-A +A

Fraus omnia corrumpit is als algemeen rechtsbeginsel niet van toepassing op de strafvordering.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
woe, 18/12/2013
A.R.: 
S.14.0097.F

Het algemeen rechtsbeginsel Fraus omnia corrumpit is niet van toepassing op de strafvordering.

Het middel voert de miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel Fraus omnia corrumpit, op grond dat het arrest bedrieglijk stelt dat poliomyelitis ongeneeslijk is.

Dat beginsel is evenwel niet toepasselijk op de strafvordering.
 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat

Nr. P.13.0708.F

1. J. D.,

2. N. C.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, correctionele kamer, van 25 maart 2013.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft op 16 oktober 2013 een conclusie neergelegd op de griffie.

Op de rechtszitting van 23 oktober 2013 heeft raadsheer Benoît Dejemeppe verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

Op 6 november 2013 hebben de eisers op de griffie een antwoordnota neergelegd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Het middel verwijt het arrest dat het, op grond van het zuiver dilatoire karakter ervan, de conclusie weert die de eisers in antwoord op de conclusie van het openbaar ministerie hebben ingediend en die zowel aan de procureur-generaal is meegedeeld als voor het hof van beroep is neergelegd, de ochtend zelf van de rechtszitting waarnaar de zaak was verdaagd.

Behoudens het misbruik dat ervan wordt gemaakt, is het recht om op de conclusie van de tegenpartij te antwoorden een noodzakelijke voorwaarde voor de eerlijke behandeling van de zaak. Dat recht vloeit voort uit het beginsel dat niemand mag worden veroordeeld of dat niemands vordering mag worden afgewezen op grond van gegevens die de betrokkene niet heeft kunnen tegenspreken.

In hun conclusie in hoger beroep hebben de eisers in substantie aangevoerd dat het moreel bestanddeel van de telastlegging niet bewezen was, vermits ze bereid waren tot vaccinatie over te gaan voor zover het bewijs van de onschadelijkheid van het vaccin wordt aangetoond. Zij voeren voorts aan dat de verplichting tot inenting, bepaald bij artikel 1, van het koninklijk besluit van 26 oktober 1966 waarbij de inenting tegen poliomyelitis verplicht gesteld wordt, in strijd was met artikel 8 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, dat bepaalt dat geen enkele medische handeling kan worden gesteld zonder toestemming van de patiënt. Ze hebben vervolgens aangevoerd dat die inenting de belangen diende van de farmaceutische industrie, dat ze tegen de belangen van het kind inging en de therapeutische vrijheid en de fysieke integriteit schond. Volgens de eisers stond die verplichting daarenboven niet in verhouding tot de bescherming van de gezondheid, tastte ze het privé- en gezinsleven aan en was ze niet in overeenstemming met de artikelen 9, 114 en 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie inzake de bescherming van de volksgezondheid.

Om de eisers schuldig te verklaren oordeelt het arrest als volgt :

- artikel 1 van de Gezondheidswet van 1 september 1945 heeft de Koning gemachtigd om maatregelen van voorbehoeding voor te schrijven,

- het koninklijk besluit van 26 oktober 1966 waarbij de inenting tegen poliomyelitis verplicht gesteld wordt, is regelmatig genomen ter uitvoering van de bovenvermelde wet,

- het recht van de patiënt om vrij toe te stemmen in iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar, dat is vastgelegd in de wet van 22 augustus 2002, doet geen afbreuk aan de verplichting tot inenting, vermits die gegrond is op overwegingen tot bescherming van de volksgezondheid, die tot de openbare orde behoort,

- in strijd met wat de eisers hebben aangevoerd is de verplichte inenting niet ingegeven door de bevordering van de belangen van de industrie,

- de risico's die met de vaccinatie gepaard gaan en waarop de eisers de nadruk leggen, zijn niet aangetoond,

- de verplichting tot inenting staat in verhouding tot een legitiem doel en schendt de door de eisers aangevoerde internationale verdragen niet.

Geen van die redenen veroordeelt de eisers op grond van gegevens die ze niet hebben kunnen tegenspreken, aangezien elk van die redenen slechts de weerlegging is van de verweermiddelen die in hoger beroep zijn aangevoerd.

Aangezien het hof van beroep geantwoord heeft op de middelen die aldaar zijn aangevoerd en dus gedaan heeft wat het had moeten doen als het de als laattijdig aangemerkte conclusie niet had geweerd, blijkt niet dat het recht van verdediging daardoor zou zijn belemmerd.

Daaruit volgt dat het middel, hoewel gegrond, niet tot cassatie kan leiden en niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang.

(...)

Derde middel

Het middel voert de miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel Fraus omnia corrumpit, op grond dat het arrest bedrieglijk stelt dat poliomyelitis ongeneeslijk is.

Dat beginsel is evenwel niet toepasselijk op de strafvordering.

