-A +A

Franchising-precontractuele informatie-termijn-nietigheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 31/05/2010
A.R.: 
2010-AR-0385

De nietigheid van de commerciële samenwerkingsovereenkomst kan worden  ingeroepen binnen de termijn van 2 jaar na het sluiten van de overeenkomst. Vóór het verstrijken van deze termijn kan geen bevestiging van de nietigheid worden afgeleid uit de loutere uitvoering van de overeenkomst met kennis van zaken.Het inroepen va&n de nietigheid binnen deze termijn van 2 jaar volstaat om zich op de nietigheid te beroepen. Deze termijn van 2 jaar behelst niet dat de vordering binnen deze termijn dient ingesteld. Het inroepen van de nietigheid volstaat.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/8-9
Pagina: 
673
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(S.M. / Y.C. BVBA - Rolnr.: C.14.0188.N)

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 18 november 2013.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 3 juni 2015 een schriftelijke conclusie neergelegd.

(…)

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Krachtens artikel 5 van de wet van 19 december 2005 betreffende de precontractuele informatie bij commerciële samenwerkingsovereenkomsten, zoals hier van toepassing, kan de persoon die het recht verkrijgt, de nietigheid van de commerciële samenwerkingsovereenkomst inroepen binnen 2 jaar na het sluiten van de overeenkomst.

2. Uit deze bepaling volgt dat vóór het verstrijken van deze termijn geen bevestiging van de nietigheid kan worden afgeleid uit de loutere uitvoering van de overeenkomst met kennis van zaken.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

3. De appelrechters oordelen, na te hebben vastgesteld dat de eiser opwerpt dat de verweerster met kennis van zaken gedurende anderhalf jaar vrijwillig de overeenkomst heeft uitgevoerd, dat de eiser de wet van 19 december 2005 op een wel zeer eigenaardige wijze wil interpreteren, dat artikel 5 ervan duidelijk is: “in geval van niet-naleving van de bepalingen van artikel 3 - zoals in casu - heeft de beschermde persoon, met name de franchisenemer, de mogelijkheid om gedurende twee jaar na het sluiten van de overeenkomst de nietigheid ervan in te roepen” en dat aan meer voorwaarden hiertoe niet moet worden voldaan.

4. De appelrechters die aldus te kennen geven dat een uitvoering van de overeenkomst met kennis van zaken tijdens de in artikel 5 bepaalde termijn geen gevolgen heeft op de mogelijkheid om de nietigheid van de overeenkomst in te roepen, verwerpen en beantwoorden het in het middel bedoelde verweer.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Tweede middel
Tweede onderdeel
5. Voormeld artikel 5 van de wet van 19 december 2005 vereist enkel dat de nietigheid van de commerciële samenwerkingsovereenkomst wordt ingeroepen binnen de bepaalde termijn en niet dat binnen die termijn een vordering in nietigverklaring wordt ingesteld.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Eerste onderdeel
6. Het onderdeel dat aanvoert dat na de termijn van 2 jaar geen vordering in rechte meer kan worden ingesteld, gaat uit van de in het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde grief dat artikel 5 van de wet van 19 december 2005 vereist dat de vordering in rechte binnen die termijn wordt ingesteld.

Het onderdeel is afgeleid en mitsdien niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

(…)

C.14.0188.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. De franchiseovereenkomst tussen partijen werd door het bestreden arrest in toepassing van de wet van 19 december 2005 betreffende de precontractuele informatie bij commerciële samenwerkingsovereenkomsten nietig beoordeeld, en de opname van verweerster (tot vergoeding) werd bevolen in het gewoon passief van eiser qq.

2. Tegen deze beslissing worden twee middelen tot cassatie aangevoerd.

II. BESPREKING VAN DE MIDDELEN

1. Het eerste middel verwijt het bestreden arrest zijn beslissing m.b.t. de nietigheid van de overeenkomst - die door verweerster gedurende anderhalf jaar met kennis van zaken vrijwillig werd uitgevoerd, en die zij derhalve zou hebben bevestigd en waarin ze zou hebben berust - niet naar recht te verantwoorden.

