-A +A

Fiscale sanctie non bis in idem

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 21/09/2017
A.R.: 
F.15.0081.N

Artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verhindert niet dat onderscheiden administratieve procedures tot oplegging van fiscale sancties, die tegen eenzelfde persoon en wegens dezelfde feiten werden ingesteld alvorens één ervan definitief werd beëindigd, tot hun einde worden voortgezet en, desgevallend, beëindigd worden met een beslissing tot oplegging van een sanctie, op voorwaarde dat vaststaat dat de desbetreffende procedures, zowel substantieel als temporeel, voldoende nauw met elkaar verbonden zijn

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1610
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. F.15.0081.N

E.D.S. en R.D’H. t/ Belgische Staat, minister van Financiën

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 23 september 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Art. 14.7 IVBPR bepaalt dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.

Art. 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat niemand opnieuw wordt berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die staat.

Het algemene rechtsbeginsel non bis in idem heeft dezelfde draagwijdte.

2. Art. 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verhindert niet dat onderscheiden administratieve procedures tot oplegging van fiscale sancties, die tegen eenzelfde persoon en wegens dezelfde feiten werden ingesteld alvorens één ervan definitief werd beëindigd, tot hun einde worden voortgezet en, in voorkomend geval, beëindigd worden met een beslissing tot oplegging van een sanctie, op voorwaarde dat vaststaat dat de desbetreffende procedures, zowel substantieel als temporeel, voldoende nauw met elkaar verbonden zijn.

3. Het middel, dat ervan uitgaat dat de laatstgenoemde bepaling zonder meer verbiedt dat procedures in voormelde zin worden voortgezet en beëindigd met een beslissing tot oplegging van een sanctie, nadat één van die procedures definitief werd beëindigd, faalt naar recht.

F.15.0081.N
Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Van der Fraenen:

I. Situering

1.1. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de eiser zelfstandig architect is en zijn echtgenote, de eiseres, bediende is. De fiscale administratie heeft de aangifte in de personenbelasting van de eisers onderzocht voor het aanslagjaar 2002 en, gelijktijdig met dat onderzoek, ook een onderzoek gevoerd naar de btw-aangiften van de eiser in de periode 1 januari 2001 tot 31 december 2002.

Op grond van de resultaten van dit onderzoek, stuurde de controleagent de eisers op 29 juni 2004 een bericht van wijziging van de aangifte in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2002, waarin een belastingverhoging van 200% werd aangekondigd, onder verwijzing naar ôartikel 226, KB/WIB92, litt. Dö, en de eisers tevens werden ingelicht: ôuit het nazicht van de stukken (à) blijkt dat u op grote schaal facturen en onkosten vervalst en aanpast en u zich schuldig maakt aan schriftvervalsing en dit met de bedoeling om inkomstenbelastingen en btw te ontduikenö.

De controleagent nam op 1 oktober 2004 een beslissing tot taxatie. Vervolgens werd een supplementaire aanslag in de personenbelasting gevestigd, met inbegrip van de voormelde belastingverhoging. Het bezwaarschrift dat de eisers tegen die supplementaire aanslag instelden, werd ongegrond verklaard door fiscale administratie bij beslissing dd. 29 maart 2007.

Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 20 juni 2012 werd de vordering van de eisers tot vernietiging van de beslissing van de fiscale administratie dd. 29 maart 2007 ontoelaatbaar verklaard en hun overige vorderingen afgewezen als zijnde ongegrond.

1.2. In het bestreden arrest werd tevens vastgesteld dat de eisers ondertussen ook betrokken waren in een gerechtelijke procedure betreffende een op 26 november 2004 uitgevaardigd dwangbevel houdende de oplegging van een geldboete van 200% van de ontdoken btw, waartegen verzet werd ingesteld. Dat verzet werd afgewezen bij een vonnis van 11 februari 2009, dat op zijn beurt bevestigd werd door een arrest van het hof van beroep van 21 december 2010.

Volgens de appelrechters kwam het definitief karakter van de aldus opgelegde boete inzake btw vast te staan door eisersÆ berusting in dat arrest. De appelrechters preciseren overigens dat die boete is gesteund op een andere fiscale inbreuk dan de voor hun zetel betwiste belastingverhoging, maar beide inbreuken niettemin ôvoor het overgrote deelö hun oorsprong vinden in dezelfde feiten, met name het opmaken en gebruiken van valse facturen.

1.3. Ten gronde beriepen de eisers zich voor de appelrechters onder meer op een schending van het beginsel non bis in idem, stellende dat de belastingverhoging van 200% die met betrekking tot de personenbelasting werd opgelegd een tweede sanctie is voor dezelfde feiten vermits reeds voor dezelfde tekortkomingen en inbreuken met betrekking tot de facturatie voor de btw een boete werd aangerekend van 200%.

1.4. De appelrechters overwegen dat het uit artikel 4 van het 7e protocol bij het EVRM voortvloeiende verbod om een persoon voor een tweede inbreuk te vervolgen of te berechten voor zover deze inbreuk voortvloeit uit identieke feiten of feiten die in wezen dezelfde zijn als die welke tot de eerste inbreuk hebben geleid, zich zowel verzet tegen een cumul van twee strafrechtelijke sancties, als tegen een cumul van een straf- en een administratieve sanctie en tegen een cumul van twee fiscale sancties.

Ze bevestigen voorts dat, naar aard en omvang zowel de btw-boete als de belastingverhoging in de personenbelasting een strafrechtelijk karakter hebben en preciseren dat de opgelegde belastingverhoging een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM en 14 BUPO-verdrag. Bovendien expliciteren de appelrechters dat de sancties, die werden opgelegd wegens de inbreuken inzake personenbelasting, respectievelijk de inbreuken inzake btw, tot wezenlijk dezelfde feiten te herleiden zijn.

De appelrechters oordelen evenwel, onder verwijzing naar het arrest Ruotsalainen t. Finland van het EHRM(1), dat in het voorliggend geval ôniet [is] voldaan aan de vereiste dat er sprake is van een tweede vervolging (à) nadat over een procedure tot een eerste sanctie definitief uitspraak is gedaanö, aangezien ôde procedure tot vaststelling van de belastingverhoging niet (pas) is ingesteld nadat de [eisers] al definitief tot de btw-boete waren veroordeeldö. Op die grond beslissen ze dat ôhier geen schending heeft plaatsgevonden van artikel 4 van het 7e protocol bij het EVRMö, dat de eisers zich niet kunnen beroepen ôop het non bis in idem-beginsel zoals het naar Belgisch positief recht bestaat om tot de nietigheid van de belastingverhoging te doen besluitenö en veroordelen ze de eisers vervolgens tot een belastingverhoging in de personenbelasting.

In fine verklaren de appelrechters het hoger beroep van de eisers ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, door de hun opgelegde belastingverhoging te beperken tot 100% en de dienovereenkomstige herberekening en ontheffing te bevelen, alsook de terugbetaling van het eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de moratoriumintresten.

Het cassatieberoep van de eisers tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van de huidige cassatieprocedure. De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel tot cassatie aan.

II. Het middel

2.1. Volgens het enig middel dat de eisers in hun cassatieberoep ontwikkelen, schenden de appelrechters ôhet algemeen rechtsbeginsel houdende ônon bis in idemöö, artikel 14.7 IVBPR(2), alsook artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM(3) juncto artikel 6 EVRM(4).

2.2. Onder verwijzing naar het voormelde arrest Ruotsalainen t. Finland van het EHRM en de uitspraken van datzelfde hof in de zaken Zigarella t. ItaliÙ(5), Muslija t. BosniÙ en Herzegovina(6), Glantz t. Finland(7) en Nykanen t. Finland(8), argumenteren de eisers vooreerst dat de waarborg voorzien in artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, wel degelijk geldt in geval van ôparallel lopende proceduresö, met name in geval een eerste procedure nog niet definitief was beslecht op het ogenblik waarop de tweede procedure wordt ingesteld.

