-A +A

Fiscus draagt geen bewijslast van de verzending van de aanslag

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 16/11/2017
A.R.: 
F.15.0034.N

Bezwaarschriften moeten op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.

Indien de rechter aan de vastgestelde ongrondwettigheid van artikel 371 WIB92 zonder meer een einde kan stellen door dit wetsartikel aan te vullen aan de hand van artikel 53bis, 2°, Gerechtelijk Wetboek, kan en moet hij dit doen

De loutere bewering door de belastingplichtige dat een aanslagbiljet niet verzonden is, heeft niet tot gevolg dat het bestuur dat voorhoudt dat het op het juiste adres van de belastingplichtige en in de gepaste vorm een aanslagbiljet heeft verzonden, ook het bewijs moet leveren dat die verzending effectief is gebeurd.
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1609
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

S.C. en E.S. t/ Vlaams Gewest, Vlaams minister voor Begroting, Financiën en Energie

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 4 november 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens art. 371, eerste lid WIB92, zoals het op het geschil van toepassing is, moeten de bezwaarschriften op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.

Art. 53bis, 2o Ger.W., ingevoegd bij de wet van 13 december 2005, bepaalt dat ten aanzien van de geadresseerde en tenzij de wet anders bepaalt, de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving op een papieren drager, worden berekend, wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.

2. Het Grondwettelijk Hof heeft meermaals geoordeeld dat art. 371 WIB92 de artt. 10 en 11 Gw. schendt in zoverre het bepaalt dat de bezwaartermijn begint te lopen op de datum van verzending die voorkomt op het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat.

Het Grondwettelijk Hof heeft daarbij overwogen dat de doelstelling om rechtsonzekerheid te vermijden evengoed zou kunnen worden bereikt met toepassing van art. 53bis Ger.W., indien de termijn zou ingaan op de dag waarop de geadresseerde, naar alle waarschijnlijkheid, kennis van het aanslagbiljet heeft kunnen nemen, d.w.z. de derde werkdag volgend op die waarop het aanslagbiljet aan de postdiensten werd overhandigd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.

3. Wanneer een leemte in de wet het gevolg is van de ongrondwettigverklaring van een wetsbepaling, moet de rechter zo mogelijk deze leemte opvullen. Of de rechter een leemte in de wetsbepaling kan opvullen, hangt af van de leemte zelf. Indien de leemte van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere procesregeling wordt ingevoerd, kan de rechter zich daarvoor niet in de plaats van de wetgever stellen. Indien evenwel aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan worden gemaakt door de wetsbepaling aan te vullen, zodat ze niet meer strijdig is met de artt. 10 en 11 Gw., kan en moet de rechter dit doen, binnen het kader van de bestaande wettelijke bepalingen.

De leemte inzake het aanvangspunt van de termijn om een bezwaarschrift in te dienen is geen leemte die van aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere procesregeling wordt ingevoerd. Indien de rechter aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan maken door art. 371 WIB92 aan te vullen aan de hand van art. 53bis, 2o Ger.W., kan en moet hij dit bijgevolg doen.

De appelrechters vermochten bijgevolg te oordelen dat het aanslagbiljet «moet worden geacht bij de [eisers] op hun adres te zijn toegekomen ten laatste op de derde werkdag die volgde op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd (vergelijk met art. 53bis, 2o Ger.W.), dit is op 27 juli 2010, aanvangsdatum van de bezwaartermijn van drie maanden».

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

4. De datum van verzending is, behalve in geval van bewijs van het tegendeel, de op het aanslagbiljet vermelde verzendingsdatum.

De loutere bewering door de belastingplichtige dat een aanslagbiljet niet verzonden is, heeft niet tot gevolg dat het bestuur dat beweert dat het op het juiste adres van de belastingplichtige en in de gepaste vorm een aanslagbiljet heeft verzonden, ook het bewijs moet leveren dat die verzending effectief is gebeurd.

5. De appelrechters stellen vast dat «de bestreden aanslag volgens de vermelding op het aanslagbiljet gevestigd [werd] op 15 juli 2010 en aan [de eerste eiser] verzonden op 22 juli 2010 aan het adres (...)straat (DRL) (...)» en dat «het adres van de [eisers] vermeld op het aanslagbiljet het juiste adres van de [eisers] [blijkt] te zijn. Het is het adres door [de eerste eiser] zelf vermeld op zijn verzoek tot ambtshalve ontheffing van 12 april 2011 (...), en is volgens de conclusies van [de eisers] neergelegd op de respectieve griffies van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent en van het Hof van Beroep te Gent nog steeds hetzelfde adres.»

