-A +A

Fout geparkeerd en verkeersongeval

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 08/10/2012

Fout geparkeerd is een verkeersterm en niet te verwarren met verkeerd geparkeerd een term die gebruikt wordt voor en door mensen die houden van hun eigen soort.

Deze bijdrage beperkt zich tot "fout geparkeerd".

Cass. 25 maart 1997, Pas. 1997, I, 405, met conclusie van advocaat-generaal De Riemaecker

Het Hof van Cassatie nam aan dat wanneer een bestuurder ongeoorloofd op een voor plaatselijk verkeer bestemde weg rijdt, de rechter kan beslissen dat de door die bestuurder geleden schade enkel te wijten is aan de staat van de weg, indien uit de overwegingen in de beslissing blijkt dat de schade zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan ingeval de bestuurder op diezelfde plaats wettelijk geoorloofd had gereden (Cass. 19 november 1987, Arr.Cass. 1988, p. 350, nr. 167).

Zie ook: J.F. Marot, noot onder Rb. Bergen 4 maart 2008, T.Pol. 2009, 35.

Naar analogie:

Wanneer een bestuurder rijdt op een weg waar hij normaal niet mag rijden, bv. een weg voorbehouden voor het plaatselijk verkeer, begaat hij een fout. Wanneer zich op deze weg een ongeval voordoet, impliceert dit echter niet zijn automatische aansprakelijkheid voor het ongeval.

De vraag rijst dan naar de causaliteit tussen het zich bevinden op een weg die alleen opengesteld was voor plaatselijk verkeer, terwijl degene die er zich bevond die weg eigenlijk niet mocht gebruiken. Die vraag moet worden beoordeeld en beantwoord in het licht van de (wel toepasselijke) leer van het rechtmatig alternatief (T. Vansweevelt en B. Weyts, Handboek Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, nrs. 1239-1241): indien het schadegebeuren, aan de hand van dezelfde concrete feiten beoordeeld, zich ook zou hebben voorgedaan indien de betrokkene rechtmatig had gehandeld (m.a.w. wel een toegelaten, tot het plaatselijk verkeer behorend bestuurder was geweest), rijst de vraag naar de afwijzing van het causale verband tussen de fout en het ongeval.

De vraag die de rechter dient te stellen bij een ongeval waarbij een foutief geparkeerd voertuig betrokken is,  is de volgende: "zou elke andere bestuurder, op dezelfde wijze door het ongeval getroffen geweest zijn, zodat de rechtbank daaruit besluit dat er geen oorzakelijk verband is tussen de overtreding van de bestuurder en het ongeval (vgl. Cass. 19 november 1987, ).
 

Voor de toepassing van deze leer kan naar analogie verwezen worden naar de leer op de aanrijding van onregelmatig geparkeerde voertuigen zie:

– 

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2012-2013
Pagina: 
955
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BVBA W.F. en E.D. t/ BVBA A.E. en P. Van H.

De vordering strekt tot veroordeling van verweerders in solidum of van de ene bij gebreke aan de andere tot een schadevergoeding van 7.222,48 euro, met voorbehoud voor de btw, aan eerste eiseres en van 145,50 euro aan tweede eiseres, telkens vermeerderd met de interest.

Het geding vindt zijn oorsprong in een verkeersongeval in de Veldkruisstraat te Knesselare op 17 oktober 2010.

Eiseressen schrijven het ongeval toe aan een modderlaag waarmee het wegdek besmeurd lag ten gevolge van landbouwwerkzaamheden die tweede verweerder in opdracht van eerste verweerster uitvoerde.

Beide verweerders betwisten hun aansprakelijkheid en in subsidiaire orde vordert tweede verweerder bij tussenvordering in conclusie de veroordeling van eerste verweerster om hem tegen iedere mogelijke veroordeling ten voordele van eiseressen te vrijwaren.

Ten slotte is er ook een beperkte betwisting op het vlak van de gevorderde bedragen.

I. Feitelijke gegevens

De ongevalgegevens blijken uit een geseponeerde strafinformatie.

Het ongeval gebeurde in de Veldkruisstraat om 6 u 27 ’s morgens. De plaats van het ongeval ligt buiten de bebouwde kom. Het was nacht. De openbare verlichting brandde. Tweede eiseres was op weg naar haar werk. De Veldkruisstraat is een landelijke weg met aan het begin een bord C3 met onderbord “uitgezonderd plaatselijk verkeer”. Er was de hele nacht maïs afgereden en de weg lag besmeurd met modder.