Vertrekkend van die premisse en rekening houdend met de hoger vermelde vaststellingen van de appelrechters, stellen de eisers dat de appelrechters de voormelde verdragsbepalingen en het voornoemd algemeen rechtsbeginsel schenden, door hen tot de betaling van een belastingverhoging te veroordelen.

Het middel gaat er van uit dat de voormelde bepalingen en het voornoemde beginsel zonder meer verbieden dat een vervolging, die ingesteld werd voordat een andere vervolging lastens dezelfde personen en wegens dezelfde feiten door een definitieve beslissing werd beÙindigd, na deze beslissing nog wordt voortgezet en beÙindigd met een beslissing die een sanctie oplegt.

De beslissing van de appelrechters om hen te veroordelen tot een belastingverhoging in de personenbelasting die tot 100% werd beperkt, is volgens de eisers dan ook niet naar recht verantwoord.

III. Bespreking van het middel(9)

3.1. De rechtsvraag die zich stelt in de voorliggende zaak is de volgende. Moet met de appelrechters worden aangenomen dat de regel ônon bis in idemö, zoals vervat in het gelijknamige algemene rechtsbeginsel en de voornoemde verdragsbepalingen, geheel niet toepasselijk is indien vast staat dat lastens eenzelfde persoon en wegens dezelfde feiten een tweede vervolging werd ingesteld alvorens de eerder ingestelde vervolging middels een definitieve beslissing werd beÙindigd? Of moet integendeel met de eisers worden aangenomen dat de genoemde regel ook in die hypothese toepasselijk is, minstens vanaf het ogenblik waarop ÚÚn van de desbetreffende vervolgingen door een definitieve beslissing werd beÙindigd, Ún dat die regel geschonden wordt wanneer de langst lopende procedure nadien wordt voortgezet en beÙindigd met een beslissing die een sanctie oplegt?

3.2. Ter beantwoording van die vraag moet, benevens de tekst van de als geschonden aangevoerde verdragsbepalingen, zowel de rechtspraak van Uw Hof als de jurisprudentie van het EHRM terdege in acht worden genomen.

3.2.1. De tekst van de als geschonden aangevoerde verdragsbepalingen leent zich immers niet tot een eenduidig antwoord op de vraag naar de toepasselijkheid van de daarin geformuleerde waarborg ten aanzien van parallel lopende procedures, omdat ze enkel de hypothese bestrijkt waarin een persoon reeds wegens een bepaald feit definitief werd veroordeeld of vrijgesproken.

Zo voorziet artikel 14.7 IVBPR dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. In dezelfde zin bepaalt artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM dat niemand opnieuw wordt berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat(10). Als dusdanig formuleert geen van deze bepalingen enig voorschrift met betrekking tot de hypothese waarin, tegen eenzelfde persoon en wegens dezelfde feiten, een tweede vervolging werd ingesteld alvorens de eerder ingestelde vervolging definitief werd beëndigd.

Prima facie levert die vaststelling steun voor de te dezen door de appelrechters gehuldigde rechtsopvatting û volgens dewelke de door de aangehaalde bepalingen voorziene waarborg geheel niet toepasselijk is ten aanzien dergelijke, parallel lopende procedures. Maar die redenering lijkt bij nader inzien te kort door de bocht te gaan.

Het voorgaande neemt immers niet weg dat die waarborg, volgens de bewoordingen waarin de voormelde bepalingen zijn geformuleerd, wÚl toepasselijk wordt zodra ÚÚn van de parallel lopende procedures werd beÙindigd middels een einduitspraak houdende een veroordeling of vrijspraak en, meer zelfs, strikt genomen verbiedt dat de dan nog hangende procedure - die zich als een tweede berechting laat kwalificeren - wordt voortgezet. Het hoeft geen betoog dat die vaststelling steun levert voor het door de eisers ingenomen standpunt, zodat de conclusie zich opdringt dat de tekst van de voormelde verdragsbepalingen op zich geen uitsluitsel verleent over het antwoord op de rechtsvraag die de voorliggende zaak aan de orde stelt.

3.2. Uw Hof diende zich vooralsnog niet te positioneren over de toepasselijkheid, ten aanzien van parallelle procedures, van het door de voormelde bepalingen en het voornoemde beginsel voorziene verbod op een dubbele berechting of bestraffing.

Niettemin nam Uw Hof omtrent de toepassing van die normen (in fiscalibus) een aantal standpunten in die in dat verband relevant zijn en hier vermelding verdienen. De desbetreffende rechtspraak laat zich indelen in arresten gewezen v¾¾r, respectievelijk nß 1 juli 2012, i.e. de datum waarop de wet houdende de goedkeuring van het Zevende Aanvullend Protocol EVRM in werking trad(11).

3.2.1. Zo gaf Uw Hof in twee arresten van 5 februari 1999 aan ôdat, krachtens het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en krachtens artikel 14, lid 7, van het BUPO-verdrag, niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesprokenö, respectievelijk ôdat zulks niet belet dat de Belgische overheid sancties van uiteenlopende aard mag bepalen voor eenzelfde inbreuk, de ene onderworpen aan het nationale strafrechtsstelsel, de andere onderworpen aan het stelsel van de administratieve sanctie, ook al zou die administratieve sanctie een strafrechtelijke aard hebben in de zin van artikel 6 EVRMö(12). In ÚÚn van de desbetreffende arresten verwierp Uw Hof vanuit die optiek nadrukkelijk de stelling dat ôde cumulatie van een strafsanctie in de zin van de nationale wet en een geldboete van administratieve aard op grond van evengenoemde wettelijke bepalingen steeds uitgesloten isö(13). In het andere arrest oordeelde Uw Hof vanuit voormeld perspectief dat het bestreden arrest, ôdat (à) principieel uitsluit dat een administratieve sanctie en een strafsanctie zouden kunnen worden opgelegdö, de voormelde wetsbepalingen schond(14). Het hoeft geen betoog dat deze cassatierechtspraak, waaruit af te leiden valt dat noch het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, noch artikel 14.7 IVBPR zich verzet tegen de cumulatie van onderscheiden sancties met een strafrechtelijke aard in de zin van artikel 6 EVRM, ingaat tegen de te dezen door het middel voorgestane rechtsopvatting. Het zijn overigens de voormelde arresten waarop de verweerder in dezen steunt, om te stellen dat het beginsel non bis in idem zich niet verzet tegen een cumulatie van onderscheiden administratieve sancties, zelfs wanneer die sancties elk een strafrechtelijk karakter zouden hebben in de zin van artikel 6 EVRM(15).

Van een andere strekking is echter het arrest van 2 december 2009, waarin Uw Hof stelde: ôhet feit dat er ten laste van dezelfde persoon, twee veroordelingen bestaan die deze niet kan aanvechten en die op hetzelfde feit betrekking hebben, schept een toestand die onverenigbaar is met het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en met artikel 14.7 IVBPRö(16). Dit standpunt sluit eerder aan bij datgene dat de eisers te dezen ontwikkelen en is uiteraard moeilijk verzoenbaar met de door appelrechters gehuldigde rechtsopvatting û die de mogelijkheid impliceert dat er ten laste van dezelfde persoon twee veroordelingen worden uitgesproken, die deze niet kan aanvechten en op hetzelfde feit betrekking hebben.

