-A +A

Functiewijzigingen en vergunningsplicht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 08/04/2014

Eigendom is het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, mits men er geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of de verordeningen (zie art. 544 BW).

De eigenaar van een onroerend goed die, door een niet-foutief handelen of nalaten, het evenwicht tussen de eigendomsrechten van naburige eigenaars verbreekt door het opleggen aan een naburige eigenaar van een stoornis die de maat van de gewone hinder uit nabuurschap overschrijdt, is aan deze laatste een rechtmatige en passende compensatie verschuldigd, waardoor het verbroken evenwicht wordt hersteld (zie o.m.: Cass. 6 april 1960, Pas. 1960, I, p. 915, cond. Adv.-Gen. P. Mahaux).

Voor deze (foutloze) aansprakelijkheid op grond van abnormale burenhinder is vereist dat de stoornis aan de aangesproken persoon kan worden toegerekend, m.a.w. dat enig handelen of nalaten van deze laatste aan de basis daarvan ligt. Ten onrechte voeren de eerste verweerders hierover betwisting. Immers, áls de uitbating van het betrokken restaurant (echt) abnormale burenhinder zou veroorzaken, dan is deze hinder wel degelijk ook aan de eerste verweerders toerekenbaar. Daartoe volstaat namelijk dat de eerste verweerders hun eigendom aan de tweede verweerders verhuren en, op die manier, toelaten dat de laatstgenoemden er een (per hypothese abnormaal hinderend) restaurant in uitbaten.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/20
Pagina: 
1471
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(J.E., R.T., V.S., L.D.V., R.D.W., M.E., M.B., A.D., S.D., L.P., E.B., F.M., J.B., M.V.D.S. / L.D., C.T., A.A., R.A., F.A. - Rolnr.: 12/3767/A)

I. PROCEDURE
(…)

II. FEITEN EN VORDERINGEN
1. De eisers zijn eigenaars en bewoners van woningen gelegen in de onmiddellijke omgeving van het Italiaanse restaurant genaamd “G.” te 9070 Destelbergen, (…).

De villa waarin dit restaurant is ondergebracht, is eigendom van de heer L.D. en mevrouw C.T. (hierna: de eerste verweerders). Zij verhuurden dit pand aan de heer G.A., die aldaar het restaurant “G.” uitbaatte.

Als buurtbewoners beklagen de eisers zich over abnormale burenhinder die deze uitbating zou teweegbrengen, meer bepaald geluids-, geur- en verkeersoverlast en wangedrag van (beschonken) cliënteel. Tevens klagen de eiseres aan dat meer dan 50% van het pand wordt gebruikt als restaurant, terwijl het volgens het geldende BPA eigenlijk een woonpark betreft, waar tertiaire diensten en restaurants slechts voor maximaal 50% toegelaten zijn.

De eisers achtten zowel de eerste verweerders (als eigenaars) als de heer G.A. (als uitbater) aansprakelijk voor deze overlast, niet alleen (expliciet) wegens abnormale burenhinder (zie art. 544 BW), maar ook (impliciet) op grond van fout (zie art. 1382-1383 BW).

Op 27 januari 2012 zijn de eisers overgegaan tot dagvaarding van de eerste verweerders (als eigenaars) en de heer G.A. (als uitbater), teneinde de staking van de hinder te horen bevelen, onder verbeurte van een dwangsom. Naderhand hebben sommige van de oorspronkelijke eisers zich evenwel uit de procedure teruggetrokken. De meeste van de resterende eisers hebben hun aanspraken in die zin gewijzigd, dat zij thans (enkel nog) lijken aan te sturen op schadevergoeding.

Hoe dan ook werden en worden de aanspraken van de eisers door de verweerders formeel betwist. Volgens de eerste verweerders is er namelijk geen sprake van enige stedenbouwkundige overtreding noch van abnormale burenhinder, minstens is dit niet bewezen.

Hangende het geding is de heer G.A. overleden, meer bepaald op 7 maart 2013. De heer A.A., de heer R.A. en de heer F.A. (hierna: de tweede verweerders) zijn de kinderen en wettige erfgenamen van wijlen de heer G.A. en hebben, in die hoedanigheid, het tegen hun vader aangespannen geding hervat. De tweede verweerders zijn tegelijk ook de actuele uitbaters van het bewuste restaurant.