1.2. De wet van 19 december 2005 betreffende de precontractuele informatie bij commerciële samenwerkingsovereenkomsten(1), die op 1 februari 2006 in werking trad, had tot doel de precontractuele fase bij de totstandkoming van franchisecontracten te regelen en legt de verlener van een in de wet omschreven recht een precontractuele informatieplicht op, met als sanctie de nietigheid van een beding of van de hele overeenkomst.

1.3. In geval van niet-naleving van één van de bepalingen van artikel 3 van de wet kan de persoon die het recht verkrijgt, de nietigheid van de commerciële samenwerkingsovereenkomst inroepen binnen twee jaar na het sluiten van de overeenkomst (art. 5, eerste lid).

1.4. Als dusdanig bevat dit eerste lid van artikel 5 een regel die technisch gezien een onweerlegbaar vermoeden inhoudt. Indien de verkrijger binnen de twee jaar de nietigheid niet inroept, wordt hieruit afgeleid dat hij de overeenkomst wil uitvoeren en dat de relatieve nietigheid dan ook gedekt is. Voor het verstrijken van de twee jaar geldt het gemene recht betreffende de relatieve nietigheid en is er geen dekking van de nietigheid mogelijk voor hetgeen partijen vrijwillig uitvoeren(2).

1.5. Omdat in artikel 5, tweede lid, in tegenstelling tot artikel 5, eerste lid, geen termijn is bepaald waarbinnen de relatieve nietigheid dient te worden ingeroepen, geldt in dat geval de gemeenrechtelijke tienjarige verjaringstermijn en kan deze nietigheid worden gedekt door vrijwillige uitvoering(3).

1.6. Dat de nietigheid van de franchiseovereenkomst op grond van artikel 5, eerste lid, van de wet niet kan worden gedekt, kwam ook reeds aan bod in de rechtspraak(4), waarbij de argumentatie van de franchisegever dat de nietigheidssanctie niet zou kunnen worden toegepast omdat de franchiseneemster de franchiseovereenkomst een tijdlang had uitgevoerd, werd afgewezen. Hierbij werd er vastgesteld dat een afstand van de vordering tot nietigverklaring niet wordt vermoed en nergens uit de feiten bleek.

1.7. In het verlengde van de hierboven vermelde rechtsleer en rechtspraak weze opgemerkt dat in de wet van 2 april 2014 houdende invoeging van boek x "Handelsagentuurovereenkomsten, commerciële samenwerkingsovereenkomsten en verkoopconcessies" in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan boek x in boek I van het Wetboek van economisch recht(5), een identieke bepaling in artikel X.30. is opgenomen die in de laatste alinea bepaalt dat de persoon die het recht verkrijgt, pas geldig afstand kan doen van het recht om de nietigheid van de overeenkomst of van één van de bepalingen ervan te vorderen, na het verstrijken van een termijn van een maand na het sluiten van deze overeenkomst. Deze afstand moet uitdrukkelijk de oorzaken vermelden waarom afstand wordt gedaan van de nietigheid.

1.8. Waar uit het gemeen recht, meer bepaald artikel 1338 Burgerlijk Wetboek, volgt dat de uitvoering van een verbintenis slechts met een bevestiging of een bekrachtiging gelijkstaat wanneer ze vrijwillig is, en die regel bij analogie toepasselijk is op de berusting(6), en krachtens het derde lid van dat artikel uit de bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige uitvoering van een verbintenis de afstand volgt van de middelen en excepties die tegen die akten kunnen worden ingeroepen(7), bevestigen de m.b.t. de wet(ten) van 19 december 2005 en 2 april 2014 voorziene eigen, specifieke (sanctie)regelingen m.i. dan ook dat een en ander derhalve uitsluit dat uit de enkele uitvoering binnen de bedoelde termijn van de overeenkomst, met kennis van de reden tot nietigheid, een bevestiging casu quo afstand kan worden afgeleid van het recht de nietigheid in te roepen.