Bij arrest van 3 januari 2012 verduidelijkte Uw Hof voorts dat het uit het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en artikel 14.7 IVBPR voortvloeiende verbod van een tweede berechting of bestraffing, veronderstelt ôdat de eerste berechting of bestraffing op het ogenblik van de tweede berechting of bestraffing is afgesloten met een uitspraak die overeenkomstig de wet en het procesrecht van het land definitief isö(17). Het Hof preciseerde daarbij overigens dat die vereiste, ôwat betreft de door de belastingsautoriteiten inzake personenbelasting opgelegde sanctiesö, inhoudt ôdat die sancties niet meer met een bezwaar bij de belastingsautoriteiten kunnen worden betwist en niet meer met een gewoon rechtsmiddel voor de rechter kunnen worden aangevochtenö(18). Maar ook dit arrest levert geen uitsluitsel over de vraag die de voorliggende zaak doet rijzen. Men kan er immers een argument aan ontlenen ter ondersteuning van de te dezen door de appelrechters gehuldigde rechtsopvatting, indien men aanneemt dat het Hof met de voormelde overwegingen beoogde het toepassingsgebied van de genoemde normen (in fiscalibus) af te bakenen, evenals aan te geven dat hun toepasselijkheid (in fiscalibus) veronderstelt dat de eerste berechting of bestraffing is afgelopen op het ogenblik waarop de tweede berechting wordt ingesteld. Maar zonder die veronderstellingen lezen de aangehaalde overwegingen veeleer als een bevestiging van het standpunt van de eisers in dezen, omdat de gehanteerde formulering zonder meer toelaat te stellen dat een reeds ingestelde tweede berechting ressorteert onder het voornoemde verbod op een tweede berechting en mitsdien moet worden stopgezet, zodra de eerste berechting - van dezelfde personen wegens dezelfde feiten - werd afgesloten met een uitspraak die overeenkomstig de wet en het procesrecht van het land definitief is.

Wat het laatst vermelde arrest evenwel duidelijk maakt, is dat belastingautoriteiten volgens het Hof sancties kunnen opleggen die onder het toepassingsgebied van het voornoemde verbod vallen. Door dat te expliciteren, bevestigde het Hof het standpunt dat het reeds bij van 25 mei 1999 had ingenomen, stellende ôdat een administratieve sanctie inzake belasting een strafsanctie kan zijn in de zin van de artikelen 6 E.V.R.M. en 14 I.V.B.Rö(19), en distantieerde het zich verder van zijn vroegere, andersluidende rechtspraak(20).

3.2.2. De cassatierechtspraak sinds 1 juli 2012 wordt getypeerd door de prevalentie van het bepaalde bij artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM ten aanzien van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en artikel 14.7 IVBPR, respectievelijk door de receptie, in de cassatierechtspraak, van de jurisprudentie van het EHRM.

Die vaststelling hoeft overigens niet te verwonderen. Sinds zijn arrest van 24 juni 2014 stelt het Hof artikel 14.7 IVBPR immers op ÚÚn lijn met het bepaalde bij artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM en neemt het aan dat het algemene rechtsbeginsel non bis in idem ôdezelfde draagwijdteö heeft.(21)

Bovendien gaf het Hof al vroeg te kennen dat het rekening zou houden met de uitlegging van de laatstgenoemde bepaling door het EHRM. Zo preciseerde het arrest van 29 januari 2013 dat, voor wat de toepassing van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en artikel 14.7 IVBPR betreft, er sprake is van ôeen strafvervolging als bedoeld in artikel 6.1 EVRMö, ôwanneer deze vervolging beantwoordt aan een strafrechtelijke kwalificatie volgens het interne recht, de inbreuk volgens haar aard geldt voor alle burgers of de sanctie op de inbreuk volgens haar aard en haar ernst een repressief of preventief oogmerk heeftö(22). Aldus sloot het Hof zich aan bij de analyse van mijn ambt, dat in conclusie had gewezen op de relevantie van de notie strafvervolging in artikel 6 EVRM voor de interpretatie van ône bis in idemö in het algemeen en artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM in het bijzonder en vanuit die optiek de criteria had verduidelijkt die het EHRM in het arrest Engel had vooropgesteld om na te gaan of er sprake is van een strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM(23). Voortbouwend op het laatst vermelde arrest, verduidelijkte het Hof nadien overigens dat de voormelde uitlegging van het begrip strafvervolging determinerend is voor de toepassing van zowel het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem als artikel 14.7 IVBPR en artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM en preciseerde het tevens dat, om een vervolging als een strafvervolging te kunnen kwalificeren, niet is vereist ôdat de veroordeling of de vrijspraak waardoor deze strafvervolging wordt beÙindigd, door een strafrechter zou worden uitgesprokenö(24).

Het Hof heeft zich bij zijn uitlegging van de laatstgenoemde verdragsbepaling overigens ook meermaals expliciet gesteund op de interpretatie die het EHRM daaraan verleent. Op die manier verduidelijkte het Hof bijvoorbeeld bij arrest van 20 mei 2014 dat artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM ôeen tweede vervolging verbiedt wegens identieke feiten of substantieel dezelfde feiten die na een eerste vervolging hebben geleid tot een onherroepelijke beslissing van veroordeling of vrijspraakö(25), respectievelijk dat ôonder identieke of substantieel dezelfde feiten moeten worden verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden met betrekking tot eenzelfde verdachte welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijnö(26). Volledigheidshalve kan worden aangestipt dat het Hof daar tevens aan toevoegde dat de (bodem)rechter ôonaantastbaarö oordeelt ôof de feiten voorwerp van een tweede strafvervolging identiek of substantieel dezelfde zijn als die welke voorwerp waren van een eerste strafvervolging die met een onherroepelijke beslissing van vrijspraak of veroordeling is beÙindigdö(27), terwijl het zelf nagaat ôof de rechter uit de vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoordö(28).

3.3. Kijken we naar de rechtspraak van het EHRM, dan dringt de vaststelling zich op dat ook daarin lange tijd geen sluitend antwoord te vinden was op de rechtsvraag die de voorliggende zaak doet rijzen. In die situatie kwam evenwel verandering met het principe-arrest van 15 november 2016, in de zaak A en B tegen Noorwegen(29).

3.3.1. Het arrest Zolotukhin t. Rusland(30), waarnaar de appelrechters verwijzen ter duiding van het bepaalde bij artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM(31), gaat echter niet in op de vraag of de waarborg waarin die bepaling voorziet, al dan niet toepasselijk is op zogenaamd parallelle procedures. Het EHRM overweegt in dat arrest weliswaar dat de laatst genoemde bepaling voorziet in de waarborg dat niemand zal worden berecht of gestraft voor een inbreuk waarvoor hij of zij reeds definitief werd veroordeeld of vrijgesproken(32), respectievelijk dat die waarborg ôrelevant wordtö bij het instellen van een nieuwe vervolging, wanneer een eerdere veroordeling of vrijspraak reeds kracht van gewijsde verwierf, en veeleer een bescherming biedt tegen een berechting middels nieuwe procedures dan tegen een tweede veroordeling of vrijspraak(33). Men kan in die overwegingen uiteraard een bevestiging lezen van het te dezen door de appelrechters gehuldigde standpunt û aangezien het EHRM in de voormelde overwegingen geen gewag maakt van de toepasselijkheid van de bedoelde waarborg ingeval een nieuwe procedure wordt ingesteld alvorens een andere procedure - lastens dezelfde personen en wegens dezelfde feiten - definitief werd beÙindigd. Maar de vraag rijst of de voormelde overwegingen in die uitlegging geen al te groot gewicht wordt verleend, nu de inhoudelijke inzet van het arrest Zolotukhin t. Rusland vooral gelegen was in de ontwikkeling van een eenvormige benadering omtrent ôthe idem element of the non bis in idem principleö, i.e. het referentiekader dat dient te worden gehanteerd om te bepalen of de feiten waarvoor een persoon wordt vervolgd, al dan niet dezelfde zijn als deze waarvoor hij reeds eerder werd vervolgd(34).