Het middel faalt naar recht.

Vierde middel

Het middel voert aan dat de verplichting tot inenting, zoals bepaald in artikel 1 van het koninklijk besluit van 26 oktober 1966 waarbij de inenting tegen poliomyelitis verplicht gesteld wordt, onwettig is. Volgens de eisers is die bepaling niet in overeenstemming met artikel 1 van de Gezondheidswet van 1 september 1945, enerzijds, of met het recht van de patiënt om geïnformeerd, voorafgaandelijk en vrij toe te stemmen in iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar, gewaarborgd door artikel 8 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, anderzijds. Ze leiden daaruit af dat het hof van beroep, op grond van artikel 159 Grondwet, de toepassing van dat koninklijk besluit had moeten weigeren.

Artikel 1 van de Gezondheidswet van 1 september 1945 bepaalt dat de Koning ertoe gemachtigd is om, bij wege van algemene reglementen en na advies van de Hoge Gezondheidsraad, de nodige maatregelen van voorbehoeding en assainering, alsook alle inrichting- en controlemaatregelen voor te schrijven, met name om de besmettelijke ziekten te voorkomen of te bestrijden, welke een algemeen gevaar opleveren en waarvan een lijst zal opgemaakt worden, op het eensluidend advies van de hoge gezondheidsraad.

Het koninklijk besluit van 26 oktober 1966 waarbij de inenting tegen poliomyelitis verplicht gesteld wordt, werd, na eensluidend advies van de voormelde raad, ter uitvoering van die wet genomen.

In strijd met wat het middel aanvoert, kan uit de omstandigheid dat artikel 1 van de Gezondheidswet niet uitdrukkelijk slaat op het bijzonder geval van "verplichte inenting", niet worden afgeleid dat de inenting tegen poliomyelitis die door de Koning bij algemeen reglement verplicht is gesteld, niet als een voorbehoedende maatregel in de zin van die wet kan worden beschouwd.

Artikel 8, § 1, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, bepaalt dat de patiënt het recht heeft om geïnformeerd, voorafgaandelijk en vrij toe te stemmen in iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar.

Die bepaling beschermt de rechten van de patiënt in zijn specifieke relatie met de beroepsbeoefenaar.

Ze heeft niet hetzelfde voorwerp als artikel 1 van de Gezondheidswet dat, om een besmettelijke ziekte die een algemeen gevaar oplevert, te voorkomen of te bestrijden, de mogelijkheid bepaalt een behandeling op te leggen die gegrond is op de vereisten van de bescherming van de volksgezondheid, die tot de openbare orde behoort.

Daaruit volgt dat artikel 1 van het ter uitvoering van de Gezondheidswet genomen koninklijk besluit, artikel 8, § 1, van de wet van 22 augustus 2002 bijgevolg niet kan tegenspreken.

Het middel faalt naar recht.

Vijfde middel

Het middel voert aan dat er twijfel blijft bestaan over de draagwijdte van de incriminatie waarvan de appelrechters toepassing hebben gemaakt, aangezien de verplichting tot inenting niet vermeld werd in de Gezondheidswet van 1 september 1945, die de Koning ertoe machtigde de daarin bepaalde maatregelen vast te stellen. De eisers leiden daaruit af dat het hof van beroep hen van de telastlegging had moeten vrijspreken.

De restrictieve uitlegging van een strafwet is alleen gegrond als de rechter twijfelt over de draagwijdte ervan. Als hij niet twijfelt, moet hij ervoor zorgen dat de wet volledige uitwerking heeft.

Uit het arrest blijkt dat de appelrechters geen twijfels hadden over de wettigheid van het koninklijk besluit van 26 oktober 1966, dat de voorwaarden bepaalt voor de strafbaarstelling van de feiten die de eisers ten laste zijn gelegd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Zesde middel

Het middel, dat de schending aanvoert van de artikelen 22bis Grondwet, 3 en 8 EVRM en 12 Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, voert aan dat het arrest, door de eisers schuldig te verklaren aan het feit dat zij niet aan de verplichting tot inenting hebben voldaan, het recht op integriteit en privé-leven schendt.

Enerzijds oordelen de appelrechters, op grond van het verslag van de Hoge Gezondheidsraad, dat de maatregel van verplichte inenting tegen poliomyelitis in het belang van de volksgezondheid was genomen, om de verspreiding van een uiterst besmettelijke ziekte te voorkomen die zware onomkeerbare verlammingen kan veroorzaken en om mee te werken aan de uitroeiing ervan op wereldvlak. Ze wijzen voorts erop dat de risico's die gepaard gaan met die inenting, zoals ze sinds 2001 wordt verricht, beperkt lijken en dat de risico's op ernstig gevaar wegens de giftige stoffen in het vaccin, waarop de eisers de nadruk leggen, ofwel door hen eenvoudigweg worden aangevoerd ofwel door auteurs onvoldoende worden gestaafd en door het advies van de Hoge Gezondheidsraad worden tegengesproken. Ten slotte vermeldt het hof van beroep dat, hoewel elke medische interventie een risico inhoudt, die omstandigheid onmogelijk, zowel ten opzichte van het individu als ten opzichte van de gemeenschap, een doorslaggevende reden kan zijn om een inenting te weigeren, in vergelijking tot de onmiskenbare algemene en individuele bescherming die dat vaccin biedt.

