevoegd is om uitspraak te doen over de uitlegging van de Verdragen, alsook over de geldigheid en de uitlegging van handelingen van de instellingen van de Unie. Het Hof is enkel bevoegd bepalingen van Unierecht te onderzoeken. Het staat aan de nationale rechter de strekking en de wijze van toepassing van de nationale bepalingen te beoordelen.(13)

39. Daarom moet de prejudiciële vraag aldus worden opgevat dat daarmee wordt beoogd vast te stellen dat het begrip verkoper in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 aldus moet worden uitgelegd dat het mede ziet op de handelaar die in naam en voor rekening van een particulier handelt, los van het feit of hij vergoed wordt voor zijn bemiddeling en los van het feit of hij de consument ervan op de hoogte heeft gebracht dat de verkoper een particulier was.

3. Uitleggingswijzen

40. Alvorens in te gaan op de uitlegging van het begrip verkoper in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44, zal ik enkele, in mijn ogen daartoe nuttige, algemene overwegingen uiteenzetten.

41. In de eerste plaats dient volgens vaste rechtspraak van het Hof, met het oog op de eenvormige toepassing van het Unierecht en het beginsel van gelijke behandeling, als algemene regel te gelden dat de begrippen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en het doel van de betrokken regeling.(14)

42. Aangezien de omschrijving van het begrip verkoper in artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 geen verwijzing naar het nationale recht bevat, moet worden aangenomen dat het gaat om een autonoom begrip van Unierecht, waarvan de inhoud uitsluitend door bronnen van het Unierecht wordt bepaald.

43. In de tweede plaats is het zo dat, hoewel het begrip verkoper voorkomt in andere Unierechtelijke handelingen(15), de specifieke omschrijving in artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 enkel in die richtlijn voorkomt. Het gaat dus om een uniek begrip dat in het licht van de door die richtlijn beoogde doelen moet worden uitgelegd, rekening houdend met de specifieke functie van de verkoper in het kader van deze richtlijn.(16)

44. In de derde plaats is het begrip verkoper in de zin van richtlijn 1999/44 noodzakelijkerwijs objectief, in die zin dat het is gebaseerd op controleerbare elementen die voortvloeien uit de bewoordingen van artikel 1, lid 2, onder c), van de richtlijn (een „overeenkomst”, de verkoop van een „consumptiegoed”, een „bedrijf of beroep”).

45. Dit begrip is ook functioneel en relationeel doordat het voortvloeit uit de functie van een persoon bij een specifieke economische transactie.(17) Zo „verkoopt” de verkoper een consumptiegoed aan een consument binnen de context van een verkoopovereenkomst. De vraag welke personen onder artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 vallen, is dus niet statisch, maar hangt af van hun positie in een bepaalde contractuele relatie. De functie van de verkoper moet worden bekeken voornamelijk uit het oogpunt van de consument, die de bescherming van deze richtlijn geniet.

B – Uitlegging van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44

1. Letterlijke uitlegging van artikel 1, lid 2, onder c)

46. Volgens de bewoordingen van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 ziet het begrip verkoper op:

„iedere natuurlijke of rechtspersoon die uit hoofde van een overeenkomst in het kader van zijn bedrijf of beroep consumptiegoederen verkoopt”.

47. De omschrijving van het begrip verkoper in de zin van richtlijn 1999/44 verwijst dus niet naar de omschrijving van het begrip tussenpersoon en meer in het algemeen regelt de richtlijn niet de aansprakelijkheid van de tussenpersoon jegens de consument.(18) De vraag betreffende de aansprakelijkheid van de tussenpersoon blijkt ook niet aan de orde te zijn geweest tijdens de wetgevende procedure die voorafging aan de vaststelling van deze richtlijn(19), waarvan de hoeksteen de relatie is tussen de verkoper en de consument als de voornaamste rechtssubjecten van deze richtlijn.

48. Dat de aansprakelijkheid van de tussenpersoon jegens de consument niet ter sprake komt in richtlijn 1999/44, is des te opmerkelijker aangezien de Uniewetgever in verschillende andere richtlijnen inzake de bescherming van de consument heeft beslist de tussenpersoon toe te voegen aan de ondernemers die jegens de consument aansprakelijk zijn.(20)

49. De tussenpersoon wordt in richtlijn 1999/44 bovendien enkel vermeld in verband met zijn aansprakelijkheid jegens de eindverkoper. Zo bepaalt artikel 4 van de richtlijn immers dat wanneer die verkoper jegens de consument aansprakelijk is uit hoofde van een gebrek aan overeenstemming dat voortvloeit uit een handelen of nalaten van de producent, van een eerdere verkoper in dezelfde contractuele keten of van „enige andere tussenpersoon”, de eindverkoper verhaal kan nemen op de aansprakelijke persoon of personen in de contractuele keten. Het tweede deel van dat artikel preciseert in dat verband dat de persoon of personen op wie de eindverkoper verhaal kan nemen alsmede de rechtsvorderingen en de wijze van procederen worden bepaald door het nationale recht.(21)

50. Op basis van wat voorafgaat, staat het mijns inziens vast, zoals ook de Belgische, de Duitse en de Oostenrijkse regering en de Commissie menen, dat het begrip verkoper als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 niet ziet op de handelaar die in naam en voor rekening van een particulier handelt en kennelijk in die hoedanigheid bemiddelt bij de verkoop aan de consument. Een dergelijke handelaar „verkoopt” dus geen consumptiegoederen „uit hoofde van een overeenkomst”, maar hij speelt enkel een rol bij een verkoop tussen particulieren, waarop die richtlijn niet van toepassing is.