In het arrest Ruotsalainen t. Finland(35), waaruit de appelrechters afleiden dat de bij artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM voorziene waarborg niet toepasselijk is ten aanzien van parallelle procedures(36), stelde het EHRM dat die waarborg ôop de voorgrond treedtö wanneer een nieuwe reeks procedures wordt ingesteld nadat een eerdere vrijspraak of veroordeling in kracht van gewijsde is getreden(37). Maar net zo min als de gelijkaardige overweging uit het arrest Zolotukhin t. Rusland, leent deze overweging zich tot een eenduidige conclusie omtrent de toepasselijkheid van de bedoelde waarborg ten aanzien van parallelle procedures. Immers, enkel indien men er bij de interpretatie van die overwegingen van uitgaat dat het EHRM daarmee beoogde het toepassingsgebied van de bedoelde waarborg beperkend te af te bakenen, is daarin steun te vinden voor de door de appelrechters gehuldigde rechtsopvatting. Maar het aan die interpretatie ten grondslag liggende uitgangspunt is betwistbaar, omdat niets toelaat met zekerheid te stellen dat het EHRM hier daadwerkelijk beoogde het toepassingsgebied van die waarborg af te bakenen. Verlaat men dat uitgangspunt en beperkt men zich tot een analyse van de bewoording waarin de laatst vermelde overweging werd geformuleerd, dan dringt de logische conclusie zich op dat het EHRM daarmee niet uitsluit dat de genoemde waarborg ook een rol kan spelen in andere hypothesen dan de geÙxpliciteerde. Vanuit die optiek moet dan ook met de eisers worden vastgesteld dat de door de appelrechters aangehaalde overweging uit het laatst vermelde arrest geen steun levert voor de door hun geÙxpliciteerde rechtsopvatting(38).

Kijken we naar de rechtspraak van het EHRM waarop de eisers hun standpunt steunen, dan stellen we vast dat het EHRM inderdaad reeds in zijn beslissing (over de ontvankelijkheid) in de zaak Zigarella t. ItaliÙ opmerkte dat artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol niet alleen het geval van een dubbele veroordeling viseert, maar ook dat van dubbele vervolgingen(39). Het hoeft geen betoog dat dit standpunt aansluit bij de te dezen door de eisers voorgehouden rechtsopvatting en ingaat tegen de door de appelrechters gehuldigde benadering.

Dat standpunt valt in zijn algemeenheid echter moeilijk te rijmen met datgene dat het EHRM expliciteerde in het tweede door de eisers aangehaalde arrest, met name de beslissing in de zaak Muslija t. BosniÙ en Herzegovina(40). Daarin benadrukt het EHRM immers dat het doel van artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bestaat in het verbieden van de herhaling van procedures die beÙindigd werden met een definitieve beslissing, i.e. een beslissing die kracht van gewijsde verkreeg. Het is vanuit dat perspectief dat het EHRM in deze zaak overwoog dat er twee procedures tegelijk waren gevoerd, opmerkte dat de ene procedure hangende was op het ogenblik waarop de andere werd afgesloten met een in kracht van gewijsde getreden beslissing, respectievelijk oordeelde dat het rechtscollege dat geroepen was zich over de nog hangende procedure uit te spreken, die procedure had moeten beÙindigen op het ogenblik waarop de beslissing voortvloeiend uit de andere procedure, kracht van gewijsde verkreeg(41). Niettemin levert ook dit arrest steun voor het door de eisers ingenomen standpunt.

Anders dan de voormelde arresten, gaan de laatste twee arresten van het EHRM waarnaar de eisers verwijzen, met name de beslissingen in de zaken Glantz t. Finland en Nykõnen t. Finland, wel degelijk in op de problematiek van de toepassing van artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM ten aanzien van parallelle procedures. Maar de vaststelling dringt zich op dat het EHRM zich daaromtrent in deze zaken niet eenduidig positioneerde. Na te hebben herinnerd aan het standpunt dat reeds partieel werd geÙxpliciteerd in de zaken Zolotukhin t. Rusland, respectievelijk Zigarella t. ItaliÙ, benadrukte het EHRM namelijk vooreerst dat de laatst genoemde bepaling een duidelijk verbod inhoudt op opeenvolgende procedures, ôif the first set of proceedings has already become final at the moment when the second set of proceedings is initiatedö(42). Vervolgens verduidelijkte het: ôas concerns parallel proceedings, Article 4 of Protocol No. 7 does not prohibit several concurrent sets of proceedings. In such a situation it cannot be said that an applicant is prosecuted several times ôfor an offence for which he has already been finally acquitted or convictedö (à). There is no problem from the Convention point of view either when, in a situation of two parallel sets of proceedings, the second set of proceedings is discontinued after the first set of proceedings has become final (à). However, when no such discontinuation occurs, the Court has found a violationö(43). Deze overwegingen, die opnieuw nauw aansluiten bij de door de eisers voorgestane benadering, zouden allicht hebben kunnen volstaan om de hoger vermelde rechtsvraag te beantwoorden, ware het niet dat het EHRM daar meteen bij aansluitend ook opmerkte: ôhowever, the Court has also found in its previous case-law (à) that although different sanctions (à) concerning the same matter (à) have been imposed by different authorities in different proceedings, there has been a sufficiently close connection between them, in substance and in time. In those cases the Court found that the applicants were not tried or punished again for an offence for which they had already been finally convicted in breach of Article 4 º1 of Protocol No. 7 to the Convention and that there was thus no repetition of the proceedingsö(44). Na te hebben vastgesteld dat het Finse systeem voorzag in het opleggen van onderscheiden sancties door verschillende overheden, zonder dat de desbetreffende procedures op enigerlei wijze verbonden waren, oordeelde het EHRM in casu dat de laatst vermelde bepaling geschonden was(45). Het nam echter geen principieel standpunt in omtrent de wijze waarop de zonet aangehaalde, onderscheiden benaderingen inzake de toepassing daarvan ten aanzien van parallelle procedures, met elkaar in overeenstemming dienen te worden gebracht.

3.3.2. Zoals gesteld werd de onduidelijkheid dienaangaande evenwel weggewerkt in het arrest van het EHRM van 15 november 2016 in de zaak A en B t. Noorwegen(46), dat hier bijzondere aandacht verdient. Vertrekkende vanuit de vaststelling dat er verschillende benaderingen bestonden inzake de mate waarin parallelle of gemengde procedures toelaatbaar zijn in het licht van artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM(47), analyseerde het EHRM in dit arrest immers zijn eigen jurisprudentie dienaangaande en verduidelijkte het vanuit die optiek welke conclusies daaruit dienen te worden getrokken(48).

Een eerste element dat daarbij in het oog springt, is het uitgangspunt waarvan het EHRM bij die analyse vertrok, met name de stelling dat artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol op zich niet verhindert dat sociaal onaanvaardbaar gedragingen ondervangen worden door onderscheiden, complementaire procedures, die zich lenen tot een coherente aanpak van de diverse aspecten van het door het kwestieuze gedrag veroorzaakte probleem, mits het geheel van de gecombineerde juridische reacties geen overmatige last veroorzaakt voor de persoon die eraan wordt blootgesteld(49). De voornoemde bepaling verzet zich volgens het EHRM dan ook niet tegen ôlegal systems which take an ôintegratedö approach to the social wrongdoing in question, and in particular an approach involving parallel stages of legal response to the wrongdoing by different authorities and for different purposesö(50), maar dwingt wel om in dat verband op zoek te gaan naar ôthe fair balance (à) between duly safeguarding the interests of the individual protected by the ne bis in idem principle, on the one hand, and accommodating the particular interest of the community in being able to take a calibrated regulatory approach in the area concerned, on the otherö(51).

Het EHRM expliciteerde vervolgens ook het criterium dat in acht moet worden genomen om het voornoemde evenwicht te kunnen bereiken. Zo gaf het aan dat artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM niet uitsluit dat duale procedures tot hun einde worden voortgezet, mits vast staat dat die procedures zowel substantieel als temporeel voldoende nauw met elkaar verbonden zijn, i.e. derwijze worden gecombineerd dat ze tot ÚÚn coherent geheel zijn ge´ntegreerd(52).

Daarbij preciseerde het EHRM: ôthis implies not only that the purposes pursued and the means used to achieve them should in essence be complementary and linked in time, but also that the possible consequences of organising the legal treatment of the conduct concerned in such a manner should be proportionate and foreseeable for the persons affectedö(53).