2. Volgens de termen van het beschikkend gedeelte van hun laatste (synthese)conclusie, neergelegd ter griffie op 27 december 2013, strekt de vordering van de heer J.E., mevrouw R.T., mevrouw V.S., mevrouw L.D.V., de heer R.D.W., mevrouw M.E., de heer M.B. en mevrouw A.D.H. er (enkel nog) toe om:

“vast te stellen dat er in hoofde van de verschillende verweerders sprake is van abnormale hinder uit nabuurschap, overeenkomstig artikel 544 BW waardoor zij gehouden zijn tot het betalen van een schadevergoeding.

Op dit punt akte te nemen van het herleiden van de vordering van concludenten in die zin dat zij afstand doen van hun vordering tot het bekomen van een dwangsom en deze vordering herleiden naar het bekomen van een schadevergoeding begroot ex aequo et bono van 10.000 EUR waartoe alle verweerders solidair dienen te worden veroordeeld.”

Volgens de termen van het motiverend gedeelte van diezelfde conclusie vorderen de voornoemde eisers echter óók nog “niet het volledige verbod van de activiteit waardoor de hinder op basis van art. 544 BW wordt veroorzaakt doch wel dat deze activiteit zou worden uitgeoefend in overeenstemming met de geldende voorwaarden (restaurantfunctie beperkt tot 50% EN geen gebruik van de rest van de verkaveling als parkeerplaats EN maximale inzet van de verweerders om alle andere hinder te beperken)” (sic).

Hoe dan ook wordt door de voornoemde eisers gevraagd om de verweerders te veroordelen tot de kosten van het geding, aan hun zijde vast te stellen op de kosten van dagvaarding, begroot op 200,38 EUR, en de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 1.320 EUR.

3. Zoals ook werd bevestigd door de raadsman van de voornoemde eisers ter zitting van 11 maart 2014, treedt deze laatste niet langer op voor mevrouw S.D. Ook de hierboven aangehaalde conclusie, neergelegd ter griffie op 27 december 2013, gaat m.a.w. niet meer uit van mevrouw S.D.

Mevrouw S.D. staat echter wél nog als verzoekende partij vermeld in de gedinginleidende dagvaarding, betekend op 27 januari 2012, en heeft, in die hoedanigheid, achteraf nooit afstand van geding gedaan. Mevrouw S.D. is en blijft tot op heden dus nog altijd eisende partij in het huidige geding.

Nu de voormelde conclusie van 27 december 2013 niet is uitgegaan van mevrouw S.D. (zie hoger), kan het voorwerp van de vordering, in zoverre deze wordt ingesteld door de laatstgenoemde, bijgevolg slechts worden afgeleid uit de laatste proceshandeling die wél nog (mede) van haar afkomstig is, zijnde (precies) de gedinginleidende dagvaarding betekend op 27 januari 2012.

Volgens de termen van de dagvaarding strekt de vordering van mevrouw S.D. er dus (nog steeds) toe om de verweerders te horen veroordelen tot het staken van de abnormale burenhinder, onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 EUR per dag, met een maximum van 100.000 EUR. Ook mevrouw S.D. vraagt om de verweerders te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 1.320 EUR, alsook om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, niettegenstaande elk verhaal, zonder kantonnement.

4. De eerste verweerders van hun kant vragen om de vordering van de eisende partijen ongegrond te verklaren.

Subsidiair, indien de rechtbank deze vordering toch zou inwilligen, vragen de eerste verweerders om de vordering tot integrale schadevergoeding aanzienlijk te verminderen tot een passende en billijke compensatie voor bovenmatige hinder.

In ieder geval vragen de eerste verweerders om de eisende partijen te veroordelen tot de kosten van het geding, aan hun zijde vast te stellen op de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 1.210 EUR.

5. De tweede verweerders ten slotte vragen om de vordering van de eisers af te wijzen als ongegrond en de eisers te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de basisrechtsplegingsvergoeding, begroot op 1.320,00 EUR.

III. BEOORDELING
(…)

2. Hoewel zij het niet met zoveel woorden tot uitdrukking brengen in hun dagvaarding en in hun conclusie, is de vordering van de (resterende) eisers niet alleen gesteund op (beweerde) abnormale burenhinder (zie verder), maar óók op een (beweerde) foutieve handelwijze van de verweerders.