51. Volgens mij sluit deze vaststelling op zich evenwel niet uit dat, naar omstandigheid, een handelaar die in naam en voor rekening van een particulier handelt, als verkoper in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 kan worden beschouwd indien hij de indruk geeft als verkoper te handelen wanneer hij zich aan de consument voorstelt. In deze situatie lijkt het, uit het oogpunt van de consument, erop dat de handelaar consumptiegoederen „verkoopt”, „uit hoofde van een overeenkomst”, „in het kader van zijn bedrijf of beroep”. Verder lijkt deze situatie vergelijkbaar met die waarin de tussenpersoon in eigen naam handelt.(22) Hij is in de regel gebonden door de overeenkomst(23) en moet dan ook als de verkoper worden beschouwd in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44.

52. De relatief ruime omschrijving van het begrip verkoper in artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 pleit ervoor om de handelaar die de indruk geeft als verkoper te handelen wanneer hij zich aan de consument voorstelt, onder de werkingssfeer ervan te begrijpen.

53. De vraag rijst of de exacte bewoordingen van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 aan deze uitlegging in de weg staan.

54. Aangezien het volgens de verwijzende rechter vaststaat dat de garage Bietheres consumptiegoederen verkoopt in het kader van haar beroep of bedrijf(24), gaat het, bij de analyse van deze bewoordingen, mijns inziens in het hoofdgeding meteen en voornamelijk om de uitdrukkingen „uit hoofde van een overeenkomst” en „consumptiegoederen verkoopt”.

a) De uitdrukking „uit hoofde van een overeenkomst”

55. Noch de tekst, noch de voorstukken van richtlijn 1999/44(25) scheppen klaarheid over de exacte draagwijdte van de uitdrukking „uit hoofde van een overeenkomst”. Teneinde de betekenis van die uitdrukking te bepalen moet worden aangeknoopt bij de gebruikelijke betekenis ervan in de omgangstaal, waarbij tegelijk rekening wordt gehouden met de context waarin zij wordt gebruikt en de doeleinden die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaakt.(26)

56. Ik sluit me aan bij de analyse van de Commissie dat de uitdrukking „uit hoofde van een overeenkomst” veronderstelt dat er een overeenkomst is, of zij nu schriftelijk dan wel mondeling is.

57. Betreffende die uitdrukking merkt de Commissie op dat het aan de nationale rechter staat om te bepalen of er een verkoopovereenkomst was, en in voorkomend geval, tussen welke partijen zij is gesloten, in het bijzonder of zij tussen een consument en een verkoper in de zin van richtlijn 1999/44 is gesloten.

58. De Belgische, de Duitse en de Oostenrijkse regering voeren aan dat enkel de persoon die partij bij de overeenkomst is in de hoedanigheid van verkoper, jegens de consument uit hoofde van de verkoopovereenkomst rechtstreeks aansprakelijk is. De enige vraag die dus zou rijzen met betrekking tot het begrip verkoper in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44, is wie de contractpartij van de consument is.(27)

59. Ik deel deze zienswijze, namelijk dat het begrip verkoper afhangt van de identificatie van de contractpartijen, niet helemaal.

60. De verkoper, zoals omschreven in richtlijn 1999/44, is inderdaad in de meeste gevallen de persoon die zich contractueel ertoe verbindt het verkochte goed te leveren. Toch moet, voor de toepassing van richtlijn 1999/44, volgens mij onderscheid worden gemaakt tussen, enerzijds, de identificatie van de contractpartijen en, anderzijds, de identificatie van de verkoper in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44.

61. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat deze richtlijn een minimale harmonisatie invoert. De identificatie van de contractpartijen valt onder de algemene regelingen van de lidstaten die van toepassing zijn op verkoopovereenkomsten, welke niet door deze richtlijn worden geharmoniseerd.(28)

62. Daaruit vloeit volgens mij voort dat de identificatie van de contractpartijen krachtens het nationale recht niet bepalend kan zijn voor de door artikel 1, lid 2, onder c), van de richtlijn vereiste beoordeling. De inhoud van het begrip verkoper, als autonoom begrip van Unierecht, wordt dus uitsluitend aan de hand van bronnen van het Unierecht bepaald. Deze vaststelling vindt bovendien steun in de doelstelling van de richtlijn, die erin bestaat een eenvormig minimumniveau van consumentenbescherming in de Unie te verzekeren, onafhankelijk van de plaats van verkoop van de goederen.(29)

63. Daarom veronderstelt de uitdrukking „uit hoofde van een overeenkomst” op zich enkel het bestaan van een overeenkomst en verzet zij zich dus niet tegen de voorgestane uitlegging, namelijk dat een handelaar die in naam en voor rekening van een particulier handelt, als een verkoper in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 moet worden beschouwd indien hij de indruk geeft als verkoper te handelen wanneer hij zich aan de consument voorstelt.

b) De uitdrukking „consumptiegoederen verkoopt”

64. Het begrip „verkopen” betekent in de gebruikelijke betekenis in de omgangstaal dat een persoon, de verkoper, een goed aan een ander persoon, de koper, overdraagt tegen betaling van een bedrag dat de prijs van het goed vormt.