Vanuit dat perspectief verduidelijkte het EHRM verder ook de voorwaarden die de vervulling van het voormelde criterium conditioneren. In dat kader gaf het vooreerst aan dat er vier materiÙle factoren zijn die toelaten te bepalen of er - tussen gezamenlijk ingestelde of duale administratieve en strafrechtelijke procedures - een voldoende nauwe substantiÙle verbondenheid bestaat. Daartoe dient met name te worden nagegaan: (1) of die procedures complementaire doelstellingen beogen en als dusdanig, zowel in abstracto als in concreto, betrekking hebben op verschillende aspecten van het geviseerde, voor de samenleving schadelijke gedrag; (2) of de ontdubbeling van die procedures, zowel in rechte als in feite, een voorzienbaar gevolg is van hetzelfde beteugelde gedrag; (3) of de betrokken procedures werden gevoerd op een manier die herhaling in het verzamelen en appreciÙren van bewijsmateriaal zo veel als mogelijk vermijdt, meer bepaald middels een adequate interactie tussen de verschillende bevoegde overheden die maakt dat de vaststelling van feiten in de ene procedure ook in de andere procedure werd gebruikt; (4) en, boven al, of de sanctie opgelegd naar aanleiding van de procedure die als eerste definitief werd (beÙindigd), in aanmerking is genomen in de procedure die nadien definitief werd (beÙindigd), zodat vermeden wordt dat het betrokken individu finaal een buitensporige last wordt opgelegd(54).

Tenslotte moet, volgens het EHRM, ook voldaan zijn aan het vereiste van temporele verbondenheid, wat inhoudt dat het verband, tussen de ingezette procedures, in de tijd voldoende eng moet zijn, om het individu te beschermen tegen onzekerheid, uitstel en het gevaar dat procedures zouden worden gerekt(55).

Onder de voormelde voorwaarden mag, volgens het laatst genoemde arrest, worden aangenomen dat parallel lopende administratieve en strafrechtelijke vervolgingen, die ingesteld werden lastens eenzelfde persoon en wegens dezelfde feiten, zowel substantieel als temporeel voldoende nauw verbonden zijn om tot het einde te kunnen worden voortgezet op een manier die verenigbaar is met de waarborg voorzien in artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM.

Dat het EHRM daarbij verder preciseerde dat de criteria van coherentie en complementariteit vlotter zullen worden vervuld naarmate "the sanctions to be imposed in the proceedings not formally classified as "criminal" are specific for the conduct in question and thus differ from "the hard core of criminal law"ö(56), doet vermoeden dat het zonet geschetste referentiekader niet zonder meer toelaat te evalueren of een voortzetting van parallel lopende strafvervolgingen sensu stricto, verzoenbaar is met de eisen van de laatst genoemde bepaling. De bruikbaarheid van dat referentiekader ter beoordeling van de vraag of de laatst genoemde bepaling zich al dan niet verzet tegen een voortzetting van parallel lopende administratieve procedures gericht op de oplegging van fiscale sancties, lijdt echter geen twijfel. Het EHRM gaf in het laatst genoemde arrest immers te kennen dat ôtax surcharges differ from the hard core of criminal lawö(57) en benadrukte: ôit cannot be the effect of Article 4 of Protocol No. 7 that the Contracting States are prohibited from organising their legal systems so as to provide for the imposition of a standard administrative penalty on wrongfully unpaid tax (albeit a penalty qualifying as ôcriminalö for the purposes of the ConventionÆs fair-trial guarantees) also in those more serious cases where it may be appropriate to prosecute the offender for an additional element present in the non-payment, such as fraudulent conduct, which is not addressed in the ôadministrativeö tax recovery procedureö(58).

3.4. Uit de bovenstaande analyse kan worden geconcludeerd dat de tekst van de te dezen als geschonden aangevoerde verdragsbepalingen zich leent niet tot een eenduidig antwoord op de vraag naar de toepasselijkheid van de daarin geformuleerde waarborg ten aanzien van parallel lopende vervolgingen, nu ze enkel de hypothese bestrijkt waarin een persoon reeds voor een bepaald feit definitief werd veroordeeld of vrijgesproken.

Uit de rechtspraak van Uw Hof in verband met de toepassing van die waarborg (in fiscalibus), blijkt dat Uw Hof vooralsnog geen standpunt diende in te nemen omtrent de vraag naar de toepasselijkheid daarvan ten aanzien vervolgingen in voormelde zin. De desbetreffende rechtspraak leert evenwel dat de draagwijdte van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en het bepaalde bij artikel 14.7 IVBPR, intrinsiek verbonden is met de uitlegging van artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, respectievelijk dat het Hof zijn uitlegging van de laatst genoemde bepaling entte op de rechtspraak van het EHRM.

In zijn principe-arrest van 15 november 2016 verschafte het EHRM duidelijkheid omtrent de verenigbaarheid met de laatst genoemde bepaling, van parallel lopende administratieve en strafrechtelijke vervolgingen die werden ingezet tegen eenzelfde persoon en omtrent dezelfde feiten. Het uitgangspunt dat het EHRM daarbij vooropstelde, sluit nauw aan bij datgene dat het Hof zelf eerder expliciteerde, in zijn arresten van 5 februari 1999. Het referentiekader dat het EHRM uitwerkte is transponeerbaar naar de voorliggende problematiek, die betrekking heeft op parallel lopende administratieve vervolgingen in fiscalibus. Het arrest van 15 november 2016 arrest leert dat artikel 4 Zevende Aanvullend Proctocol EVRM wel degelijk toepasselijk is op dergelijke procedures, maar niet verhindert dat ze elk uitmonden in een beslissing houdende de toepassing van een sanctie in de zin van artikel 6 EVRM, op voorwaarde dat de desbetreffende vervolgingen zowel substantieel als temporeel voldoende nauw met elkaar verbonden zijn. Het EHRM verduidelijkte ook de criteria die moeten worden geÙvalueerd om na te gaan of aan die voorwaarde is voldaan.

De rechtsvraag die de voorliggende zaak doet rijzen, laat zich m.i. dan ook beantwoorden als volgt. De regel ônon bis in idemö, zoals vervat in de voormelde verdragsbepalingen en het voornoemde beginsel, is ook toepasselijk indien, lastens eenzelfde persoon en wegens dezelfde feiten, een tweede vervolging werd ingesteld alvorens de eerder ingestelde vervolging middels een definitieve beslissing werd beÙindigd. Maar die regel wordt niet noodzakelijk geschonden door het feit dat de langst lopende procedure na die beslissing wordt voortgezet en beÙindigd met een beslissing houdende de oplegging van een sanctie.

Aangenomen dat Uw Hof zich ten deze, zoals eerder, wil aansluiten bij de rechtspraak van het EHRM ter uitlegging van artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, lijkt een receptie van de door het EHRM in het laatst vermelde arrest uitgewerkte benadering mij aangewezen(59).

Daarbij kan gewezen worden op de door de appelrechters gedane vaststellingen en gemaakte overwegingen.

Bedenkt men bij de onder randnummers 1.1 en 1.2 weergegeven feitelijke vaststellingen dat de appelrechters tevens te kennen geven dat er, met het oog op de afstemming van de sanctie aan de aard en de ernst van de inbreuken, reden is om de bestreden belastingverhoging aan te passen met inachtneming van de boete voor de btw en dat ze die belastingverhoging vanuit die optiek ook effectief beperken(60), dan blijkt immers dat de hoger beschreven vijf criteria - die toelaten te besluiten dat parallel lopende administratieve vervolgingen, die werden ingesteld tegen eenzelfde persoon en wegens dezelfde feiten, zowel substantieel als temporeel voldoende nauw verbonden zijn om tot het einde te worden voortgezet op een manier die verenigbaar is met artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM - te deze kennelijk zijn vervuld.