De appelrechters konden zonder schending van de in het middel als geschonden aangevoerde wetsbepalingen oordelen dat «moet worden aangenomen dat het aanslagbiljet wel degelijk werd verzonden aan het juiste adres op het aanslagbiljet, op de op het aanslagbiljet vermelde datum» en dat «de [eisers] het tegendeel niet [aantonen]».

Het middel kan niet worden aangenomen.

...

F.15.0034.N
Conclusie van advocaat-generaal o.m. Van der Fraenen:

I. Situering

Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat eisers eigenaar waren van een onroerend goed gelegen te (...).

Voor dit onroerend goed werd door verweerder een aanslag in de onroerende voorheffing gevestigd voor het aanslagjaar 2010.
Eisers tekenden tegen deze aanslag bezwaar aan en streefden naar de proportionele vermindering van de onroerende voorheffing in toepassing van artikel 257, §2, 3° juncto 15 WIB92 (improductiviteit).

Bij beslissing van 22 juni 2011 van de gemachtigde ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst werd het bezwaar afgewezen om reden dat het bezwaarschrift van eisers laattijdig was, en dat uit de elementen van het dossier evenmin bleek dat er voldoende argumenten voorhanden waren om een ambtshalve ontheffing te verlenen.

De rechtbank van eerste aanleg te Gent verklaarde in haar vonnis d.d. 5 februari 2013 de vordering van eisers ontvankelijk en gegrond en verleende vrijstelling van onroerende voorheffing in toepassing van artikelen 15 en 257 §2, 3° WIB92.

Het eerste vonnis werd teniet gedaan bij arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 4 november 2014 en de oorspronkelijke vordering van eisers werd onontvankelijk verklaard.

Het cassatieberoep van eisers tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van de huidige cassatieprocedure. Eisers voeren in hun verzoekschrift drie middelen tot cassatie aan.

II. Bespreking van het eerste middel

II.1. Eisers voeren in het eerste middel aan dat de appelrechters, door bij gebreke aan enig wetgevend initiatief, naar aanleiding van het arrest nr. 162/2007 van het Grondwettelijk Hof dd. 19 december 2007, een andere datum als aanvangsdatum van de bezwaartermijn in de plaats te stellen dan deze voorzien in artikel 371 WIB92 (zoals van toepassing in het Vlaams Gewest tijdens het aanslagjaar 2010) en het bezwaar als laattijdig te beschouwen, voormeld artikel 371 WIB92 hebben geschonden.
Door in het bestreden arrest de vordering van eisers onontvankelijk te verklaren, hebben de appelrechters volgens eisers ook het artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek geschonden.

II.2. Krachtens artikel 371 WIB92 (zoals van toepassing in het Vlaams Gewest, voor het aanslagjaar 2010) moeten de bezwaarschriften op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.
In zijn arrest van 19 december 2007 besliste het Grondwettelijk Hof dat "het redelijk verantwoord (is) dat de wetgever, om rechtsonzekerheid te vermijden, de termijnen van rechtspleging laat lopen vanaf een datum die niet afhankelijk is van de handelswijze van de partijen. De keuze van de datum van verzending van het aanslagbiljet als aanvangspunt van de beroepstermijn beperkt evenwel het recht van verdediging van de geadresseerden op onevenredige wijze, doordat die termijnen beginnen te lopen op een ogenblik dat zij nog geen kennis kunnen hebben van de inhoud van het aanslagbiljet.

De doelstelling om rechtsonzekerheid te vermijden zou evengoed kunnen worden bereikt indien de termijn zou ingaan op de dag waarop de geadresseerde, naar alle waarschijnlijkheid, kennis ervan heeft kunnen nemen, dit wil zeggen de derde werkdag volgend op die waarop het aanslagbiljet aan de postdiensten werd overhandigd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst (artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek)". (GwHof, 19 december 2007 nr. 162/2007, BS 11 februari 2008).

II.3. Artikel 371, eerste lid, WIB92, zoals van toepassing in het Vlaams Gewest, werd gewijzigd bij decreet van 8 juli 2011 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen, met ingang van 30 juli 2011.

