-A +A

forum of bevoegdheidsbeding kan afgeleid worden uit een handelsrechtelijk gebruik

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Hasselt
Datum van de uitspraak: 
woe, 22/10/2008
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
933
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BVBA M.B.-B. in vereffening t/ Vennootschap naar Luxemburgs recht S.A.R.L. M.C.

...

In feite

De eis heeft betrekking op niet-geprotesteerde facturen voor verkopen door een Belgische verkoper aan een Luxemburgse koper. De factuurvoorwaarden bepalen dat de rechtbanken van de maatschappelijke zetel van de Belgische verkoper bevoegd zijn. Eiseres beroept zich op art. 23, 1, b, EEX-Verordening, omdat er tussen partijen onafgebroken handelsrelaties onder het regime van die algemene voorwaarden waren van 22 december 2000 tot en met 31 december 2003, wat blijkt uit de tien facturen die aan verweerster werden gestuurd, maar ook uit drie betalingen die verweerster heeft verricht, nl. op 30 september 2002, en twee afkortingen op respectievelijk 21 november 2003 en 31 december 2003. Subsidiair beroept eiseres zich op art. 23, 1, c, EEX-Verordening. Zij voert aan dat voldaan is aan art. 23, 1, c, EEX-Verordening, omdat partijen hun maatschappelijke zetel in twee verschillende lidstaten hebben en hun relatie tot de internationale handel behoort. Zij heeft hiertoe contact genomen met zes internationale verdelers van ramen en deuren, vier uit België en twee uit Nederland, die enkel leveren aan professionele nationale of plaatselijke verdelers en schreef hen aan met de vraag hun algemene voorwaarden tussen distributeur en de afnemer toe te zenden. Al deze vennootschappen hadden in hun algemene voorwaarden een bevoegdheidsbeding opgenomen.

Beoordeling

a) Over de internationale rechtsmacht van de Belgische rechtbanken

Voorafgaand aan de vraag naar haar bevoegdheid dient de rechtbank na te gaan of zij internationale rechtsmacht heeft, rekening houdend met het onderwerp, de hoedanigheid van de partijen en de geografische plaats van de betwisting (zie: H. Born, M. Fallon en J.-L. Van Boxstael, Droit judiciaire international, Chronique de jurisprudence 1991-98, Brussel, Larcier, 2001, p. 54).

Deze vraag dient te worden beslecht op grond van de verordening (EG) 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 16 januari 2001, afl. L.12, 1), hierna de EEX-Vo genoemd.

Overeenkomstig art. 26.1 EEX-Vo dient de rechter zich onbevoegd te verklaren wanneer de verwerende partij met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat voor een gerecht van een andere lidstaat wordt opgeroepen en niet verschijnt, indien zijn bevoegdheid niet berust op de bepalingen van de verordening.

Krachtens de algemene bepaling van art. 2 EEX-Vo worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Zij kunnen slechts voor de rechtbanken van een andere lidstaat worden opgeroepen op één van de gronden vermeld in art. 5 tot en met 24 van de EEX-Vo.

Wanneer de partijen, van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van de geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van deze lidstaat bevoegd (art. 23.1, EEX-Vo).

Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst, hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden, hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.

Voor dit geschil is van belang dat het akkoord kan worden gesloten in een vorm, die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden. Dit betekent dat partijen onderworpen zijn aan forumbedingen, die voorkomen in hun algemene voorwaarden, waaraan ook hun vroegere transacties waren onderworpen. Indien partijen geregeld worden geconfronteerd met dezelfde voorwaarden, worden zij vermoed om – behoudens laakbare onzorgvuldigheid – kennis te hebben gekregen van het forumbeding dat in deze algemene voorwaarden is vervat. Indien zij hiertegen nooit hebben geprotesteerd, zijn zij verondersteld met het forumbeding te hebben ingestemd (H. Van Houtte, «Uitsluitende Bevoegdheidsgronden», in H. Van Houtte en M. Pertegás Sender, Europese I.P.R.-verdragen, Leuven, Acco, 1997, p. 55, randnr. 2.22). Deze regel is niet anders onder de EEX-Vo dan onder het EEX-verdrag.

