-A +A

Forfaitaire begroting buitengewone kosten voor kinderen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 19/11/2015
A.R.: 
AR nr. C.13.0335.N

De bepalingen van de artikelen 203, §1, en 203bis, §1, §2 en §3, Burgerlijk Wetboek en van artikel 1321, §1, 2° en 3°, en §2, 1°, Gerechtelijk Wetboek sluiten niet uit dat de rechter in bijzondere omstandigheden ook de bijdrage in de buitengewone kosten forfaitair bepaalt.

Het OM concludeerde tot de gegrondheid van het eerste middel tot cassatie, en derhalve tot vernietiging van de bestreden beslissing, op grond dat uit de redenen m.b.t. de vaststelling van de maandelijkse onderhoudsbijdrage, in het bijzonder uit de reden i.v.m. de behoeften van de kinderen, in deze volgt dat deze bijdrage werd vastgesteld op basis van het gebruikelijke budget voor het dagelijks onderhoud van de kinderen, maar dat de appelrechters – waar zij vervolgens evenwel oordelen dat die onderhoudsbijdrage ook de buitengewone kosten omvat – nalaten op basis van de gevestigde rechtsleer een duidelijk onderscheid te maken tussen de gewone- en de buitengewone kosten, en zij in werkelijkheid aldus de buitengewone kosten volledig ten laste van eiseres leggen.

zie in zelfde zin

• Cass. 03/11/2016, juridat, RW 2017-2018, 1217
• Cass. 19 november 2015, RW 2016-17, 1136, T.Fam. 2016, 150, noot P. Senaeve.

Wetgeving

Burgerlijk Wetboek Art. 301, § 3, eerste en tweede lid

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
170
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.13.0335.N

T.C. t/ P.S.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne van 17 januari 2013.

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

3. Overeenkomstig art. 203, § 1 BW dienen de ouders naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen. Indien de opleiding niet voltooid is, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind.

Krachtens art. 203bis, § 1 en § 2 BW draagt elke ouder bij in de kosten die voortvloeien uit de bij art. 203, § 1 bepaalde verplichting, in verhouding tot zijn respectieve aandeel in de samengevoegde middelen, en kan elk van de ouders van de andere diens bijdrage in die kosten vorderen, onverminderd de rechten van het kind.

Volgens art. 203bis, § 3 BW omvatten de kosten de gewone kosten en de buitengewone kosten. De gewone kosten zijn alle gebruikelijke kosten m.b.t. het dagelijkse onderhoud van het kind, terwijl onder buitengewone kosten worden verstaan de uitzonderlijke, noodzakelijke of onvoorzienbare uitgaven die voortvloeien uit toevallige of ongewone gebeurtenissen en die het gebruikelijke budget voor het dagelijkse onderhoud van het kind dat in voorkomend geval als basis diende voor de vaststelling van de onderhoudsbijdragen, overschrijden.

4. Art. 1321, § 1, 2° en 3° Ger.W. bepaalt dat, behoudens akkoord van de partijen over het bedrag van de onderhoudsbijdrage in het belang van het kind, elke rechterlijke beslissing die de onderhoudsbijdrage vaststelt op grond van art. 203, § 1 BW, de gewone kosten vermeldt waaruit het budget voor het kind is samengesteld, alsook de manier waarop deze begroot zijn, evenals de aard van de buitengewone kosten die in acht genomen kunnen worden, het deel van deze kosten dat elk van de ouders voor zijn rekening dient te nemen, alsook de modaliteiten voor de aanwending van deze kosten.

Krachtens art. 1321, § 2, 1° Ger.W. moet de rechter verduidelijken op welke manier hij de in § 1 bedoelde elementen in acht genomen heeft.

5. De voormelde bepalingen sluiten niet uit dat de rechter in bijzondere omstandigheden ook de bijdrage in de buitengewone kosten forfaitair bepaalt.

6. Het middel dat geheel ervan uitgaat dat de rechter de bijdrage in de buitengewone kosten niet forfaitair kan bepalen, faalt in zoverre naar recht.

Noot: 

Wanneer een minimum aan overleg en communicatie tussen de ouders onmogelijk is, is het ethisch niet verantwoord deze ouders te verplichten tot overleg inzake buitengewone kosten en de opstelling van een verdeelsleutel. In deze gevallen is het aangewezen deze kosten forfaitair te begroten.

zie ook Cassatie 03/11/2016, AR C.15.0217.F, juridat

samenvatting:

De artikelen 203, § 1 en 203bis, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, en artikel 1321, § 1, 2°, 3° en 7°, van het Gerechtelijk Wetboek sluiten niet uit dat de rechter, in bijzondere omstandigheden, de bijdrage van de ouders in de buitengewone kosten vaststelt op een forfaitair bedrag en dat bedrag samenvoegt met dat van de gewone kosten.

tekst arrest

Nr. C.15.0217.F
B. T.,
tegen
Y. V. M.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant van 9 mei 2014.II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Luidens artikel 301, § 3, eerste en derde lid, Burgerlijk Wetboek legt de rechtbank het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leef-tijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

Hoewel de rechtbank bij het bepalen van het bedrag van de onderhoudsuitkering na echtscheiding met name rekening kan houden met de levensstandaard van de partijen tijdens het huwelijk, heeft die uitkering niet tot doel de echtgenoot-eiser dezelfde levensstandaard als tijdens het samenleven te waarborgen.