In het eerste middel voeren eisers aan dat in de periode tussen het arrest van het Grondwettelijk Hof van 19 december 2007 en de inwerkingtreding van het decreet van 8 juli 2011 op 30 juli 2011, artikel 371WIB92 in zijn ongrondwettelijke vorm is blijven bestaan en dat de aanslagbiljetten die tijdens deze periode werden verstuurd, de bezwaartermijn niet hebben doen lopen.

II.4. Wanneer een wet ingevolge een arrest van het Grondwettelijk Hof een leemte vertoont (in voorliggend geval een grondwetsconforme aanvangsdatum van de bezwaartermijn), dan moet de rechter zo mogelijk deze leemte opvullen. Of de rechter een leemte in de wetsbepaling kan opvullen, hangt af van de leemte zelf. Indien de leemte van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere procesregeling wordt ingevoerd, dan kan de rechter zich daarvoor niet in de plaats van de wetgever stellen. Indien evenwel aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan worden gesteld door de wetsbepaling aan te vullen, dermate dat ze niet meer strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, kan en moet de rechter dit doen (zie in dezelfde zin de conclusie van A.G. D. Thijs bij het arrest van Uw Hof van 23 november 2012, AC 2012, 2645 e.v. en de verwijzingen aldaar).

In voorliggend geval meen ik dat de appelrechters zich in de tweede hypothese bevonden. De leemte m.b.t. het vertrekpunt van de termijn om een bezwaarschrift in te dienen, kan immers niet worden gekwalificeerd als een leemte die van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere procesregeling wordt ingevoerd.

In het arrest van 19 december 2007 heeft het Grondwettelijk Hof zelf aangegeven op welke wijze de leemte op een grondwetconforme manier kan worden ingevuld, namelijk door de termijn te laten ingaan op de dag waarop de geadresseerde naar alle waarschijnlijkheid kennis heeft kunnen nemen van het aanslagbiljet, dit wil zeggen de derde werkdag volgend op die waarop het aanslagbiljet aan de postdiensten werd overhandigd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst (art. 53bis van het Gerechtelijk Wetboek).

Artikel 53bis, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 december 2005 preciseert inderdaad dat ten aanzien van de geadresseerde en tenzij de wet anders bepaalt, de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving op een papieren drager, worden berekend: wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.

Het artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek is ingevolge artikel 2 van hetzelfde wetboek van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek.

In voorliggend geval meen ik derhalve dat de appelrechters wel degelijk aan de ongrondwettigheid een einde konden stellen door artikel 371 WIB92 aan te vullen aan de hand van artikel 53bis, 2° van het Gerechtelijk Wetboek en bijgevolg naar recht konden oordelen dat "het aanslagbiljet met verzendingsdatum op 22 juli 2010 moet worden geacht bij eisers op hun adres te zijn toegekomen ten laatste op de derde werkdag die volgde op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd (vergelijk met artikel 53bis, 2° Ger. W.), hetzij op 27.7.2010, vertrekdatum van de bezwaartermijn van drie maand" (bestreden arrest p. 5, vierde alinea).

Het komt mij dan ook voor dat het eerste middel niet kan worden aangenomen.

III. Bespreking van het tweede middel

III.1. Eisers voeren in het tweede middel aan dat het betreden arrest het artikel 371 WIB92 (zoals van toepassing in het Vlaams Gewest tijdens het aanslagjaar 2010) en het 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek schendt en de artikelen 870 en 1315 van het Burgerlijk Wetboek heeft miskend vermits het bestreden arrest niet vaststelt dat verweerder het bewijs levert van de verzending van het aanslagbiljet op de op het aanslagbiljet vermelde datum.

III.2. De datum van verzending is, behoudens bewijs van het tegendeel, de op het aanslagbiljet vermelde verzendingsdatum (Cass. 15 juni 2001, AR C.99.0007.N, AC 2001, nr. 365).

Er dient bijgevolg van uitgegaan te worden dat de verzending werkelijk gebeurde op de datum vermeld op het aanslagbiljet, tenzij de belastingplichtige het tegenbewijs levert of minstens aannemelijk maakt.

Eisers hielden louter voor het aanslagbiljet, verzonden op 22 juli 2010, niet te hebben ontvangen, zonder deze bewering op enige wijze aannemelijk te maken.