Hier is slechts één andere transactie tussen partijen aangetoond dan die welke het voorwerp uitmaken van dit geschil en twee geringe bepalingen op gevorderde sommen, zodat het bevoegdheidsbeding in de algemene voorwaarden van de litigieuze facturen niet beantwoordt aan art. 23, 1, b, EEX-Vo.

Wel is de rechtbank van oordeel dat eiseres afdoende elementen bijgebracht heeft om te gewagen van een gewoonte in de zin van art. 23, 1, c, EEX-Vo, zodat het bevoegdheidsbeding de verweerster kan worden tegengeworpen.

b) Over de rechtsgeldigheid van de betekening van de dagvaarding

Verwerende partij werd bovendien gedagvaard overeenkomstig de Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken, hierna Betekening-Vo.

Met toepassing van art. 4 van de Betekening-Vo heeft gerechtsdeurwaarder O.V. op 26 mei 2008 twee afschriften van het exploot van dagvaarding met vertaling in het Frans, evenals een aanvraagformulier tot betekening, een formulier van ontvangstbevestiging, en een certificaat van betekening of niet-betekening, alle opgesteld in het Frans, aangetekend verzonden aan de «ontvangende instantie», zijnde meester L.L.T., gerechtsdeurwaarder te Luxembourg, met het verzoek om binnen zeven dagen de bij art. 6, eerste lid, van de Betekening-Vo. opgelegde ontvangstbevestiging te geven door het gebruik van het formulier van ontvangstbevestiging en om zo spoedig mogelijk over te gaan tot de betekening van één afschrift overeenkomstig het Luxemburgse recht en teruggave te doen van het tweede toegezonden afschrift, samen met het certificaat betreffende de voltooiing van deze handeling.

De dagvaarding werd bij exploot van gerechtsdeurwaarder G.C. te Luxembourg op 6 juni 2008 betekend aan verweerster op haar maatschappelijke zetel, waar de gerechtsdeurwaarder niemand heeft aangetroffen en waar hij een kopie van de akte heeft achtergelaten, terwijl hij bovendien een kopie van de akte bij gewone brief heeft gestuurd naar de maatschappelijke zetel van verweerster na het adres te hebben geverifieerd in het handelsregister, een en ander overeenkomstig het Luxemburgse recht. Dezelfde gerechtsdeurwaarder bevestigde dit in een certificaat van betekening, dat aan het origineel van de dagvaarding is gehecht.

De dagvaarding werd bijgevolg rechtsgeldig betekend.

De dagvaarding werd bovendien op een zodanig ogenblik betekend dat verweerster over voldoende tijd beschikte om haar verdediging te organiseren.

De eis kan worden toegelaten.

3) Over de grond van de zaak

De eis is bij gebrek aan verweer gegrond, zij het dat de interesten overdreven zijn en herleid worden tot de interestvoet van art. 5 Wet Betalingsachterstand, thans 11,5% overeenkomstig art. 1153 in fine B.W. (nu de Belgische wet de lex contractus is). Ook het schadebeding is overdreven en dient te worden herleid tot 3.500 euro overeenkomstig art. 1231 B.W. Op het schadebeding zijn slechts gerechtelijke interesten aan de gewone wettelijke interestvoet verschuldigd.

4) Over het verzoek tot waarmerking van het vonnis als Europese Executoriale Titel

De minister van Justitie heeft op 22 juni 2005 een omzendbrief (anders dan in de meeste lidstaten heeft België niet gekozen voor een invoeringswet) opgesteld betreffende de Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese Executoriale Titel voor niet-betwiste schuldvorderingen, hierna EET-Vo. Deze werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 28 oktober 2005. Daarin schrijft de minister dat het verzoek tot aflevering van de Europese Executoriale Titel – onder voorbehoud van de interpretatie van de hoven en de rechtbanken – geen rechtsprekende handeling als zodanig is en dient te worden ingediend bij de hoofdgriffier van de rechtsinstantie, die de beslissing of gerechtelijke schikking heeft genomen.