Vanuit die optiek meen ik dan ook dat men kan stellen dat de appelrechters, op grond van de door hun gedane vaststellingen en gemaakte overwegingen, wettig beslissen dat de eisers zich niet kunnen beroepen op het non bis in idem-beginsel zoals het naar Belgisch positief recht bestaat om tot de nietigheid van de belastingverhoging te doen besluiten, en hen vervolgens te veroordelen tot de oplegging van een belastingverhoging in de personenbelasting die tot 100% werd beperkt.

Het middel kan m.i. niet worden aangenomen.

IV. Besluit: VERWERPING.
____________________
(1) EHRM 16 juni 2009, nr. 13079/03, Ruotsalainen t. Finland.
(2) Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, ondertekend op 19 december 1966 te New York, goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981, BS 6 juli 1983.
(3) Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, gedaan te Straatsburg op 22 november 1984, goedgekeurd bij wet van 6 maart 2007, BS 22 juni 2012.
(4) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 November 1950, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, BS 19 augustus 1955.
(5) EHRM 3 oktober 2002, nr. 48154/99, Zigarella t. ItaliÙ.
(6) EHRM 14 januari 2014, nr. 32042/11, Muslija t. BosniÙ en Herzegovina.
(7) EHRM 20 mei 2014, nr. 37394/11, Glantz t. Finland.
(8) EHRM 20 mei 2014, nr. 11828/11, Nykõnen t. Finland.
(9) De bespreking is gesteund op een studie uitgevoerd door dhr. referendaris F. Louckx
(10)Artikel 4.2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM verduidelijkt dat het bepaalde bij het eerste lid niet belet dat de zaak wordt heropend overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van de betrokken Staat, indien er aanwijzingen zijn van nieuwe of pas aan het licht gekomen feiten, of indien er sprake was van een fundamenteel gebrek in het vorige proces, die de uitkomst van de zaak zouden of zou kunnen be´nvloeden. Het derde lid van hetzelfde artikel preciseert tenslotte dat afwijking van dit artikel krachtens artikel 15 van het Verdrag niet is toegestaan. Volledigheidshalve kan worden aangestipt dat artikel 15, lid 1 EVRM bepaalt dat in tijd van oorlog of in geval van enig andere algemene noodtoestand, welke het bestaan van het volk bedreigt, iedere Hoge Verdragsluitende Partij maatregelen kan nemen welke afwijken van zijn verplichtingen, ingevolge dit Verdrag, mits deze maatregelen niet verder gaan dan de toestand vereist en niet in strijd zijn met andere verplichtingen welke voortvloeien uit het internationale recht.
(11) Wet van 6 maart 2007 houdende instemming met het Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, gedaan te Straatsburg op 22 november 1984, B.S. 22 juni 2012.
(12) Cass. 5 februari 1999, AR C.97.0441.N, AC 1999, nr. 67, p. 142, met concl. van advocaat-generaal GOEMINNE; Cass. 5 februari 1999, AR C.98.0398.N, AC 1999, nr. 68, p. 155, met concl. van advocaat-generaal GOEMINNE.
(13) Cass. 5 februari 1999, AR C.97.0441.N, AC 1999, nr. 67, p. 142, met concl. van advocaat-generaal GOEMINNE.
(14) Cass. 5 februari 1999, AR C.98.0398.N, AC 1999, nr. 68, p. 155, met concl. van advocaat-generaal GOEMINNE.
(15) Memorie van antwoord, blad 6-7.
(16) Cass. 2 december 2009, AR P.09.1581.F, AC 2009, nr. 715, p. 2892.
(17) Cass. 3 januari 2012, AR P.11.0894.N, AC 2012, nr. 4, p. 8, met concl. van eerste advocaat-generaal De Swaef.
(18) Cass. 3 januari 2012, AR P.11.0894.N, AC 2012, nr. 4, p. 8, met concl. van eerste advocaat-generaal De Swaef.
(19) Cass. 25 mei 1999, AR P.99.0517.N, AC 1999, nr. 307, p. 719. Uw Hof verduidelijkte daarbij ook ôdat om uit te maken of een administratieve sanctie inzake belasting dergelijk karakter heeft, moet nagegaan worden of ze, 1. zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft, 2. een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt, 3. niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen, 4. stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk tezelfdertijd preventief en repressief is, 5. zeer zwaar is gelet op het bedrag ervanö, respectievelijk ôdat, indien na afweging van al deze elementen blijkt dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven, de administratieve sanctie inzake belasting als een strafsanctie in de zin van de vermelde verdragsbepalingen moet worden beschouwdö (Ibidem).
(20) Zo oordeelde Uw Hof, bij arrest van 15 januari 1991, dat ôde taxatieambtenaar die, met toepassing van artikel 334 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, bij niet aangifte of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte de bij dat artikel bepaalde belastingverhoging toepast op de verschuldigde belasting op het niet aangegeven inkomstengedeelte, geen uitspraak doet over de gegrondheid van de tegen een belastingplichtige ingestelde strafvordering en tegen hem geen veroordeling uitspreektö (Cass. 15 januari 1991, AR 2153, AC 1991, nr. 249, p. 504. Vgl. Cass. 11 oktober 1996, AR F.93.0132.N, AC 1996, nr. 376, p. 916). In gelijkaardige zin oordeelde het Hof nadien, bij arrest van 27 september 1991, dat ôde administratieve geldboeten bepaald bij artikel 70 van het B.T.W.-Wetboek, die neerkomen op een verhoging van de verschuldigde belastingö, ôgeen straffen zijnö (Cass. 27 september 1991, AR 7448, AC 1999, nr. 53, p. 99, met concl. van advocaat-generaal GOEMINNE).
(21) Cass. 24 juni 2014, AR P.13.1747.N, AC 2014, nr. 452, p. 1624; Cass. 17 februari 2015, AR P.14.0201.N, AC 2015, nr. 119, p. 445; Cass. 17 februari 2015, AR P.14.1509.N, AC 2015, nr. 122, p. 454; Cass. 24 april 2015, AR F.14.0045.N, AC 2015, nr. 275, p. 1079; Cass. 22 maart 2016, P.15.0736.N, arrest niet gepubliceerd. Bij arrest van 3 februari 2009 gaf het Hof evenwel reeds te kennen dat artikel 14.7 IVBPR en artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM ôeen gelijkaardige regelö verkondigen als het in dat arrest bedoelde algemeen rechtsbeginsel (Cass. 3 februari 2009, AR P.08.1742.N, AC 2009, nr. 90, p. 367). Voorts nam het Hof ook reeds aan dat het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en artikel 14.7 IVBPR dezelfde draagwijdte hebben (Cass. 29 januari 2013, AR P.12.0402.N, AC 2013, nr. 67, p. 262, met conclusie advocaat-generaal De Swaef. Vgl. Cas. 27 maart 2013, P.12.1945.F, AC 2013, nr. 213, p. 844).Volledigheidshalve kan worden aangestipt dat er slechts weinig arresten zijn waarin het Hof zich enkel uitspreekt over de draagwijdte van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem. Bij arrest van 3 februari 2009 stelde het Hof evenwel: ônaar een binnen de interne Belgische rechtsorde bestaand algemeen rechtsbeginsel mag niemand door de strafrechter worden berecht of bestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij vroeger reeds bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis is veroordeeld of vrijgesprokenö (Cass. 3 februari 2009, AR P.08.1742.N, AC 2009, nr. 90, p. 367). In gelijkaardige zin stelde het Hof bij arrest van 14 oktober 2009: ôde regel ônon bis in idemö (à) veronderstelt dat de tweede vervolgingen betrekking hebben op dezelfde feiten als die welke het voorwerp uitmaken van een eerste beslissing, naar luid waarvan onherroepelijk op de strafvordering uitspraak werd gedaanö (Cass. 14 oktober 2009, AR P.09.1279.F, AC 2009, nr. 583, p. 2320).
(22) Cass. 29 januari 2013, AR P.12.0402.N, AC 2013, nr. 67, p. 262.
(23) Conclusie advocaat-generaal DE SWAEF bij Cass. 29 januari 2013, AR P.12.0402.N, AC 2013, nr. 67, p. 262.
(24) Cass. 17 februari 2015, AR P.14.0201.N, AC 2015, nr. 119, p. 445.