65. Zoals de Belgische regering onderstreept, bepaalt artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 niet dat de verkoper eigenaar van het verkochte goed moet zijn.(30)

66. Aangezien in de bewoordingen van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 en in de voorstukken bij deze richtlijn elke aanwijzing in die zin ontbreekt, lijkt een strikte uitlegging van deze bepaling volgens welke de verkoper enkel de eigenaar van het verkochte goed kan zijn, mij onlogisch, aangezien de tussenpersoon die in eigen naam handelt, in de regel gebonden is door de overeenkomst(31), ook al is hij niet de eigenaar van het verkochte goed.

67. Ik breng ook in herinnering dat de richtlijn slechts ziet op een zeer beperkt deel van de algemene regels van de lidstaten die van toepassing zijn op verkoopovereenkomsten, en de nationale regelingen inzake eigendom onverlet laat.

68. Richtlijn 1999/44 betreft bovendien voornamelijk de garanties voor consumptiegoederen en de aansprakelijkheid voor gebreken aan overeenstemming. Binnen die context lijkt het uit het oogpunt van de consument, aan wie de bescherming van de richtlijn ten goede komt, niet relevant dat de eigenaar en de verkoper van het goed noodzakelijkerwijs dezelfde persoon zijn.

69. Met andere woorden, de betrokken handelaar moet binnen het bestek van richtlijn 1999/44 niet noodzakelijk de eigenaar van het goed zijn om de functie van verkoper uit te oefenen.(32) Daarom is er geen enkele reden om de draagwijdte van het begrip verkoper te beperken tot de eigenaar van het verkochte goed.

2. Teleologische uitlegging van artikel 1, lid 2, onder c)

70. Een teleologische uitlegging van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 versterkt de letterlijke uitlegging van deze bepaling, volgens welke een handelaar die in naam en voor rekening van een particulier handelt, als verkoper in de zin van deze bepaling kan worden beschouwd indien hij de indruk geeft als verkoper te handelen wanneer hij zich aan de consument voorstelt.

71. De voornaamste functie van de verkoper in het kader van richtlijn 1999/44 is om aan de consument een goed af te leveren dat met de verkoopovereenkomst in overeenstemming is en om het te vervangen of te herstellen in geval van een gebrek aan overeenstemming.(33) Het begrip verkoper als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder c), begrenst daartoe de kring van personen tegen wie de consument zich kan richten wanneer het goed niet in overeenstemming is met de overeenkomst.

72. Daarom is het uiteraard noodzakelijk dat de consument in geval van een gebrek aan overeenstemming weet wie de verkoper is. Weten wie de verkoper is, kan bovendien ook van doorslaggevend belang zijn voor de consument die uit meerdere verkopers moet kiezen, en op dat ogenblik de expertise, de professionaliteit en de solvabiliteit van de verkoper zal beoordelen, alsook diens capaciteit om zich van zijn aansprakelijkheid te kwijten in geval van een gebrek aan overeenstemming.

73. Indien, zoals in de onderhavige zaak, een handelaar als tussenpersoon voor een particulier handelt, dan heeft de omstandigheid dat de consument van de identiteit van de verkoper onwetend is, een nog schadelijker gevolg aangezien de consument zijn juridische situatie en de verhaalsmogelijkheden waarover hij beschikt, niet kent. Als de verkoper een particulier blijkt te zijn, geldt het in artikel 7, lid 1, van richtlijn 1999/44 vastgestelde dwingende karakter van de rechten van de consument niet en geniet de consument de bescherming van deze richtlijn niet. De niet-professionele verkoper kan zich bijgevolg onder andere vrijwaren voor elke aansprakelijkheid inzake verborgen gebreken van het verkochte goed. Dit voorbeeld is des te relevanter binnen de context van de verkoop van een tweedehandsvoertuig.

74. Hieruit volgt dat een effectieve bescherming van de consument impliceert dat hij weet dat de verkoper een particulier is. Zoals de Belgische regering stelt, is die informatie vergelijkbaar met „essentiële informatie welke de gemiddelde consument, naargelang de context, nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen” en gaat het om informatie die de verkoper de consument niet mag onthouden krachtens artikel 7, lid 1, van richtlijn 2005/29/EG(34).