De rechtbank gaat niet akkoord met de interpretatie van de minister van Justitie. De hoofdgriffier moet nagaan of aan de voorwaarden voor waarmerking als Europese Executoriale Titel is voldaan en of de gerechtelijke procedure in de lidstaat van oorsprong aan de in hoofdstuk III van de Verordening vastgestelde minimumnormen voldeed, met name of de betekening aan de minimumnormen voldeed, de schuldenaar behoorlijk is ingelicht over de ter betwisting van de schuldvordering noodzakelijke proceshandelingen en of in het recht van oorsprong bepaald is dat men om heroverweging kan verzoeken indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Zo kan de rechtbank in een verstekprocedure tot de bevinding komen dat zij bevoegd is op basis van de EEX-Vo, zoals hier, en kan de hoofdgriffier achteraf, naar aanleiding van een tot hem gericht verzoek tot aflevering van een Europese Executoriale Titel, van oordeel zijn dat de beslissing strijdig is met de EEX-Vo. Men kan toch bezwaarlijk beweren dat de hoofdgriffier in dat geval geen rechtsprekende handeling stelt. Eiseres vraagt in die omstandigheden onterecht dat de hoofdgriffier het vonnis zou waarmerken als Europese Executoriale Titel.

De rechtbank beschouwt de vraag als gericht aan de rechtbank.

Een beslissing inzake een schuldvordering die onbetwist is in de zin van de EET-Vo kan alleen als Europese Executoriale Titel worden gewaarmerkt indien de gerechtelijke procedure in de lidstaat van oorsprong aan de in de hoofdstuk III van vastgestelde vormvoorschriften voldoet. De betekening voldoet aan art. 14.1, c en 14.3.a.

Volgens art. 17 EET-Vo moet de dagvaarding nochtans ook de volgende elementen duidelijk vermelden:

a) de vormvereisten voor betwisting van de vordering, met begrip van de termijn voor schriftelijke betwisting van de schuldvordering of, in voorkomend geval, het tijdstip van de terechtzitting, de naam en het adres van de instantie waaraan het antwoord moet worden gezonden of in voorkomend geval, waarvoor men ter terechtzitting moet verschijnen, en of het verplicht is zich door een advocaat te laten vertegenwoordigen;

b) de gevolgen van het ontbreken van verweer of van het niet verschijnen ter terechtzitting, in het bijzonder, in voorkomend geval, een mogelijke beslissing of de tenuitvoerlegging daarvan tegen de schuldenaar en een veroordeling in de proceskosten.

De dagvaarding voldoet hieraan niet. Zij vermeldt met name de vormvereisten niet voor de betwisting van de verordening, noch dat het verplicht is zich door een advocaat te laten vertegenwoordigen noch de gevolgen van het ontbreken van het verweer en/of het verplicht is zich door een advocaat te laten vertegenwoordigen.

Art. 19 van de EET-Vo bepaalt dat een beslissing enkel kan gewaarmerkt worden als Europese Executoriale Titel, indien de schuldenaar volgens het recht van oorsprong kan verzoeken om heroverweging van de beslissing indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan:

a) i) betekening of kennisgeving van het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, dan wel in voorkomend geval, van de dagvaarding of oproep voor een terechtzitting is geschied op een van de in art. 14 vermelde wijzen en

ii) betekening of kennisgeving buiten zijn schuld niet zo tijdig is geschied als met het oog op zijn verdediging nodig was,

of

b) de schuldenaar de vordering niet heeft kunnen betwisten wegens overmacht of wegens buitengewone omstandigheden buiten zijn wil,

mits de betrokkene in beide gevallen onverwijld handelt.

In de informatie medegedeeld door België aan Europa (na te gaan op de website van de Europese Gerechtelijke Atlas op het gebied van burgerlijke zaken) is door België vermeld dat het tegemoetkomt aan de bepalingen van art. 19.1 van de verordening door de procedure van verzet (ingevolge art. 1047 Ger. W.) en de procedure tot herroeping van het gewijsde.

Dit is onjuist. Wanneer de termijnen van betekening/ kennisgeving van het inleidend stuk zijn nageleefd, maar de betekening/kennisgeving buiten de schuld van de schuldenaar niet zo tijdig is geschied, als voor zijn verdediging nodig was of de schuldenaar de vordering niet heeft kunnen betwisten wegens overmacht of buitengewone omstandigheden buiten zijn wil, en de schuldenaar bij verstek is veroordeeld, heeft deze naar Belgisch recht niet de mogelijkheid – indien de termijnen waarbinnen het verzet diende te worden aangetekend, verstreken zijn – een nieuw rechtsmiddel aan te wenden. De procedure van herroeping van het gewijsde dient te voldoen aan de voorwaarden van art. 1133 Ger. W. en is in deze gevallen niet van toepassing.