Het middel, dat kritiek uitoefent op de feitelijke beoordeling door de appelrechters of waarvan de beoordeling een onderzoek van feitelijke gegevens vereist, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is in zoverre niet ontvankelijk.

Met die overwegingen geeft het arrest te kennen dat de bepalingen die de inenting tegen poliomyelitis verplicht stellen, enigszins afbreuk doen aan de beginselen van onschendbaarheid en integriteit van het menselijk lichaam en alleen worden aangewend tot bescherming van de gezondheid en in verhouding staan tot hun doel.

Het hof van beroep schendt de artikelen 22bis, eerste lid, Grondwet, 3 EVRM en 12 van het voormelde Internationaal Verdrag dus niet.

Anderzijds is het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven, bepaald in artikel 8.1 EVRM, geen absoluut recht. Ook al dient artikel 8.2 strikt te worden geïnterpreteerd, daaruit blijkt niettemin dat de overheid beperkingen kan stellen aan de uitoefening van dat recht, voor zover die inmenging bij wet is bepaald en een maatregel is die in een democratische samenleving noodzakelijk is om met name de bescherming van de gezondheid te vrijwaren.

Het arrest vermeldt dienaangaande dat de verplichting waarvoor de eisers zich moeten verantwoorden, bij wet is ingesteld, dat ze op evenredige wijze aan een legitieme doelstelling van bescherming van de volksgezondheid beantwoordt en bijgevolg niet als een willekeurige inmenging in het privéleven van het kind kan worden beschouwd.

Het arrest schendt bijgevolg het in artikel 8 vastgelegde recht niet door te beslissen dat de verplichting tot inenting tegen poliomyelitis een inperking is die door paragraaf twee is toegestaan.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Zevende middel

De eisers verwijten de appelrechters dat ze, ter verantwoording van de verplichting tot inenting tegen poliomyelitis in naam van de bescherming van de volksgezondheid, gegevens in aanmerking hebben genomen waarover geen debat op tegenspraak is gevoerd en die ze uit persoonlijke kennis wisten.

Het arrest vermeldt twee citaten die het zegt ontleend te hebben aan de door de Wereldgezondheidsorganisatie op het internet geplaatste informatie of die de voormelde organisatie betreft. Die citaten hebben in hoofdzaak betrekking op het feit dat alleen preventie poliomyelitis kan uitroeien en dat het virus zich nog altijd kan verspreiden.

Met de voormelde, in antwoord op het zesde middel vermelde redenen, zet het arrest op gedetailleerde wijze de gegevens uiteen waarop de appelrechters hun beslissing hebben gegrond dat de aan de eisers ten laste gelegde feiten strafbaar zijn.

Gesteld dat de appelrechters met de bekritiseerde vermeldingen het beginsel van de tegenspraak zouden hebben miskend, dan nog blijft hun beslissing, door de vaststelling van die gegevens, vooralsnog naar recht verantwoord.

Het middel dat, ook al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, en in openbare terechtzitting van 18 december 2013
 

Noot: 

Cassatie 6 november 2007, Juridat

Samenvatting

Het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit verbiedt bedrog of oneerlijkheid aan te wenden om schade te berokkenen of winst te behalen.

Dit beginsel sluit uit dat de dader van een opzettelijk misdrijf, dat zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid in het gedrang brengt, aanspraak kan maken
op een vermindering van de aan de getroffene van dat misdrijf verschuldigde vergoedingen, wegens de onvoorzichtigheden of nalatigheden die deze zou
hebben begaan.

Daartoe is vereist dat de handeling werd gesteld met de bedoeling schade te berokkenen.

Wanneer het misdrijf witwassen een gemeenschappelijk fout is met het misdrijf oplichting dat schade berokkent aan de eigenaar van de witgewassen
gelden, pleegt de dader het feit met het oogmerk de gelden buiten het bereik van de eigenaar van de witgewassen gelden te houden.

Aldus pleegt de dader het misdrijf met de bedoeling te schaden.

Hieruit volgt dat de appelrechters niet bijzonder hoefden vast te stellen dat de eiser de bewezen verklaarde telastlegging gepleegd heeft met de bedoeling
schade te berokkenen.

Tekst arrest:

zie deze link

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 04/03/2018 - 14:16
Laatst aangepast op: zo, 04/03/2018 - 14:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.