75. Aan richtlijn 1999/44 nuttig effect geven vereist daarom volgens mij dat in navolging van de hier voorgestane uitlegging een handelaar die in naam en voor rekening van een particulier handelt en de indruk geeft als verkoper te handelen wanneer hij zich aan de consument voorstelt, wordt geacht binnen de werkingssfeer van artikel 1, lid 2, onder c), van de richtlijn te vallen. In dat geval heeft de handelaar volgens mij een „onherroepelijke keuze” gemaakt en mag hij in geval van een gebrek aan conformiteit van het goed zijn aansprakelijkheden niet ontlopen door de consument door te verwijzen naar de particulier, die onvindbaar of zelfs insolvabel kan zijn.(35)

76. De hier voorgestane uitlegging lijkt mij in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof, volgens welke het door de richtlijnen van de Unie uitgewerkte beschermingsstelsel op de gedachte berust dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan de verkoper beschikt.(36)

77. Wanneer de consument niet op de hoogte is gebracht van het feit dat de verkoper een particulier is, bestaat er een grote ongelijkheid van informatie tussen de consument en de tussenpersoon.(37) Die ongelijkheid kan enkel verholpen worden op initiatief van de tussenpersoon, voor wie het trouwens in de regel gemakkelijk is om die situatie recht te zetten.(38) Bovendien wordt die ongelijkheid vaak gecreëerd of minstens in stand gehouden door de tussenpersoon. Dit ondersteunt de stelling volgens welke de aansprakelijkheid van de verkoper krachtens richtlijn 1999/44 moet kunnen worden opgelegd aan de tussenpersoon die de indruk geeft als verkoper te handelen wanneer hij zich aan de consument voorstelt.

78. De tegengestelde uitlegging volgens welke de handelaar die als tussenpersoon handelt, in elk geval is uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44, doet afbreuk aan de algehele doelstelling die de Europese regeling inzake consumentenbescherming nastreeft en die in artikel 169 VWEU (voorheen artikel 153 EG) is neergelegd, te weten een hoog niveau van consumentenbescherming en bijgevolg het voor de interne markt fundamentele vertrouwen van de consumenten waarborgen.

C – Beoordeling door de nationale rechter

79. De nationale rechter moet, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak en alle bewijsstukken(39), nagaan of de handelaar als verkoper in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 kan worden beschouwd, of anders gezegd of hij de indruk heeft gegeven als verkoper van het betrokken goed te handelen wanneer hij zich aan de consument heeft voorgesteld.

80. Het lijkt mij evenwel nuttig enkele algemene overwegingen betreffende de beoordeling door de nationale rechter uiteen te zetten.

81. In de eerste plaats zij herinnerd aan de premisse volgens welke richtlijn 1999/44 niet ziet op de aansprakelijkheid van de tussenpersoon jegens de consument.(40) Hieruit volgt mijns inziens dat slechts bij wijze van uitzondering de aansprakelijkheid van de verkoper krachtens deze richtlijn bij de tussenpersoon kan worden gelegd.

82. Bijgevolg kan de tussenpersoon die de consument en de niet-professionele eigenaar enkel met elkaar in verbinding brengt, in geen geval worden beschouwd als de verkoper in de zin van deze richtlijn. Deze aansprakelijkheid kan slechts bij de tussenpersoon worden gelegd mits hij minstens op actieve wijze aan de verkoop heeft deelgenomen.

83. De verwijzende rechter kan in dat verband rekening houden met alle omstandigheden waaruit de rol van de handelaar bij de betrokken verkoop blijkt, en vooral het feit dat het goed was uitgestald in de vestiging van de handelaar.

84. Een dergelijke vaststelling doet volgens mij, in de regel, een sterk vermoeden rijzen dat de consument de indruk had dat de handelaar als verkoper handelde. De handelaar die in een dergelijke situatie wil ontsnappen aan de aansprakelijkheid krachtens richtlijn 1999/44, moet in mijn ogen bewijzen dat de consument, op het moment van het sluiten van de verkoopovereenkomst, wist of moest weten dat de verkoper een particulier was. Ik merk op dat het doorgaans gemakkelijk is voor de handelaar om te bewijzen dat de consument kennis had van de identiteit van de niet-professionele verkoper. Het volstaat dat hij het bewijs aanbrengt dat hij de consument daarover heeft geïnformeerd, waarbij de tussenpersoon onbetwistbaar het best is geplaatst om dit te bewijzen.

85. De verwijzende rechter kan bovendien ook rekening houden met de volgende omstandigheden, teneinde te bepalen of de handelaar de indruk heeft gegeven als verkoper te handelen wanneer hij zich aan de consument heeft voorgesteld:

– de concrete inspanningen van de handelaar binnen de context van de verkoop,

– de omvang van de correspondentie en de gesprekken tussen de handelaar en de consument,

– het feit dat de consument het goed in handen de handelaar heeft betaald, en

– de uitgaven van de handelaar voor de verkoop, voor zover de consument daarvan op de hoogte was.

86. De verwijzende rechter kan ook vaststellen of de handelaar, in de regel, consumptiegoederen verkoopt van het specifieke type dat bij de betrokken verkoop is verkocht, en met dit element rekening houden.