Meer bepaald wordt aan de verweerders verweten dat het pand in kwestie, gelegen te 9070 Destelbergen, (…), voor meer dan 50% wordt gebruikt voor de uitbating van het aldaar gevestigde restaurant - terwijl dit niet toegelaten zou zijn volgens het ter plaatse geldende gemeentelijk BPA. Het (herziene en uitgebreide) “BPA 1 CENTRUM” van de gemeente Destelbergen dat ter plaatse van kracht is, bepaalt namelijk: “Enkel kleinhandel en tertiaire diensten als nevenbestemming worden toegelaten op de begane grond met een maximum van 50% van het totale bouwvolume.” (zie stuk 13 eisers) (benadrukking door de rechtbank).

Echter, in zoverre de (resterende) eisers hun aanspraak steunen op deze (beweerde) fout van de verweerders, is het aan hén om daarvan ook het bewijs te leveren (zie art. 870 Ger.W.). Dit bewijs wordt door de (resterende) eisers niet geleverd.

De (resterende) eisers tonen weliswaar aan dat, volgens de actuele stand van zaken, de inrichting van het door de tweede verweerders uitgebate restaurant blijkbaar meer dan de helft beslaat van de bewuste villa. Het volstaat daartoe om te verwijzen naar de inhoud van het proces-verbaal van vaststelling, opgemaakt door gerechtsdeurwaarder Jacques Matthys op 22 december 2011 (zie stuk 15 eisers). De verweerders blijken ook niet te beschikken over een stedenbouwkundige vergunning voor de inrichting van de villa als restaurant, minstens wordt een dergelijke vergunning door hen niet voorgelegd.

Maar zoals de eerste verweerders terecht aanstippen, staat daarmee nog niet vast dat ook de stedenbouwkundige voorschriften werden overtreden en (dus) een fout werd begaan. Immers, het is pas sinds 1984 dat sommige functiewijzigingen van bestaande gebouwen vergunningsplichtig zijn geworden, meer bepaald krachtens het besluit van de Vlaamse Executieve van 17 juli 1984 houdende het vergunningsplichtig maken van sommige gebruikswijzigingen (BS 30 augustus 1984). De voorheen bestaande functies van gebouwen waren en bleven derhalve ook nadien nog volkomen legaal, ook zónder stedenbouwkundige vergunning. Het voormelde “BPA 1 CENTRUM” dateert naar verluidt pas van 2002. Het was/is pas naar aanleiding van een nieuwe functiewijziging dat een stedenbouwkundige vergunning diende/dient te worden aangevraagd en (dus ook) de voorschriften van dit BPA konden/kunnen worden getoetst.

Het staat evenwel vast dat het pand in kwestie al zeker sinds eind 1977 als restaurant wordt gebruikt. Dit wordt door de eisers niet betwist. Het blijkt ook uit de inhoud van het “AANHANGSEL I” bij het door de eerste verweerders voorgelegde huurcontract van 10 oktober 1977, waarbij de toenmalige huurder (de heer J.S.) uitdrukkelijk werd toegelaten om “de lokalen te gebruiken en in te richten als restaurant” (zie stuk 1 eerste verweerders). Dit blijkt ook uit de inhoud van het proces-verbaal van de lokale politie d.d. 4 oktober 2011, waarin met zoveel woorden staat te lezen: “Op het voormelde perceel was er voorheen reeds 35 jaar geleden een restaurant gevestigd.” en “De eerste maal is het restaurant geopend op datum van juni 1976 tot en met 13 november 2008.” (zie stuk 4 eerste verweerders, p. 3) (benadrukking door de rechtbank).

Aangenomen dat (de oppervlakte en het volume van) het gebruik en de inrichting van de villa als restaurant zoals deze thans bestaan ook toen reeds voorhanden waren, was én is deze functie derhalve sowieso niet vergunningsplichtig - om de eenvoudige reden dat, toen deze functiewijziging werd doorgevoerd, hiervoor (nog) géén vergunningsplicht bestond. De verweerders begaan dan ook geen enkele fout door datzelfde pand verder te (laten) exploiteren als restaurant - zélfs indien dit restaurant (nog steeds) meer dan 50% van het totale bouwvolume beslaat. Dat dit laatste in strijd is met de actueel geldende voorschriften, zoals vervat in het toepasselijke “BPA 1 CENTRUM” van de gemeente Destelbergen (zie hoger), doet daaraan géén afbreuk. Het restaurant is kwestie moet dan immers, óók voor deze (sinds lange tijd bestaande) ruime omvang, geacht worden vergund te zijn.