Toen de verbalisanten ter plaatse kwamen stelden zij vast dat het wegdek besmeurd was met modder afkomstig van loonwerken. De modder lag over de weg verspreid over een lengte van ongeveer 350 m met een gemiddelde dikte van 5 cm, maar op bepaalde plaatsen gaande tot een dikte van 20 cm.

De brandweer van Maldegem werd ter plaatse geroepen om de modderlaag te verwijderen, maar achtte de modderlaag te dik. Er werd een beroep gedaan op de technische dienst van de gemeente.

In de strafinformatie verklaart tweede eiseres dat zij naar haar werk reed. Ze reed ongeveer 50 km per uur en kwam op een bepaald moment in de modder terecht: “er was geen onderscheid meer tussen de openbare weg en de velden”. Het voertuig begon te schuiven en kwam in de gracht terecht.

Tweede eiseres reed het bord “uitgezonderd plaatselijk verkeer” voorbij omdat de Veldkruisstraat de kortste weg is naar haar werk.

Een omwonende verklaart dat het loonwerkbedrijf Van H. minstens van middernacht tot 2 u maïs had gehakseld op het veld en dat de bijzonder dikke modderlaag afkomstig was van het oogsten van de maïs.

E.M., aangestelde van Van H., bevestigt dat hij maïs had afgereden tot 3 u 30 in de nacht. Volgens zijn verklaring was er afgesproken dat de opdrachtgever de rijbaan zou proper maken.

Van H. (tweede verweerder) verklaart dat hij werkte in opdracht van A.E., eerste verweerster. E.V. (A.-E.) volgde hen van veld naar veld met een bobcat om de weg te reinigen. Dat was zo afgesproken en V. deed dat al de hele dag.

De maïs op het veld in de Veldkruisstraat werd afgereden met een hakselaar van het bedrijf van Van H. en door zijn werknemer E.M. Met tractoren en maïskarren van het bedrijf van Van H. werd de gehakselde maïs naar het bedrijf van A.-E. in Zomergem gevoerd.

E.V. ten slotte bevestigt dat Van H. de werken voor hen uitvoerde, maar verklaart dat er geen afspraken werden gemaakt over wie na de loonwerken de baan reinigde. Hij zegt verder dat hij niet overal tegelijk kan zijn en dat het onbegonnen werk is de modder weg te ruimen terwijl de loonwerken nog bezig zijn, maar dat hij net toekwam met een bobcat om de baan te reinigen. Hij merkt op dat het voertuig van eiseressen geen remspoor naliet en dat de modder op de plaats van het ongeval niet zo dik lag.

II. Beoordeling

A. De aquiliaanse fout van verweerders

1. Het staat vast dat de modderlaag afkomstig is van de werken op de akker van eerste verweerster.

2. Het achterlaten van aarde op de rijbaan door aarde die van de wielen van een voertuig valt, valt wel degelijk onder art. 7.3 (voorheen art. 7.1) Wegverkeersreglement (Pol. Brugge 19 december 2008, T.Pol. 2009, 166; Pol. Gent 25 september 1996, TAVW 1998, 279).

De modderlaag bevond zich duidelijk over een niet onaanzienlijke afstand op de rijbaan en werd dus door het voertuig rijdend (tijdens het vervoer van de maïs naar het bedrijf) op de rijbaan achtergelaten. Het gaat derhalve om door een weggebruiker achtergelaten aarde, zodat ook in dat opzicht art. 7.3 Wegverkeersreglement van toepassing is.

3. Ten aanzien van landbouwers en loonwerkers kan in beperkte mate begrip worden opgebracht voor kluiten aarde die op de weg vallen, maar die beoordeling in redelijkheid van hun verplichting de weg proper te houden betekent niet dat aanvaard kan worden dat sterk bevuilende modderresten op de openbare weg blijven liggen (Pol. Brugge 19 december 2008, T.Pol. 2009, 166). Daar in casu een dergelijke hoeveelheid aarde werd achtergelaten dat de weg over een hele afstand over zijn volledige breedte werd bedekt onder een modderbrij, staat een overtreding van art. 7.3 Wegverkeersreglement duidelijk vast.