87. Het lijkt mij in de tweede plaats duidelijk dat de inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel inzake de bescherming van de consumenten niet zodanig ver mag worden doorgetrokken dat de totale passiviteit van de betrokken consument wordt verholpen.(41) Zo moet de tussenpersoon niet worden beschouwd als de verkoper in de zin van richtlijn 1999/44, wanneer de nationale rechter meent dat de gemiddelde consument, te weten een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument(42), niet rechtmatig ervan onwetend kon zijn, op het moment van het sluiten van de verkoopovereenkomst, dat de handelaar slechts als tussenpersoon voor een particulier handelde.(43) Een schriftelijke verkoopovereenkomst, met de naam van de niet-professionele verkoper, zou in dat verband een zeer sterke indicatie zijn die erop wijst dat de consument van dit gegeven kennis droeg, voor zover dit document vóór sluiting van de verkoopovereenkomst aan de consument is overgemaakt.

D – Vergoeding van de tussenpersoon

88. De vergoeding van de tussenpersoon voor zijn bemiddeling houdt verband met de contractuele relatie tussen de niet-professionele eigenaar en de tussenpersoon, die in de regel buiten de werkingssfeer van richtlijn 1999/44 valt, behalve wat betreft het recht van de eindverkoper om zich, krachtens artikel 4 van die richtlijn, te verhalen op de tussenpersoon in geval van een gebrek aan overeenstemming dat voortvloeit uit een handelen of nalaten van de tussenpersoon.(44)

89. Bovendien lijkt het feit of de tussenpersoon voor zijn bemiddeling al dan niet wordt vergoed, niet relevant uit het oogpunt van de consument. De consument draagt doorgaans zelfs geen kennis van het feit dat de tussenpersoon wordt vergoed of niet.

90. In navolging van de Commissie en de Oostenrijkse regering beschouw ik het feit dat de tussenpersoon voor zijn bemiddeling al dan niet wordt vergoed, daarom als niet relevant voor de beoordeling krachtens artikel 1, lid 2, onder c), teneinde te bepalen of de handelaar als de verkoper in de zin van de richtlijn moet worden beschouwd.(45)

91. Wanneer aan de tussenpersoon de uit richtlijn 1999/44 voortvloeiende verplichtingen worden opgelegd wanneer hij geen enkele – of hooguit een zeer bescheiden – vergoeding heeft ontvangen, kan dit op het eerste gezicht onredelijk lijken.

92. Evenwel zij eraan herinnerd dat de tussenpersoon niet noodzakelijk de uiteindelijke economische last draagt. Integendeel, in geval van een gebrek aan overeenstemming van het verkochte goed waarvan de kosten worden gedragen door de tussenpersoon als verkoper in de zin van richtlijn 1999/44, kan de tussenpersoon zich krachtens artikel 4 van richtlijn 1999/44 en volgens de voorwaarden van het relevante nationale recht verhalen tegen de aansprakelijke persoon (personen), te weten in de regel de niet-professionele eigenaar.

93. De door mij voorgestane uitlegging van artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44 impliceert inderdaad enkel dat de tussenpersoon het risico van de insolvabiliteit van de niet-professionele eigenaar draagt, wat voor de consument evenwel een fundamenteel aspect is. Dit resultaat lijkt me zeker niet onredelijk, gelet op het feit dat de tussenpersoon dit risico gemakkelijk kan uitsluiten door de consument te informeren over de identiteit van de niet-professionele verkoper of door een risicopremie toe te voegen aan de voor de bemiddeling vastgestelde vergoeding.

VI – Conclusie

94. Op grond van het voorafgaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van de cour d’appel de Liège als volgt te beantwoorden:

„Artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen moet aldus worden uitgelegd dat het mede ziet op de handelaar die in naam en voor rekening van een particulier handelt, los van het feit of hij voor zijn bemiddeling wordt vergoed, voor zover de tussenpersoon de indruk geeft als verkoper te handelen wanneer hij zich aan de consument voorstelt.”

1 – Oorspronkelijke taal: Frans.

2 – PB 1999, L 171, blz. 12.

3 – Geconsolideerde versie 1997 van het EG-Verdrag (PB 1997, C 340, blz. 173).

4 – In haar voorstel van 8 oktober 2008 dat heeft geleid tot de vaststelling van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende consumentenrechten [COM(2008) 614 definitief], heeft de Commissie voorgesteld om vier richtlijnen, waaronder richtlijn 1999/44, te vervangen door „één enkel horizontaal instrument” gebaseerd op een volledige harmonisatie inzake consumentenbescherming. De Raad heeft die aanpak echter verworpen. De finale versie van richtlijn 2011/83 van 25 oktober 2011 (PB 2011, L 304, blz. 64) bevat slechts één wijziging van richtlijn 1999/44, namelijk het nieuwe artikel 8 bis, dat de lidstaten die strengere bepalingen inzake consumentenbescherming vaststellen dan die waarin artikel 5, leden 1 tot en met 3, en artikel 7, lid 1, voorzien, verplicht de Commissie daarvan in kennis te stellen.

5 – Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de eigenaar van het voertuig niet de totale verkoopprijs heeft ontvangen, aangezien de garage Bietheres een bedrag van 800 EUR heeft ingehouden voor herstellingen die aan het voertuig waren uitgevoerd om het te koop aan te bieden.

6 – Zie „Principles, Definitions and Model Rules of European Private Law, Draft Common Frame of Reference (DCFR)”. Dit document is op verzoek van de Commissie opgesteld door de Studiegroep voor een Europees wetboek van privaatrecht en de Groep acquis communautaire, 2009, boek II, hoofdstuk 6, met als opschrift „Representation”.