Het zou slechts ánders zijn, indien het restaurant in het recente verleden effectief zou zijn uitgebreid (versta: zónder de daartoe noodzakelijke stedenbouwkundige vergunning, die de verweerders overigens - gelet op de overschrijding van het maximaal toegelaten volume van 50%, zoals voorgeschreven door het inmiddels van kracht geworden “BPA 1 CENTRUM” (zie hoger) - in principe onmogelijk nog konden verkrijgen). Alleen in dat geval zouden de verweerders zich thans (nog steeds) schuldig maken aan een overtreding van de stedenbouwkundige normen - en (dus) een fout begaan.

Maar zoals hoger reeds aangestipt, is het hoe dan ook aan de (resterende) eisers om ook déze (mogelijke) fout van de verweerders aan te tonen. Dit bewijs wordt echter niet geleverd. Immers, uit het hoger aangehaalde proces-verbaal van 4 april 2011 volgt óók dat, op dat ogenblik (t.w. op 4 april 2011, d.i. kort voor de aanvang van de uitbating van het huidige restaurant “G.” door wijlen de heer G.A.), alleen onderhouds- maar géén verbouwingswerken aan de gang waren én (vooral) dat “de opp[ervlakte] van het restaurant behouden [is] gebleven ten opzichte va[n] de vorige situatie” (zie stuk 4 eerste verweerders, p. 3). Het tegendeel wordt door de (resterende) eisers niet bewezen.

Kortom, dat het door wijlen de heer G.A. (of diens voorganger) uitgebate restaurant, na de (oorspronkelijke) functiewijziging eind de jaren '70 van de vorige eeuw, ooit effectief werd uitgebreid (versta: zonder vergunning en in strijd met de voorschriften van het geldende BPA), wordt door de (resterende) eisers wel beweerd, maar geenszins hardgemaakt.

Ten onrechte schermen de (resterende) eisers in dit verband met het (oude) “verkavelingsakkoord”, waarvan zowel de villa met het restaurant als de eigendommen van de (resterende) eisers naar verluidt deel uitmaken. Volgens dit “verkavelingsakkoord” is het zo dat de verkaveling een uitsluitend residentiële bestemming had/heeft en niet alleen gevaarlijke, ongezonde en ongepaste inrichtingen in het algemeen maar ook drankgelegenheden in het bijzonder strikt verboden waren/zijn (zie stuk 6 eisers, art. 4).

Echter, zulke “verkavelingsakkoorden” zijn als dusdanig géén (echte) normen die op algemene en abstracte wijze van toepassing zijn op al wie en al wat zich onder het objectief en subjectief toepassingsgebied ervan bevindt, zoals de wettelijke, decretale en reglementaire stedenbouwkundige voorschriften dat wél zijn. Alleen als de eerste verweerders, bij de aankoop van de hier bedoelde eigendom, zich er zélf toe verbonden zouden hebben om de bepalingen van het ter plaatse geldende “verkavelingsakkoord” na te leven, zouden ook zij hierdoor contractueel gebonden zijn (zie art. 1134, eerste lid BW). In het andere geval, is dit “verkavelingsakkoord” ook aan de eerste verweerders evenwel niet tegenstelbaar (zie art. 1165 BW). Om één en ander te verifiëren, dient de rechtbank dan ook kennis te hebben van (de inhoud van) de notariële akte van aankoop waarmee de eerste verweerders zich het betrokken onroerend goed destijds hebben aangeschaft. Nu deze akte door de eerste verweerders niet wordt voorgelegd, kan de rechtbank dit onmogelijk nagaan.

De rechtbank acht het echter overbodig om de eerste verweerders, met toepassing van de artikelen 871 en/of 877 van het Gerechtelijk Wetboek, te gelasten om (een afschrift van) hun eigen notariële akte van aankoop over te leggen. De rechtbank beperkt zich namelijk tot de vaststelling dat, in de bewuste eigendom van de eerste verweerders, al meer dan 30 jaar een restaurant wordt uitgebaat (zie hoger). Zélfs in de veronderstelling dat de eerste verweerders op die manier zouden hebben gehandeld in strijd met de bepalingen van het (per hypothese ook voor hen bindende) “verkavelingsakkoord”, dan nóg moet worden vastgesteld dat de huidige aanspraken van de (resterende) eisers, in zoverre zij gesteund zijn op die (beweerde) fout, hoe dan ook verjaard zijn (zie art. 2262 (oud) BW; art. 2262bis, § 1 (nieuw) BW; art. 10-12 wet 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring (BS 17 augustus 1998)), zoals door de eerste verweerders terecht werd aangekaart.