(25) Cass. 20 mei 2014, AR P.13.0026.N, AC 2014, nr. 357, p. 1251. Vgl. Cass. 24 juni 2014, AR P.13.1747.N, AC 2014, nr. 452, p. 1624; Cass. 17 februari 2015, AR P.14.1509.N, AC 2015, nr. 122, p. 454; Cass. 24 april 2015, AR F.14.0045.N, AC 2015, nr. 275, p. 1079.
(26) Cass. 20 mei 2014, AR P.13.0026.N, AC 2014, nr. 357, p. 1251; Cass. 24 juni 2014, AR P.13.1747.N, AC 2014, nr. 452, p. 1624; Cass. 24 april 2015, AR F.14.0045.N, AC 2015, nr. 275, p. 1079. Vgl. Cass. 17 februari 2015, AR P.14.1509.N, AC 2015, nr. 122, p. 454; Cass. 2 maart 2016, AR P.15.0929.F, arrest niet gepubliceerd; Cass. 22 maart 2016, AR P.15.0736.N, arrest niet gepubliceerd. Het Hof nam reeds voordien aan dat, ôom de regel ônon bis in idemö toe te passenö, ôis vereist dat de nieuwe vervolging dezelfde feiten tot voorwerp heeft als de vorige definitief beslechte zaakö (Cass. 7 november 1995, AR P. 94.0521.N, AC 1995, nr. 477, p. 973; Cass. 4 februari 2003, AR P.02.0494.N, AC 2003, nr. 81, p. 319; Cass. 12 november 2010, AR F.09.0067.N, AC 2010, nr. 669, p. 2727, met concl. van advocaat-generaal THIJS). Bovendien stelde het Hof reeds bij arrest van 3 februari 2009: ômet hetzelfde strafbaar feit wordt niet enkel de wettelijke telastlegging maar ook de erdoor beoogde werkelijke feitelijke gedraging en zijn omstandigheden bedoeldö (Cass. 3 februari 2009, AR P.08.1742.N, AC 2009, nr. 90, p. 367). Het oordeelde evenwel nog bij arrest van 27 maart 2013 dat het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, dat vervat is in artikel 14.7 IVBPR, zich ertegen verzet dat iemand strafrechtelijk wordt vervolgd nadat hij een administratieve geldboete heeft betaald van strafrechtelijke aard, ôwanneer de tekst waarbij de geldboete is bepaald en die welke betrekking heeft op het strafbaar feit, in vergelijkbare bewoordingen, dezelfde gedraging bestraffen en de bestanddelen van beide misdrijven identiek zijnö (Cas. 27 maart 2013, P.12.1945.F, AC 2013, nr. 213, p. 844). Het Hof nuanceerde die benadering echter reeds toen het met betrekking tot artikel 14.7 IVBPR en het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem aannam dat er sprake is van ôdezelfde feitenö, ôwanneer de materiÙle feiten die achtereenvolgens aan de rechter worden voorgelegd, een onlosmakelijk geheel vormen, door samenhang in tijd, ruimte en voorwerpö (Cass. 25 maart 2014, AR P.12.1884.N, AC 2014, nr. 236, p. 866), respectievelijk dat de rechter, bij de beoordeling van de vraag of de voor hem aanhangig gemaakte feiten dezelfde zijn als die waarvoor de beklaagde werd vrijgesproken bij een beslissing die in kracht gewijsde is getreden, ôniet gebonden [is] door de omschrijving waarvoor de vrijspraak werd verleend, aangezien de rechter acht moet slaan op de feitelijke gedraging en de werkelijk bedoelde omstandigheden waarop de eerste strafvordering betrekking heeftö (Cass. 9 april 2014, AR P.13.1916.F, AC 2014, nr. 280, p. 956).
(27) Cass. 20 mei 2014, AR P.13.0026.N, AC 2014, nr. 357, p. 1251. Vgl. Cass. 24 juni 2014, AR P.13.1747.N, AC 2014, nr. 452, p. 1624; Cass. 17 februari 2015, AR P.14.1509.N, AC 2015, nr. 122, p. 454; Cass. 24 april 2015, AR F.14.0045.N, AC 2015, nr. 275, p. 1079.
(28) Cass. 24 juni 2014, AR P.13.1747.N, AC 2014, nr. 452, p. 1624; Cass. 17 februari 2015, AR P.14.1509.N, AC 2015, nr. 122, p. 454; Cass. 24 april 2015, AR F.14.0045.N, AC 2015, nr. 275, p. 1079. Het Hof oordeelde evenwel reeds voordien dat het de strafrechter toekomt om ôin feite te oordelen of een beklaagde wordt vervolgd voor een strafbaar feit waarvoor hij vroeger reeds bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis is veroordeeld of vrijgesproken. Zijn oordeel desomtrent is in beginsel onaantastbaar. Het Hof toetst alleen of de maatstaven die de rechter bij zijn beoordeling in acht neemt, zijn beslissing wettig kunnen verantwoordenö (Cass. 3 februari 2009, AR P.08.1742.N, AC 2009, nr. 90, p. 367). Het bevestigde vervolgens, met betrekking tot artikel 14.7 IVBPR en het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem in het bijzonder, dat de rechter onaantastbaar oordeelt over de vraag of de materiÙle feiten die hem achtereenvolgens worden voorgelegd een onlosmakelijk geheel vormen, respectievelijk dat het Hof enkel nagaat ôof hij uit zijn vaststellingen geen gevolgtrekkingen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomenö (Cass. 25 maart 2014, AR P.12.1884.N, AC 2014, nr. 236, p. 866. Vgl. Cass. 9 april 2014, AR P.13.1916.F, AC 2014, nr. 280, p. 956).
(29) EHRM 15 november 2016, nrs. 24130/11 en 29758/11, A. en B. t. Noorwegen.
(30) EHRM 10 februari 2009, nr. 1439/03, Zolotukhin v. Russia.
(31) Bestreden arrest, 9e blad.
(32) EHRM 10 februari 2009, nr. 1439/03, Zolotukhin v. Russia, rn. 58.
(33) In de woorden van het EHRM: ôThe guarantee enshrined in Article 4 of Protocol No. 7 becomes relevant on commencement of a new prosecution, where a prior acquittal or conviction has already acquired the force of res judicata. (à). The Court emphasises that it is irrelevant which parts of the new charges are eventually upheld or dismissed in the subsequent proceedings, because Article 4 of Protocol No. 7 contains a safeguard against being tried or being liable to be tried again in new proceedings rather than a prohibition on a second conviction or acquittalö (Ibidem, rn. 83). In het verlengde van dit laatste overwoog het EHRM voorts: ôthat Article 4 of Protocol No. 7 is not confined to the right not to be punished twice but extends to the right not to be prosecuted or tried twice (à). Were this not the case, it would not have been necessary to add the word ôpunishedö to the word ôtriedö since this would be mere duplication. Article 4 of Protocol No. 7 applies even where the individual has merely been prosecuted in proceedings that have not resulted in a conviction. The Court reiterates that Article 4 of Protocol No. 7 contains three distinct guarantees and provides that no one shall be (i) liable to be tried, (ii) tried or (iii) punished for the same offenceö (Ibidem, rn. 110).
(34) Ibidem, rn. 78-84; EHRM 15 november 2016, nrs. 24130/11 en 29758/11, A en B t. Noorwegen, rns. 102, 108, 111.
(35) EHRM 16 juni 2009, nr. 13079/03, Ruotsalainen t. Finland.
(36) Bestreden arrest, 9e blad.
(37) In de woorden van het EHRM: ôthe guarantee of Article 4 of Protocol No. 7 comes into play where a new set of proceedings is instituted after the previous acquittal or conviction has acquired the force of res judicata EHRMö (EHRM 16 juni 2009, nr. 13079/03, Ruotsalainen t. Finland, rn. 44).
(38) Voorziening in cassatie, rn. 4.
(39) In de woorden van het EHRM: ôThe Court notes that paragraph 1 of Article 4 of Protocol No. 7 applies not only to cases where defendants are convicted twice, but also to cases where they are prosecuted twice. Were this not the case, it would not have been necessary to add the word ôpunishedö to the word ôtriedö since this would be mere duplication. This provision applies even where the individual has merely been prosecuted in proceedings that have not resulted in a conviction. In criminal cases the non bis in idem principle applies whether the person has been convicted or not. Moreover, this principle is also enshrined in the same terms in Article 50 of the Charter of Fundamental Rights of the European Union and Article 14 º7 of the United Nations International Covenant on Civil and Political Rightsö (EHRM 3 oktober 2002, nr. 48154/99, Zigarella t. ItaliÙ). Vgl. EHRM 10 februari 2009, nr. 1439/03, Zolotukhin v. Russia, rn.110.
(40) EHRM 14 januari 2014, nr. 32042/11, Muslija t. BosniÙ en Herzegovina.