7 – Zie evenwel het voorstel van de Commissie van 11 oktober 2011 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een gemeenschappelijk Europees kooprecht [COM(2011) 635 definitief], waarin betreffende grensoverschrijdende contracten wordt overwogen om „een zelfstandig, uniform geheel van bepalingen inzake overeenkomstenrecht aan te bieden, waaronder bepalingen inzake consumentenbescherming: het gemeenschappelijk Europees kooprecht, dat als een secundaire regeling inzake overeenkomstenrecht in het nationale recht van elke lidstaat moet worden beschouwd” (punt 1, blz. 4 van het voorstel), voor zover de contractpartijen dit overeenkomen.

8 – Zie met name artikel 2 van richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (PB 1985, L 372, blz. 31) (ingetrokken bij richtlijn 2011/83), en artikel 2, lid 1, onder e), van richtlijn 2008/122/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de bescherming van de consumenten met betrekking tot bepaalde aspecten van overeenkomsten betreffende gebruik in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling (PB 2009, L 33, blz. 10). Zie ook artikel 2, punt 2, van het hierboven vermelde voorstel van de Commissie van 8 oktober 2008 voor richtlijn 2011/83 (voetnoot 4 van de onderhavige conclusie).

9 – Zie „Principles, Definitions and Model Rules of European Private Law, Draft Common Frame of Reference (DCFR)”, op. cit., boek II, hoofdstuk 6, noot I.1 van punt II.‑6:106, met als opschrift „Representative acting in own name”.

10 – Ibidem, punt II.6:105, met als opschrift „When representative’s act affects principal’s legal position”.

11 – Zie voetnoot 5 van de onderhavige conclusie.

12 – Met andere woorden, een beperktere omschrijving dan de omschrijving die wordt gebruikt in de in voetnoot 8 van deze conclusie vermelde Uniehandelingen.

13 – Arrest Innoventif (C‑453/04, EU:C:2006:361, punt 29) en beschikking Koval’ský (C‑302/06, EU:C:2007:64, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

14 – Zie met name de arresten Seattle Genetics (C‑471/14, EU:C:2015:659, punt 23) en Axa Belgium (C‑494/14, EU:C:2015:692, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

15 – Zie met name artikel 3, onder h), van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (PB 2004, L 364, blz. 1).

16 – Omgekeerd komt de omschrijving van „consument” in artikel 1, lid 2, onder a), van richtlijn 1999/44 in andere Uniehandelingen voor. Zie met name artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), en artikel 2, punt 2, van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten (PB 1997, L 144, blz. 19). Laatstgenoemde richtlijn is ingetrokken bij richtlijn 2011/83.

17 – Het Hof heeft in dezelfde zin geoordeeld dat het begrip consument in artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 een „objectief begrip” is en „aan de hand van een functioneel criterium [moet] worden beoordeeld, namelijk of de betrokken contractuele band deel uitmaakt van activiteiten die niets te maken hebben met de uitoefening van een beroep of een bedrijf” (beschikking Tarcău, C‑74/15, EU:C:2015:772, punt 27). Zie ook arrest Costea (C‑110/14, EU:C:2015:538, punt 21) en conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalón in de zaak Costea (C‑110/14, EU:C:2015:271, punt 28). Zie, betreffende het begrip consument in de zin van artikel 13 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Brussel op 27 september 1968 (PB 1972, L 299, blz. 32), arrest Benincasa (C‑269/95, EU:C:1997:337, punt 16), waarin het Hof de aandacht heeft gevestigd op „de positie van deze persoon in een bepaalde overeenkomst, rekening houdend met de aard en het doel van deze overeenkomst”.

18 – Zie ook Groenboek betreffende de herziening van het consumentenacquis [COM(2006) 744 definitief, punt 4.2].

19 – De mogelijkheid om bepalingen in te voegen over de aansprakelijkheid van de producent jegens de consument is dan weer wel besproken. Zie met name Groenboek betreffende garantie op consumptiegoederen en service na verkoop [COM(93) 509 def.]; resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 1994 betreffende het Groenboek van de Commissie betreffende garantie op consumptiegoederen en service na verkoop (PB 1994, C 205, blz. 562); advies van het Economisch en Sociaal Comité van 27 november 1996 betreffende het voorstel voor de richtlijn (punten 1.4 en 2.5, PB 1997, C 66, blz. 5); wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 maart 1998 betreffende het voorstel voor de richtlijn (amendementen 4, 5 en 25, PB 1998, C 104, blz. 30), en het gewijzigde voorstel van de Commissie [COM(1998) 217 def., punt 5].

20 – Zie voetnoot 8 van de onderhavige conclusie.

21 – Zie ook overweging 9 van richtlijn 1999/44, die preciseert dat die richtlijn „het beginsel van contractvrijheid tussen verkoper, producent, eerdere verkoper of enige andere tussenpersoon onverlet laat”. Binnen de context van het internationaal privaatrecht bepaalt artikel 1, lid 2, onder g), van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6) dat de verordening niet van toepassing is op „de vraag of een vertegenwoordiger zijn principaal […] jegens een derde kan binden”.