In die omstandigheden dringt het besluit zich op dat door de verweerders alvast geen enkele fout werd begaan, minstens is dit niet afdoende bewezen. In zoverre de vordering van de (resterende) eisers gesteund is op een (beweerde) fout van de verweerders, is deze vordering derhalve ongegrond.

3. Verder is de vordering van de (resterende) eisers ook en vooral gesteund op (beweerde) abnormale burenhinder die zou worden veroorzaakt door de uitbating van het restaurant in de villa te 9070 Destelbergen, (…).

Eigendom is het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, mits men er geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of de verordeningen (zie art. 544 BW).

De eigenaar van een onroerend goed die, door een niet-foutief handelen of nalaten, het evenwicht tussen de eigendomsrechten van naburige eigenaars verbreekt door het opleggen aan een naburige eigenaar van een stoornis die de maat van de gewone hinder uit nabuurschap overschrijdt, is aan deze laatste een rechtmatige en passende compensatie verschuldigd, waardoor het verbroken evenwicht wordt hersteld (zie o.m.: Cass. 6 april 1960, Pas. 1960, I, p. 915, cond. Adv.-Gen. P. Mahaux).

Voor deze (foutloze) aansprakelijkheid op grond van abnormale burenhinder is vereist dat de stoornis aan de aangesproken persoon kan worden toegerekend, m.a.w. dat enig handelen of nalaten van deze laatste aan de basis daarvan ligt. Ten onrechte voeren de eerste verweerders hierover betwisting. Immers, áls de uitbating van het betrokken restaurant (echt) abnormale burenhinder zou veroorzaken, dan is deze hinder wel degelijk ook aan de eerste verweerders toerekenbaar. Daartoe volstaat namelijk dat de eerste verweerders hun eigendom aan de tweede verweerders verhuren en, op die manier, toelaten dat de laatstgenoemden er een (per hypothese abnormaal hinderend) restaurant in uitbaten.

Echter, ook in zoverre hun vordering gesteund is op de zgn. leer van de abnormale burenhinder, is en blijft het nog steeds aan de (resterende) eisers - als eisende partij - om aan te tonen dat, ook in de voorliggende zaak, aan alle toepassingsvoorwaarden van deze leer is voldaan, m.a.w. dat er werkelijk sprake is van abnormale burenhinder (zie art. 870 Ger.W.).

Maar ook dát bewijs wordt thans niet geleverd. De (resterende) eisers beweren weliswaar dat het restaurant dat door de tweede verweerders wordt uitgebaat in de villa van de eerste verweerders, aanleiding geeft tot geluids-, geur- en verkeersoverlast en tot wangedrag van (beschonken) cliënteel - maar dit wordt door de verweerders betwist en door de (resterende) eisers op geen enkele wijze aangetoond.

De (resterende) eisers beperken zich in dit verband tot (louter) het voorleggen van een door henzelf (en enkele andere buurtbewoners) ondertekende petitie aan de gemeente Destelbergen, waarmee destijds een oplossing werd gevraagd voor “de parkeeroverlast, het nachtlawaai, het wildplassen en het achterlaten van zwerfvuil (o.a. geledigde asbakken)” (zie stuk 1 eisers). Maar het reëel bestaan van deze (beweerde) vormen van overlast wordt, voor het overige, door niets gestaafd - laat staan het (beweerde) abnormaal karakter ervan.

De rechtbank benadrukt dat de eigen verklaringen van de eisers, óók als deze vervat liggen in een door henzelf ondertekende petitie, op zichzelf genomen niet kunnen volstaan als bewijs (zie o.m.: Cass. 3 maart 1978, Arr.Cass. 1978, p. 780; Cass. 17 april 1989, Arr.Cass. 1988-89, p. 947; Cass. 14 januari 2000, Arr.Cass. 2000, p. 109). Het is en blijft dan ook aan de eisers zelf om hun beweringen inzake het reëel bestaan én het abnormale karakter van de (beweerde) hinder uit nabuurschap ook hard te maken aan de hand van objectief (bewijs)materiaal.