4. De toepassing van art. 7.3 Wegverkeersreglement vereist niet dat de aansprakelijke persoon zelf persoonlijk de stoffen of voorwerpen (in casu de aarde) liet vallen. Het volstaat dat hij hetzij gezag uitoefende hetzij de onmiddellijke leiding had over de werken hetzij de taak op zich had genomen de openbare weg proper te maken (Gent 5 januari 2000, RGAR 2001, nr. 13.400; Pol. Brugge 19 december 2008, T.Pol. 2009, 166).

Aangezien de heer V. namens eerste verweerster in de strafinformatie verklaart dat hij met zijn bobcat aankwam om de baan proper te maken, is laatstgenoemd element (dat hij de taak op zich had genomen de baan op te ruimen) bewezen.

5. De omstandigheid dat eerste verweerster mogelijk op zich had genomen de baan proper te maken, neemt de aansprakelijkheid op basis van zijn eigen fout van tweede verweerder ten aanzien van derden niet weg.

...

7. De fout van verweerders staat aldus als zodanig vast.

B. De eigen fout van tweede eiseres en het werkelijk verband

1. Zonder de aanzienlijke modderlaag hadden het ongeval en de schade zich niet voorgedaan zoals ze zich in concreto voordeden. Het is door de modderlaag dat het voertuig ging slippen.

2. De verbalisanten spreken van modder over de rijbaan over een afstand van ongeveer 350 meter. Het gaat dus om een – weliswaar over een grotere afstand – plaatselijke modderlaag. Dit komt ook tot uiting in de verklaring van de bestuurster De C. (tweede eiseres), die zegt dat zij “op een gegeven ogenblik” in de modder terechtkwam.

Opdat de modderlaag voorzienbaar zou zijn moet zij waarneembaar zijn op een afstand en in een tijdsspanne die het mogelijk maken dat de bestuurder bij het zien van de modderlaag nuttig kan reageren zonder gevaar voor zichzelf of voor derden (Antwerpen 12 maart 1998, TAVW 1999, 33).

Een modderlaag valt vanop afstand veel minder op dan een voorwerp dat op de weg ligt en zich bovenop de weg aftekent. Het ongeval gebeurde midden oktober om 6 u 27 ’s morgens. Het was nacht. In weerwil van de openbare verlichting is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen dat de modderlaag tijdig waarneembaar was om voorzienbaar te zijn.

Niets bewijst een onaangepaste snelheid van tweede eiseres. De toegelaten snelheid was 90 km per uur en de modderlaag was plaatselijk.

Dat het voertuig geen remspoor naliet, is verkeerstechnisch gewoon het gevolg van de modderlaag.

Door de modderlaag ging de controle over het voertuig verloren.

Noch een overtreding van art. 10-1.1o en/of 3o Wegverkeersreglement noch een overtreding van art. 8.3., tweede lid Wegverkeersreglement zijn ten laste van tweede eiseres bewezen.

3. Het is correct dat tweede eiseres op een weg reed waar alleen plaatselijk verkeer toegelaten was en dat zij niet tot dat plaatselijk verkeer behoorde.

Voor het goede begrip herhaalt de rechtbank dat de bestuurster De C. plots geconfronteerd werd met een plaatselijke modderbrij en daarin terechtkwam. Het is dus niet zo dat de bestuurster een risico nam door zich in een (door haar gekende) gevaarlijke situatie te begeven. De rechtspraak die op een dergelijke hypothese betrekking heeft, is in onderhavige zaak niet van toepassing.

Te dezen rijst de vraag naar de causaliteit tussen het zich bevinden op een weg die alleen opengesteld was voor plaatselijk verkeer, terwijl degene die er zich bevond die weg eigenlijk niet mocht gebruiken. Die vraag moet worden beoordeeld en beantwoord in het licht van de (wel toepasselijke) leer van het rechtmatig alternatief (T. Vansweevelt en B. Weyts, Handboek Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, nrs. 1239-1241): indien het schadegebeuren, aan de hand van dezelfde concrete feiten beoordeeld, zich ook zou hebben voorgedaan indien de betrokkene rechtmatig had gehandeld (m.a.w. wel een toegelaten, tot het plaatselijk verkeer behorend bestuurder was geweest), rijst de vraag naar de afwijzing van het causale verband tussen de fout en het ongeval.