22 – Beide situaties worden ook vergeleken in „Principles, Definitions and Model Rules of European Private Law, Draft Common Frame of Reference (DCFR)”, op. cit., boek II, hoofdstuk 6, punt II.‑6:106: „When the representative, despite having authority, does an act in the representative’s own name or otherwise in such a way as not to indicate to the third party an intention to affect the legal position of a principal, the act affects the legal position of the representative in relation to the third party as if done by the representative in a personal capacity”. Zie ook artikel 13, lid 1, van het Verdrag inzake de vertegenwoordiging bij internationale koop van roerende zaken, ondertekend te Genève op 17 februari 1983, dat bepaalt dat de handelingen de tussenpersoon en de derde slechts binden indien „a) de derde niet wist of had behoren te weten dat de vertegenwoordiger handelde als vertegenwoordiger, of b) uit de omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld door verwijzing naar een commissie-overeenkomst, blijkt dat de vertegenwoordiger de bedoeling heeft alleen zichzelf te binden”.

23 – Zie punt 32 van de onderhavige conclusie.

24 – Men kan zich afvragen of de uitdrukking „in het kader van zijn beroep of bedrijf” impliceert dat de handelaar in de regel consumptiegoederen moet verkopen van het specifieke type dat bij de betrokken verkoop is verkocht. Die uitlegging lijkt mij te ver te gaan. Dit sluit evenwel niet uit dat dit feit relevant kan zijn voor de beantwoording van de vraag of de tussenpersoon de indruk heeft gegeven als verkoper te handelen wanneer hij zich aan de consument heeft voorgesteld. Zie punt 86 van de onderhavige conclusie.

25 – In feite kwam de uitdrukking „uit hoofde van een overeenkomst” niet voor in het initiële voorstel van de Commissie [voorstel richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, COM(95) 520 def.] van 23 augustus 1996, en evenmin in het gewijzigde voorstel [gewijzigde voorstel richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, COM(98) 217 def.] van 1 april 1998. De uitdrukking is in artikel 1, lid 2, onder c), zonder uitleg toegevoegd, in gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 51/98 van 24 september 1998, vastgesteld door de Raad met het oog op richtlijn 1999/44 (PB 1998, C 333, blz. 46), en goedgekeurd door het Europees Parlement in zijn besluit van 17 december 1998, betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld (PB 1999, C 98, blz. 226).

26 – Zie arrest Content Services (C‑49/11, EU:C:2012:419, punt 32).

27 – Zie ook Reich, N., Micklitz, H.W., Rott, P., en Tonner, K., European Consumer Law, 2e druk, Intersentia, blz. 173, alsmede Bianca, M., en Grundmann, S. (red.), EU Sales Directive, Commentary, Intersentia, blz. 114.

28 – De Commissie preciseert in de toelichting bij haar voorstel voor een richtlijn dat richtlijn 1999/44 de algemene regelingen van de lidstaten die van toepassing zijn op verkoopovereenkomsten, onder meer de regelingen betreffende de vorming van de overeenkomst en de wilsgebreken, ongemoeid laat. De Commissie benadrukt bovendien dat het voorstel slechts op een zeer beperkt deel wil zien van de vragen die rijzen bij de verkoop van consumptiegoederen. Zie voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verkoop van en de waarborgen voor consumptiegoederen [COM(95) 520 def.], lid II, onder d), en lid III, onder artikel 7 [thans artikel 8 van richtlijn 1999/44].

29 – Zie met name overweging 5 van richtlijn 1999/44. In punt 2.1 van zijn advies van 27 november 1996 over het voorstel van de Commissie voor richtlijn 1999/44 benadrukt het Economisch en Sociaal Comité de doelstelling om te verzekeren dat de consument zich bij aankoop van een product in een andere lidstaat zich erop kan verlaten dat hij in het geval van een gebrek een soortgelijke bescherming geniet als in zijn verblijfsstaat.

30 – Ik deel evenwel niet helemaal de mening van de Oostenrijkse regering dat er krachtens de tekst van artikel 1, lid 2, onder c), niet automatisch een overdracht van eigendom moet zijn. Volgens mij impliceert het begrip „verkopen” een overdracht van eigendom aan de consument. Dat sluit, zoals de Oostenrijkse regering stelt, een verkoopovereenkomst met eigendomsvoorbehoud niet uit, maar betekent enkel dat de overeenkomst de overdracht van de eigendom van een goed aan een consument betreft.

31 – Zie punt 32 van de onderhavige conclusie.

32 – Het klopt dat de handelaar die niet de eigenaar van het goed is, in de regel zonder de toestemming van de eigenaar niet in staat is om bij gebrek aan overeenstemming de herstelling of de vervanging van het goed te organiseren, overeenkomstig artikel 3, leden 2 en 3, van richtlijn 1999/44, maar artikel 3, lid 5, van die richtlijn verleent de consument uitdrukkelijk het recht om een passende prijsvermindering of de ontbinding van de koopovereenkomst te verlangen indien de verkoper niet binnen een redelijke termijn tot genoegdoening is overgegaan, hetgeen vereisten zijn waaraan een dergelijke handelaar zeker kan voldoen.