Dit wordt in de voorliggende zaak echter volledig nagelaten. Door de (resterende) eisers worden de aangeklaagde vormen van overlast niet eens in detail beschreven (frequentie? intensiteit? welke eigendommen getroffen? op welke tijdstippen?). Op die manier kan de door de (resterende) eisers geformuleerde klacht van abnormale burenhinder moeilijk ernstig worden genomen.

Nochtans wil de rechtbank gerust aannemen dat de (resterende) eisers, als naburige eigenaars en bewoners van het restaurant “G.” te 9070 Destelbergen, (…), hiervan sowieso enige geluids-, geur-, verkeers- en/of andere vormen van hinder ondervinden. Zulke stoornissen zijn namelijk inherent aan de uitbating van een (per hypothese drukbezocht) restaurant als dat van de tweede verweerders.

De vraag is echter niet of de uitbating van dit restaurant hinder veroorzaakt voor de (resterende) eisers, maar wél of die (onvermijdelijke) hinder al dan niet een abnormaal karakter heeft, m.a.w. de grenzen van de normale hinder uit nabuurschap al dan niet overschrijdt. Het was/is vooral van dit laatste dat de (resterende) eisers het bewijs dienden/dienen te leveren. Maar zoals hierboven reeds vastgesteld, falen zij op dit punt onverbiddelijk in de op hen rustende bewijslast.

De rechtbank herhaalt dat de uitbating van het restaurant “G.” te 9070 Destelbergen, (…), althans vanuit stedenbouwkundig oogpunt volkomen reglementair is, minstens is het tegendeel niet naar behoren aangetoond (zie hoger). Hieruit volgt dat de (resterende) eisers de gewone geluids-, geur- en verkeersoverlast die deze (vooralsnog volkomen legale) uitbating meebrengt voor de buurt, noodgedwongen dienen te ondergaan - net als om het even welke andere vorm van (normale) hinder uit nabuurschap waartoe het samenleven op een relatief beperkte oppervlakte a.h.w. automatisch aanleiding geeft. Zolang de tweede verweerders daarbij geen wetten, decreten of reglementen overtreden - wat tot nader order dus niet bewezen is (zie hoger) - hebben de (resterende) eisers, als gehinderde buurtbewoners, hiertegen geen enkel verhaal.

Van abnormale burenhinder is hier dus in werkelijkheid geen sprake, minstens ontbreekt daarvan ieder bewijs. Ook in zoverre de vordering van de (resterende) eisers gesteund is op (beweerde) abnormale burenhinder, is deze vordering bijgevolg ongegrond.

4. Bij gebreke van (bewezen) fout in hoofde van de verweerders én van (bewezen) abnormale burenhinder uitgaande van de verweerders, is de huidige vordering van de (resterende) eisers (behalve mevrouw S.D.) tot het bekomen van een (integrale dan wel passende) schadevergoeding in ieder geval ongegrond.

Bij gebreke van (bewezen) abnormale burenhinder uitgaande van de verweerders, is ook de vordering van mevrouw S.D., die er (nog steeds) enkel toe strekt om de verweerders te horen veroordelen tot staking van deze (onbestaande, minstens onbewezen) abnormale burenhinder (onder verbeurte van een dwangsom), eveneens ongegrond.

Volgens de termen van het motiverende gedeelte van hun laatste conclusie, neergelegd ter griffie op 27 december 2013, vorderen de (resterende) eisers (behalve mevrouw S.D.) óók “niet het volledige verbod van de activiteit waardoor de hinder op basis van artikel 544 BW wordt veroorzaakt doch wel dat deze activiteit zou worden uitgeoefend in overeenstemming met de geldende voorwaarden (restaurantfunctie beperkt tot 50% EN geen gebruik van de rest van de verkaveling als parkeerplaats EN maximale inzet van de verweerders om alle andere hinder te beperken)” (sic).

Samen met de eerste verweerders stelt de rechtbank vast dat dit onderdeel van de vordering van de (resterende) eisers (behalve mevrouw S.D.) niet werd herhaald in het dispositief van diezelfde conclusie. Anders dan de eerste verweerders lijken te veronderstellen, maakt echter ook het motiverende gedeelte van een conclusie daar integrerend deel van uit, zodat de rechtbank óók rekening moet houden met wat (enkel) in dit motiverende gedeelte wordt gevorderd.

Echter, bij gebreke van (bewezen) fout én van (bewezen) abnormale burenhinder, is ook dit onderdeel van de vordering van de (resterende) eisers (behalve mevrouw S.D.) volledig ongegrond.