Deze bewering heeft niet tot gevolg eisers te ontslaan van het tegenbewijs van het vermoeden dat het aanslagbiljet werd verzonden op 22 juli 2010 en heeft evenmin tot gevolg dat het bestuur het bewijs moet leveren dat het aanslagbiljet werd verzonden op de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet.

De appelrechters stelden overigens vast dat het adres van (eisers) vermeld op het aanslagbiljet het juiste adres van (eisers) blijkt te zijn: "Het is het adres door (eerste eiser) zelf vermeld op zijn verzoek tot ambtshalve ontheffing d.d. 12.4.2011, (...) en is volgens de conclusies van (eisers) neergelegd op de respectieve griffies van de rechtbank van eerste aanleg te Gent en van het hof van beroep te Gent nog steeds hetzelfde adres" (bestreden arrest p. 5, eerste lid).

Op grond van die vaststellingen konden de appelrechters m.i., zonder miskenning van de in het tweede middel aangewezen wetsbepalingen, oordelen dat moet worden aangenomen dat het aanslagbiljet wel degelijk werd verzonden aan het juiste adres vermeld op het aanslagbiljet, op de op het aanslagbiljet vermelde datum en dat eisers het tegendeel niet aantonen (bestreden arrest p. 5, derde lid).

In overeenstemming met de hoger aangehaalde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof vermochten de appelrechters vervolgens te oordelen dat het aanslagbiljet geacht wordt bij de eisers op hun adres te zijn toegekomen ten laatste op de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd (vergelijk met artikel 53bis, 2° Ger.W.), hetzij op 27 juli 2010, vertrekdatum van de bezwaartermijn van drie maand.

Het tweede middel kan m.i. derhalve niet worden aangenomen.

IV. Bespreking van het derde middel

IV.1. In het derde middel voeren eisers een schending aan van de artikelen 149 van de Grondwet, 1316, 1319, 1320, 1322, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek, 371 WIB92 (zoals van toepassing in het Vlaams Gewest tijdens het aanslagjaar 2010), en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.

IV.2. Eisers werpen meer bepaald op dat het bestreden arrest de bewijskracht gehecht aan het aanslagbiljet heeft miskend door hieraan een met de zin, draagwijdte en bewoordingen van dit stuk onverenigbare uitlegging te geven, nu de werkelijke verzending niet door het voornoemde stuk wordt vastgesteld of hieruit kan worden afgeleid (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).

Het aanslagbiljet, waarvan de schending van de bewijskracht wordt aangevoerd, werd evenwel niet bij het cassatieberoep gevoegd.

In zoverre het middel de schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek aanvoert, is het m.i. derhalve niet ontvankelijk.

IV.3. Eisers menen verder dat het bestreden arrest geoordeeld heeft dat het bewijs van de effectieve verzending van het aanslagbiljet blijkt uit de verzending van het aanslagbiljet naar het juiste adres van de belastingplichtige. De werkelijke verzending van het aanslagbiljet kan volgens eisers onmogelijk uit die enkele vaststelling worden afgeleid. Aldus zouden de appelrechters de artikelen 1316, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek hebben geschonden.

Nochtans hebben de appelrechters de effectieve verzending van het aanslagbiljet niet enkel afgeleid uit de vaststelling dat het aanslagbiljet werd verzonden naar het juiste adres vermeld op het aanslagbiljet, maar ook uit de vaststelling dat de bestreden aanslag volgens de vermelding op het aanslagbiljet aan eerste eiser werd verzonden op 22 juli 2010. Zij beslisten tevens dat de datum van werkelijke verzending de verzendingsdatum is op het aanslagbiljet, behoudens bewijs van het tegendeel (bestreden arrest p. 4, nr. 2).

Het komt mij voor dat het middel op dit vlak op een onvolledige lezing van het arrest berust en bijgevolg feitelijke grondslag mist.

IV.4. Het middel lijkt mij voor het overige afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 1316, 1319, 1320, 1322, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek.
In zoverre is het middel m.i. niet ontvankelijk

V. Besluit: VERWERPING

Noot: 

Soetaert, F. en Motte, J., « Aanvang van een termijn – Onrechtmatig verkregen gegevens uit een bankonderzoek », R.A.B.G., 2017/19, p. 1473-1478

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 02/06/2018 - 18:00
Laatst aangepast op: ma, 04/06/2018 - 18:17

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.