33 – Zie artikel 2, lid 1, en artikel 3 van richtlijn 1999/44.

34 – Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad en de richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2005, L 149, blz. 22). Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2005/29 vermeldt bijvoorbeeld als essentiële informatie „het geografische adres en de identiteit van de handelaar, in het bijzonder zijn handelsnaam, en, in voorkomend geval, het geografische adres en de identiteit van de handelaar namens wie hij optreedt”.

35 – Zie naar analogie arrest Gruber (C‑464/01, EU:C:2005:32, punten 50 en 51) betreffende de kwalificatie van een overeenkomst als „[overeenkomst] gesloten door een persoon voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd” in de zin van artikel 13 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Brussel op 27 september 1968. De zaak betrof de omgekeerde situatie, waarbij de consument zichzelf voorstelde als handelend voor beroepsdoeleinden. Het Hof oordeelde dat het in de gevallen waarin op grond van de objectieve omstandigheden uit het dossier niet rechtens genoegzaam wordt aangetoond dat met de verrichting waarvoor een overeenkomst met een tweeledig doel is gesloten, in niet-onbelangrijke mate een beroepsmatig doel werd nagestreefd, het aan de nationale rechter staat om „na [te] gaan of de wederpartij bij de overeenkomst te goeder trouw onwetend kon zijn van het niet-beroepsmatige doel van de verrichting doordat de beweerde consument bij zijn toekomstige wederpartij zelf de indruk heeft gewekt dat hij voor beroepsdoeleinden handelde”. Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Gruber (C‑464/01, EU:C:2004:529, punt 51).

36 – Zie, aangaande richtlijn 1999/44, arrest Faber (C‑497/13, EU:C:2015:357, punt 42), en, aangaande richtlijn 93/13, arresten Bucura (C‑348/14, EU:C:2015:447, punt 52), Costea (C‑110/14, EU:C:2015:538, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak), BBVA (C‑8/14, EU:C:2015:731, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en Kušionová (C‑34/13, EU:C:2014:2189, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak), alsmede beschikking Tarcău (C‑74/15, EU:C:2015:772, punt 24).

37 – Zie in dezelfde zin de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Faber (C‑497/13, EU:C:2014:2403, punt 66) betreffende de overeenstemming met de overeenkomst van de geleverde goederen.

38 – Zie ook artikel 7 van het voorstel voor een richtlijn van de Commissie van 8 oktober 2008, vermeld in voetnoot 4 van de onderhavige conclusie. Met artikel 7, lid 1, van dat voorstel heeft de Commissie voorgesteld om de tussenpersoon te verplichten voorafgaand aan de sluiting van de overeenkomst de consument mee te delen dat hij handelt namens een andere consument, en geopperd dat de overeenkomst niet beschouwd dient te worden als een overeenkomst tussen een consument en een handelaar, maar als een overeenkomst tussen twee consumenten, en dus buiten de werkingssfeer van de richtlijn valt. Artikel 7, lid 2, bepaalde bovendien dat een tussenpersoon die niet aan die informatieverplichting voldeed, werd geacht de overeenkomst in eigen naam te hebben gesloten. Zie met name de algemene oriëntatie van de Raad, bereikt op 24 januari 2011 [2008/196 (COD)], en de amendementen van het Europees Parlement, aangenomen op 24 maart 2011, betreffende het voorstel van de Commissie (PB 2012, C 247E, blz. 55).

39 – Zie in die zin, inzake het begrip consument, arresten Faber (C‑497/13, EU:C:2015:357, punt 38‑48) en Costea (C‑110/14, EU:C:2015:538, punten 22 en 23), alsmede beschikking Tarcău (C‑74/15, EU:C:2015:772, punt 28).

40 – Zie punt 50 van de onderhavige conclusie.

41 – Zie arrest Kušionová (C‑34/13, EU:C:2014:2189, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42 – Zie arrest Bucura (C‑348/14, EU:C:2015:447, punt 56).

43 – Zie in dezelfde zin arrest Gruber (C‑464/01, EU:C:2005:32, punt 51) betreffende de kwalificatie van een overeenkomst als „[overeenkomst] gesloten door een persoon voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd” in de zin van artikel 13 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Brussel op 27 september 1968.

44 – Zie punt 12 van de onderhavige conclusie.

45 – De Duitse regering voert aan dat het feit dat de tussenpersoon voor zijn bemiddeling een vergoeding van de eigenaar ontvangt, een indicatie kan zijn dat hij niet in eigen naam maar in naam van de eigenaar verkoopt, voor zover de consument op de hoogte was van die vergoeding. Ik ben het eens wat dit punt betreft, maar ik vraag me af of die hypothese zich concreet kan voordoen, aangezien de consument zelden kennis draagt van de contractuele relatie tussen de verkoper en de tussenpersoon.

Noot: 

rechtspraak:

Liège 14 mars 2015, DCCR, 2016, 39, met noot: Sanne  Jansen, De garage als tussenpersoon bij de verkoop van tweedehandswagens aan consumenten, DCCR 2016, 46

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 24/08/2017 - 17:22
Laatst aangepast op: do, 24/08/2017 - 17:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.