Zo waren en zijn de verweerders alvast niet verplicht om de betrokken villa slechts voor maximaal 50% aan te wenden als restaurant (zie hoger). Dat de verweerders “de rest van de verkaveling” zélf zouden gebruiken als parkeerplaats, kan uit niets worden afgeleid. Dit is ook weinig waarschijnlijk: kennelijk viseert men hier het cliënteel van het restaurant. Deze klanten zijn echter géén ondergeschikten van de verweerders: de verweerders hebben aan deze personen niets te zeggen. Indien het gedrag van deze derden hen stoort, zullen de (resterende) eisers zich tot de betrokkenen zelf kunnen/moeten wenden .

Tot slot hebben de (resterende) eisers ook géén (afdwingbaar) subjectief recht om de verweerders te verplichten tot een “maximale inzet om alle andere hinder te beperken” (sic). Los van de weinig precieze en veel te algemene omschrijving van deze aanspraak, bestaat hiervoor hoe dan ook geen enkele rechtsgrond nóch wettelijk, nóch contractueel. Het verdient weliswaar aanbeveling dat de verweerders, in het kader van het goede nabuurschap, alle redelijke maatregelen zouden nemen om de (onvermijdelijke) hinder afkomstig van de uitbating van het restaurant “G.” tot een minimum te beperken. Maar het gaat hier hoogstens om een morele verplichting, in het bijzonder van de tweede verweerders, die louter teruggaat op fatsoensnormen. De (resterende) eisers kunnen een dergelijk gedrag onmogelijk in rechte afdwingen van de verweerders.

De vordering van de (resterende) eisers, met inbegrip van mevrouw S.D., is en blijft derhalve (integraal) ongegrond.

(…)

OP DEZE GRONDEN,

DE RECHTBANK,

RECHTDOENDE OP TEGENSPRAAK,

Met inachtneming van de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verleent de heer A.A., de heer R.A. en de heer F.A. akte van hun hervatting van het geding voor wijlen de heer G.A., oorspronkelijke verweerder, overleden te Gent op 7 maart 2013.

Verleent aan de heer E.S., mevrouw F.M. en mevrouw J.B., aan de heer M.V.D.S. en aan mevrouw L.P., ieder voor zich, akte van hun (stilzwijgende) afstand van het geding dat (mede) door hen werd ingeleid bij dagvaarding betekend aan de heer L.D., mevrouw C.T. en de heer G.A. op 27 januari 2012.

Verklaart de vordering van de heer J.E., mevrouw R.T., mevrouw V.S., mevrouw L.D.V., de heer R.D.W., mevrouw M.E., de heer M.B. en mevrouw A.D.H., zowel tegen de heer L.D. en mevrouw C.T., enerzijds, als tegen de heer A.A., de heer R.A. en de heer F.A., anderzijds, ontvankelijk en toelaatbaar maar ongegrond.

Veroordeelt mevrouw L.P., mevrouw V.S., mevrouw L.D.V., de heer J.E., mevrouw R.T., de heer E.B., mevrouw F.M., mevrouw J.B., de heer R.D.W., mevrouw M.E., mevrouw S.D., de heer M.V.D.S., de heer M.B. en mevrouw A.D.H. (samen) tot de hierna volgende gerechtskosten:

aan de zijde van mevrouw L.P., mevrouw V.S., mevrouw L.D.V., de heer J.E., mevrouw R.T., de heer E.B., mevrouw F.M., mevrouw J.B., de heer R.D.W., mevrouw M.E., mevrouw S.D., de heer M.V.D.S., de heer M.B. en mevrouw A.D.H. (samen) zélf:
• dagvaarding en rolrecht: 200,38 EUR
Veroordeelt de heer J.E., mevrouw R.T., mevrouw V.S., mevrouw L.D.V., de heer R.D.W., mevrouw M.E., de heer M.B. en mevrouw A.D.H. (samen) tot de hierna volgende gerechtskosten: • aan de zijde van de heer L.D. en mevrouw C.T. (samen): rechtsplegingsvergoeding: 1.320 EUR; • aan de zijde van de heer A.A., de heer R.A. en de heer F.A. (samen): rechtsplegingsvergoeding: 1.320 EUR.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 11/07/2017 - 10:04
Laatst aangepast op: di, 11/07/2017 - 10:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.