De rechtbank verwijst m.b.t. de toepassing van deze leer op de aanrijding van onregelmatig geparkeerde voertuigen naar:

– Cass. 25 maart 1997, Pas. 1997, I, 405, met conclusie van advocaat-generaal De Riemaecker, Arr.Cass. 1997, p. 399, nr. 161;

– J.F. Marot, noot onder Rb. Bergen 4 maart 2008, T.Pol. 2009, 35.

Het Hof van Cassatie nam aan dat wanneer een bestuurder ongeoorloofd op een voor plaatselijk verkeer bestemde weg rijdt, de rechter kan beslissen dat de door die bestuurder geleden schade enkel te wijten is aan de staat van de weg, indien uit de overwegingen in de beslissing blijkt dat de schade zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan ingeval de bestuurder op diezelfde plaats wettelijk geoorloofd had gereden (Cass. 19 november 1987, Arr.Cass. 1988, p. 350, nr. 167).

De rechtbank volgt deze uitspraak van het Hof van Cassatie en maakt ze in concreto tot de hare. De bestuurster De C., tweede eiseres, werd ’s nachts verrast door een niet tijdig waarneembare verraderlijke modderlaag. Uit de strafinformatie blijkt dat de werkzaamheden waardoor de modderlaag werd veroorzaakt in dezelfde nacht als degene waarin het ongeval gebeurde, werden uitgevoerd. Gelet op het geheel van die omstandigheden (de onvoorzienbaarheid en het recente ontstaan van de gevaarstoestand) zou elke andere bestuurder, zelfs degene die met de plaats van het ongeval vertrouwd is, die wel een toegelaten bestuurder was (en dat zijn niet alleen aangelanden, maar ook geneesheren, dierenartsen, enz.) op dezelfde wijze door het ongeval getroffen geweest zijn, zodat de rechtbank daaruit besluit dat er geen oorzakelijk verband is tussen de overtreding van de bestuurster De C. (tweede eiseres) en het ongeval (vgl. Cass. 19 november 1987, hierboven vermeld).

...

D. De gevorderde bedragen

1. Aan eerste eiseres kan worden toegekend:

– voertuigschade: niet betwist:6.300,00 euro

– depannage (netto gevorderd),

niet betwist:487,48 euro

– btw: voorbehoud zoals gevorderd

en niet betwist:voorbehoud

– wachttijd: alleen betwist door eerste verweerster

Bij totaal verlies loopt de wachttijd van de dag van het ongeval tot de dag waarop de benadeelde in kennis wordt gesteld van het totaal verlies en van de waarde van het vernielde voertuig, d.w.z. van het bedrag van de te verwachten schadeloosstelling. Tot dan mag de benadeelde wachten om een beslissing te nemen over de vervanging van het vernielde voertuig (Brussel 2 juni 1999, JT 1999, 748; Cass. 23 februari 2000, RW 2002-03, 1137; Corr. Namur 27 februari 2007, T.Pol. 2009, 97; A. Van Oevelen, G. Jocqué, Ch. Persyn en B. De Temmerman, “Overzicht van rechtspraak: onrechtmatige daad – schade en schadeloosstelling”, TPR 2007, p. 933, nr. 103.2.b).

Er wordt slechts wachttijd gevorderd tot de datum van de eerste expertise (19 oktober 2010): 3 dagen x 20,00 euro per dag = 60,00 euro

– mutatieduur: alleen betwist door tweede verweerder

De rechtbank stelt vast dat namens eerste eiseres het expertiseverslag dat een mutatieduur van zes dagen bepaald ondertekend werd, hetgeen eerste eiseres bindt

6 dagen x 20,00 euro per dag = 120,00 euro

– administratiekosten:

de rechtbank kent toe: 75,00 euro

Totaal: 7.042,78 euro

2. Aan tweede eiseres kan worden toegekend:

– morele schade,

niet betwist:

4 dagen x 25,00 euro per dag = 100,00 euro

– economische huishoudschade: alleen betwist door tweede verweerder

Uit het medisch attest blijkt dat tweede eiseres zwanger was. De pijnlijke linkerknie zal in die omstandigheden een bijkomende hinder hebben opgeleverd in de huishouding. Een forfaitaire vergoeding ex aequo et bono is passend: 30,00 euro

Totaal: 130,00 euro

...
 

Noot: 

police_belgium

"Ja kweet het fout geparkeerd maar alle andere parkeerplaatsen waren vol bron": 
http://verryfunny.skynetblogs.be

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 03/02/2013 - 15:30
Laatst aangepast op: zo, 03/02/2013 - 15:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.