(41) In de woorden van het EHRM: ôThe aim of Article 4 of Protocol No. 7 is to prohibit the repetition of proceedings which have been concluded by a ôfinalö decision. A decision is final for the purposes of this provision if it has acquired the force of res judicata. This is the case when it is irrevocable, that is to say when no further ordinary remedies are available, or when the parties have exhausted such remedies or have permitted the time limit to expire without availing themselves of them (à). (à) In the present case, the Minor Offences Court delivered its decision on 16 August 2004 and it became final on 19 October 2004. The criminal proceedings were instituted on 18 September 2003 while the minor-offences proceedings were still pending. Thus the two proceedings were conducted concurrently. At the time the minor-offences conviction became final and required the force of res iudicata, the criminal proceedings were pending before the first-instance court. In these circumstances, the Court considers that the Municipal Court should have terminated the criminal proceedings following the delivery of a ôfinalö decision in the first proceedingsö (Ibidem, rns. 36-37).
(42) EHRM 20 mei 2014, nr. 37394/11, Glantz v. Finland, rn. 58; EHRM 20 mei 2014, nr. 11828/11, Nykõnen v. Finland, rn. 48.
(43) EHRM 20 mei 2014, nr. 37394/11, Glantz v. Finland, rn. 59; EHRM 20 mei 2014, nr. 11828/11, Nykõnen v. Finland, rn. 49.
(44) EHRM 20 mei 2014, nr. 37394/11, Glantz v. Finland, rn. 60; EHRM 20 mei 2014, nr. 11828/11, Nykõnen v. Finland, rn. 50.
(45) EHRM 20 mei 2014, nr. 37394/11, Glantz v. Finland, rn. 61-64; EHRM 20 mei 2014, nr. 11828/11, Nykõnen v. Finland, rn. 51-54.
(46) EHRM 15 november 2016, nrs. 24130/11 en 29758/11, A en B t. Noorwegen.
(47) Ibidem, rn. 104.
(48) Ibidem, rns. 112 û 134.
(49) In de woorden van het EHRM: ôStates should be able legitimately to choose complementary legal responses to socially offensive conduct (à) through different procedures forming a coherent whole so as to address different aspects of the social problem involved, provided that the accumulated legal responses do not represent an excessive burden for the individual concernedö (Ibidem, rn. 121).
(50) Ibidem, rn. 123.
(51) Ibidem, rn. 124.
(52) In de woorden van het EHRM: ôArticle 4 of Protocol No. 7 does not exclude the conduct of dual proceedings, even to their term, provided that certain conditions are fulfilled. In particular, for the Court to be satisfied that there is no duplication of trial or punishment (bis) as proscribed by Article 4 of Protocol No. 7, the respondent State must demonstrate convincingly that the dual proceedings in question have been ôsufficiently closely connected in substance and in timeö. In other words, it must be shown that they have been combined in an integrated manner so as to form a coherent whole.ö (Ibidem, rn. 130).
(53) Ibidem, rn. 130.
(54) In de woorden van het EHRM: ôas regards the conditions to be satisfied in order for dual criminal and administrative proceedings to be regarded as sufficiently connected in substance and in time and thus compatible with the bis criterion in Article 4 of Protocol No. 7, the relevant considerations deriving from the CourtÆs case-law, as discussed above, may be summarised as follows. (à) Material factors for determining whether there is a sufficiently close connection in substance include: (à) whether the different proceedings pursue complementary purposes and thus address, not only in abstracto but also in concreto, different aspects of the social misconduct involved; (à) whether the duality of proceedings concerned is a foreseeable consequence, both in law and in practice, of the same impugned conduct (idem); (à) whether the relevant sets of proceedings are conducted in such a manner as to avoid as far as possible any duplication in the collection as well as the assessment of the evidence, notably through adequate interaction between the various competent authorities to bring about that the establishment of facts in one set is also used in the other set; (à) and, above all, whether the sanction imposed in the proceedings which become final first is taken into account in those which become final last, so as to prevent that the individual concerned is in the end made to bear an excessive burden, this latter risk being least likely to be present where there is in place an offsetting mechanism designed to ensure that the overall amount of any penalties imposed is proportionateö (Ibidem, rn. 131-132).
(55) In de woorden van het EHRM: ôwhere the connection in substance is sufficiently strong, the requirement of a connection in time nonetheless remains and must be satisfied. This does not mean, however, that the two sets of proceedings have to be conducted simultaneously from beginning to end. It should be open to States to opt for conducting the proceedings progressively in instances where doing so is motivated by interests of efficiency and the proper administration of justice, pursued for different social purposes, and has not caused the applicant to suffer disproportionate prejudice. However, as indicated above, the connection in time must always be present. Thus, the connection in time must be sufficiently close to protect the individual from being subjected to uncertainty and delay and from proceedings becoming protracted over time (à), even where the relevant national system provides for an ôintegratedö scheme separating administrative and criminal components. The weaker the connection in time the greater the burden on the State to explain and justify any such delay as may be attributable to its conduct of the proceedingsö (Ibidem, rn. 134).
(56) Meteen daarbij aansluitend verduidelijkte het EHRM overigens ook: ôthe additional factor that those proceedings do not carry any significant degree of stigma renders it less likely that the combination of proceedings will entail a disproportionate burden on the accused person. Conversely, the fact that the administrative proceedings have stigmatising features largely resembling those of ordinary criminal proceedings enhances the risk that the social purposes pursued in sanctioning the conduct in different proceedings will be duplicated (bis) rather than complementing one anotherö (Ibidem, rn. 133).
(57) Ibidem, rn. 133.
(58) Ibidem, rn. 123.
(59) Het verdient opmerking dat het Hof zich zodoende weliswaar distantieert van het standpunt dat het Grondwettelijk Hof expliciteerde, stellende: ôhet opleggen, bij een definitieve beslissing, van een geldboete of van een belastingverhoging die, zoals te dezen, een strafrechtelijk karakter vertonen, moet (à) noodzakelijk, wegens het beginsel non bis in idem, leiden tot de uitdoving van de daaruit voortvloeiende vervolgingen tegen dezelfde persoon voor feiten die in wezen identiek zijnö (GwH. 3 april 2014, nr. 61/2004, B.17.2). De vraag rijst evenwel in welke mate het Grondwettelijk Hof zelf zal vasthouden aan dat standpunt, dat geformuleerd werd v¾¾r en ge´nspireerd werd door de jurisprudentie van het EHRM voorafgaand aan het principesarrest van het laatst genoemde hof van 15 november 2016, in de zaak A en B t. Noorwegen.
(60) Bestreden arrest, 11e blad.
.

Noot: 

zie ook noot onder dit arrest in het R.W.

Fiscale Actualiteit [Fisc. Act.] DESTERBECK, Francis: Noot ''Una via': de rechtspraak geeft de richting aan' 2017, nr. 41, p. 8-10.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 02/06/2018 - 18:33
Laatst aangepast op: ma, 04/06/2018 - 18:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.