1.9. Het eerste middel lijkt mij mitsdien te falen naar recht.
(...)

2. Het tweede middel berust op twee onderdelen. Het verwijt het bestreden arrest te oordelen dat verweerster zich na het verstrijken van de termijn van twee jaar, te rekenen vanaf het sluiten van de overeenkomst, nog steeds in rechte kan beroepen op de nietigheid van de franchiseovereenkomst, en aldus de bijzondere aard van het recht, ingesteld bij artikel 5 van de wet van 19 december 2005 te miskennen (eerste onderdeel), en voert tevens aan dat, in zoverre het oordeelt dat het volstaat dat verweerster de nietigheid van de overeenkomst formeel heeft ingeroepen in een aangetekend schrijven binnen de termijn van twee jaar, zonder dat vereist is dat de nietigheid ook bij monde van een handeling in rechte wordt ingeroepen, het zijn beslissing niet naar recht verantwoordt (tweede onderdeel).

2.1. Als één van de bepalingen van artikel 3 van de wet van 19 december 2005 niet in acht is genomen, kan de persoon die het recht heeft verkregen de nietigheid van de overeenkomst inroepen (art. 5, lid 1). De wet stelt ter zake geen vormvoorschriften voor het inroepen van de nietigheid. Het betreft een relatieve nietigheid, ter bescherming van de franchisenemer, die geacht wordt de economisch zwakkere partij te zijn(8). Inroepen is bovendien niet hetzelfde als een rechtsvordering instellen. Aldus volstaat het dat de concessienemer (in beginsel ook met alle middelen van recht te bewijzen) zich desbetreffend duidelijk uitspreekt ten overstaan van de wederpartij(9).

2.2. Op grond van de aldus inzake door de wetgever gebruikte terminologie, en zonder dat hiervoor enige andersluidende interpretatie in de voorbereidende werkzaamheden kan worden gevonden, staat het mij dan ook voor dat in voormelde context niet vereist is dat hiertoe binnen de bepaalde termijn een vordering in nietigverklaring wordt ingesteld.

2.3. Waar in zoverre het tweede middel, in zijn tweede onderdeel, eveneens lijkt te falen naar recht, komt het mij op grond hiervan dan ook voor dat het eerste onderdeel van dit middel als zodanig geen zelfstandige grief uitmaakt, maar is afgeleid uit de in het tweede onderdeel tevergeefs aangevoerde grief, en derhalve niet ontvankelijk is.

III. CONCLUSIE: Verwerping.
________________
(1) BS 18 januari 2006 en 13 februari 2006.
(2) D. MERTENS, De nieuwe wet precontractuele informatie doorgelicht, in D. MERTENS en G. STRAETMANS (eds), Actualia handelstussenpersonen, Intersentia 2006, 31, nr. 42.
(3) B. PONET, De wet betreffende de precontractuele informatie bij commerciële samenwerkingsovereenkomsten: zes jaar toepassing in de praktijk, RW 2012-2013, (162), 168 (nr. 12).
(4) Kh. Antwerpen 19 december 2011, RW 2012-2013, 190.
(5) BS 28 april 2014.
(6) Cass. 9 januari 1969, AC 1969, (453), 454.
(7) Cass. 19 mei 1994, AR C.93.0311.F, AC 1994, nr. 252.
(8) D. MERTENS, o.c., 30, nr. 40.
(9) P. VANHERPE, Alleenverkoopconcessie: een requiem?, in Recente ontwikkelingen en topics van het handelsrecht, Balie Kortrijk, Larcier, 2010, (51), 59-60.

Noot: 

• Revue de Droit Commercial Belge [R.D.C.] DU JARDIN, Laurent; Note 'Prescriptions et nullités en droit de la distribution' 2016, n° 4, p. 394-400.
• Rechtskundig Weekblad [RW] PEERAER, Frederik; Noot “De buitengerechtelijke vernietiging: erkend in het kader van de Wet Precontractuele Informatie, maar slechts hoogst uitzonderlijk relevant” 2016-17, nr. 18, p. 699-705.
• Revue Générale de Droit Civil Belge [RGDC] DUPONT, Marie; Note 'La déclaration de nullité unilatérale d'un accord de partenariat commercial reconnue par la Cour de cassation' 2017, n° 4, p. 242-252.
• Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] MERTENS, Dave; Noot 'De nietigheid onder de wet precontractuele informatie: streng of rechtvaardig?' 2016, nr. 8-9, p. 673-683.

• A. Hansebout, De wet en de precontractuele aansprakelijkheid, RABG, 2011/4,313

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 12/07/2017 - 15:48
Laatst aangepast op: wo, 12/07/2017 - 15:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.