Het bestreden vonnis, dat de eiser veroordeelt om aan de verweerster een onder-houdsuitkering van 1.417,50 euro per maand te betalen, op grond dat de verweerster voornoemd bedrag "nodig heeft om dezelfde levensstandaard als tijdens het samenleven van de partijen te kunnen blijven genieten", schendt artikel 301, § 3, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

Tweede middel
(...)

Tweede onderdeel

Luidens artikel 203bis, § 3, Burgerlijk Wetboek omvatten de kosten de gewone kosten en de buitengewone kosten. De gewone kosten zijn alle gebruikelijke kosten met betrekking tot het dagelijks onderhoud van het kind. Onder buitengewone kosten wordt verstaan de uitzonderlijke, noodzakelijke of onvoorzienbare uitgaven die voortvloeien uit toevallige of ongewone gebeurtenissen en die het gebruikelijk budget voor het dagelijks onderhoud van het kind dat desgevallend als basis diende voor de vaststelling van de onderhoudsbijdragen, overschrijden.

Krachtens artikel 1321, § 1, 2° en 3°, Gerechtelijk Wetboek vermeldt elke rechterlijke beslissing die de onderhoudsbijdrage vaststelt op grond van artikel 203, § 1, Burgerlijk Wetboek de gewone kosten waaruit het budget voor het kind is samengesteld alsook de manier waarop deze begroot zijn en de aard van de buitengewo-ne kosten die in acht genomen kunnen worden, het deel van die kosten dat elk van de ouders voor zijn rekening dient te nemen alsook de modaliteiten voor de aanwending van die kosten.

Krachtens artikel 1321, § 1, 7°, vermeldt die rechterlijke beslissing daarenboven het aandeel van elk van de ouders in de tenlasteneming van de kosten voortvloei-ende uit artikel 203, § 1, Burgerlijk Wetboek en de daarop eventueel vastgestelde onderhoudsbijdrage.

Die bepalingen sluiten niet uit dat de rechter, in bijzondere omstandigheden, de bijdrage van de ouders in de buitengewone kosten vaststelt op een forfaitair bedrag en dat bedrag samenvoegt met dat van de gewone kosten.

In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

Voor het overige stelt het bestreden vonnis vast dat de verweerster haar vordering tot veroordeling van de eiser tot betaling van een forfaitair bedrag, dat alle gewo-ne en buitengewone kosten omvat, verantwoordt op grond dat de eiser weigert bij te dragen in de buitengewone kosten en dat de kinderen niet bij de eiser verblij-ven.

Het wijst erop dat G. geboren is op 4 mei 1987, dat hij zijn masterdiploma in bio-medische wetenschappen heeft behaald in juni 2011, dat hij geen logies had in Louvain-en-Woluwe, dat hij zich van Nijvel naar Brussel verplaatste met de trein en dat de verweerster zijn maandbudget raamt op 1.322,10 euro. Het bestreden vonnis preciseert aldus de wijze waarop de gewone en de buitengewone kosten van G. worden geraamd alvorens zijn gemiddeld maandbudget, "met inbegrip van de buitengewone kosten, op 1.100 euro" vast te stellen.

Wat betreft P.-A. wijst het bestreden vonnis erop dat hij geboren is op 10 februari 1992, dat hij een opleiding installateur centrale verwarming is beginnen te volgen vanaf 1 oktober 2011, dat zijn brandstofkosten niet door de werkgever ten laste worden genomen (415 euro) en dat de verweerster zijn maandbudget raamt op 1.244,65 euro. Het preciseert aldus de wijze waarop de gewone en de buitenge-wone kosten van P.-A. worden geraamd alvorens zijn gemiddeld maandbudget, "met inbegrip van de buitengewone kosten, op 800 euro per maand, van december 2010 tot september 2011, [en op] 1.000 euro per maand vanaf september 2011" vast te stellen.

Bovendien overweegt het bestreden vonnis enerzijds dat van het budget van G. de voor hem gestorte kinderbijslag tot beloop van 185 euro moet worden afgetrokken en stelt dat vonnis het aandeel van de eiser "in de gewone en de buitengewone kosten" van het kind van 1 december 2010 tot 5 maart 2012 vast op 450 euro.

Het overweegt anderzijds dat van het budget van P.-A. zijn eigen inkomsten moe-ten worden afgetrokken, waarvan het vonnis het bedrag vermeldt, alsook de kinderbijslag, en stelt dat vonnis het aandeel van de eiser "in de gewone en buiten-gewone kosten vast op 375 euro per maand vanaf 1 september 2010, 200 euro per maand vanaf 1 september 2011 en 60 euro per maand vanaf 1 september 2013".

Het bestreden vonnis, dat aldus toelaat het aandeel van beide ouders in de tenlas-teneming van de onderhouds-, opvoedings- en opleidingskosten, met inbegrip van de buitengewone kosten, ongeacht de aard ervan, vast te stellen, omkleedt met voldoende redenen zijn beslissing om de eiser tot de voormelde forfaitaire bedragen te veroordelen teneinde de gewone en de buitengewone kosten van de twee kinderen te dekken.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis, in zoverre het bij voorraad uitspraak doet over de door de eiser aan de verweerster verschuldigde onderhoudsuitkering na echtscheiding.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, zitting houdende in hoger beroep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, en in openbare terechtzitting van 3 november 2016 uitgesproken

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 24/03/2017 - 12:06
Laatst aangepast op: zo, 25/03/2018 - 12:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.