Terecht zou kunnen worden opgeworpen dat de termijnen volgens cassatierechtspraak kunnen worden verlengd in geval van overmacht en volgens het Grondwettelijk Hof en de rechtspraak van de Raad van State ook in geval van onoverwinnelijke dwaling (hoewel in het burgerlijk procesrecht de rechtbank geen voorbeeld kent waarbij de verzettermijn wegens deze laatste reden is verlengd). Overmacht is nochtans eng te interpreteren en vereist een situatie buiten de wil van betrokkene, die deze omstandigheid niet heeft kunnen voorzien, noch voorkomen. Maar art. 19 EET- Vo vergt dat het verstekvonnis ook moet kunnen worden heroverwogen in het geval van een buitengewone omstandigheid buiten de wil van verzoekende partij. Een buitengewone omstandigheid buiten de wil van een partij is in België geen algemeen rechtsbeginsel en veel ruimer dan het Belgisch rechtsbeginsel van overmacht of onoverwinnelijke dwaling. In huurgeschillen heeft de Belgische rechtspraak een duidelijk onderscheid gemaakt tussen «buitengewone omstandigheden» en «overmacht». Zo kan een verhuurder opzeggen op voorwaarde dat hij het pand zelf gedurende minstens twee jaren betrekt. Is dit niet het geval, dan betaalt hij een schadevergoeding, tenzij hij «bijzondere omstandigheden buiten zijn wil» aantoont. In de rechtspraak is reeds herhaaldelijk beslist dat «objectieve omstandigheden buiten de wil van de verhuurder» niet zomaar gelijkgesteld kunnen worden met «overmacht».

Het is aan de wetgever om het interne recht aan te passen. Belangrijk in dat verband is overweging 19 van de EET-Vo: «Deze verordening behelst geen verplichting voor de lidstaten hun nationale wetgeving aan te passen aan de procedurele minimumnormen die in deze verordening zijn vastgesteld. Zij verschaft daartoe wel een prikkel door een snellere en efficiëntere tenuitvoerlegging van beslissingen in andere lidstaten slechts mogelijk te maken indien aan deze minimumvoorwaarden wordt voldaan». De EET-Vo heeft er dus uitdrukkelijk rekening mee gehouden dat de nationale rechtsstelsels op dit stuk van elkaar afwijken en dat de Europese Executoriale Titel in vergelijkbare situaties in het ene land wel en in het andere land niet kan worden afgeleverd.

Zowel Nederland als Duitsland hebben een bijzondere bepaling ingelast in hun invoeringswet om art. 19 te implementeren. In de Duitse commentaren wordt hierbij uitdrukkelijk vermeld dat deze bepaling niet beperkt is tot de gevallen van overmacht, maar ook geldt wanneer de schuldenaar buiten zijn wil een dwingende termijn niet in acht heeft kunnen nemen (bv. wanneer hij niet heeft kunnen handelen door een verkeersongeval). Interessant is de vergelijking met Frankrijk. Het Franse Hof van Cassatie gebruikt immers dezelfde restrictieve definitie van het begrip overmacht als het Belgische Hof van Cassatie, namelijk een onvoorzienbare en onvermijdbare gebeurtenis. Omdat deze strenge definitie soms aanleiding gaf tot onrechtvaardige situaties, heeft de Franse wetgever een bijzondere bepaling ingelast voor de versteklatende partijen. Art. 570 van het nieuwe Franse Ger. W. laat de verstekdoende partij toe om na het verstrijken van de termijnen om een zogenaamde opheffing van het verval (d.w.z. om een nieuwe termijn) te verzoeken indien «hij in de onmogelijkheid was om te handelen».

Het Belgisch recht kent geen procedure van «heroverweging» zoals in geval van art. 19, 1, EET-Vo, hetgeen betekent dat de rechtbank het verzoek om het vonnis te waarmerken als Europese Executoriale Titel afwijst.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 31/01/2010 - 20:38
Laatst aangepast op: zo, 31/01/2010 - 20:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.