-A +A

Feitelijke samenwoning vergoeding voor investering in andermans woning

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 05/05/2015

In tegenstelling tot het huwelijk en de wettelijke samenwoning, bestaat er geen statuut met rechten en plichten voor partners die louter feitelijk samenwonen. Zowel wat betreft hun persoonlijke verhouding als wat betreft hun vermogensrechtelijke verhouding speelt, bij gebrek aan specifieke contractuele regelingen, zonder meer het (aanvullende) gemeen recht. Zij kiezen voor een niet-geïnstitutionaliseerde samenlevingsvorm met alle vrijheid, risico’s en gevolgen van dien

Een gemeenschappelijk bestedingspatroon van feitelijk samenwonenden kan zich uiten in een natuurlijke verbintenis tot bijdrage in de lasten van het huishouden, in verhouding tot de respectieve inkomsten of de in natura gepresteerde (huishoudelijke) taken.

Verrijking zonder oorzaak vergt het ontbreken van een juridische oorzaak. De oorzaak kan gelegen zijn in een wettelijke verplichting, een overeenkomst, een onrechtmatige daad, een rechterlijke beslissing, de eigen wil van de verarmde of een natuurlijke verbintenis.

Zoals aangegeven, rust op beide samenwoners de natuurlijke verbintenis om bij te dragen in de lasten van de feitelijke samenwoning.

Enkel wanneer de uitgaven van de partners de normale lasten van de samenwoning overschrijden en zij dit kunnen bewijzen, kan er aanleiding zijn tot een verrijking zonder oorzaak.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1148
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

G. t/ V.

I. Relevante feitelijke en procedurele elementen

1. De partijen vormden een feitelijk gezin en woonden samen vanaf februari 2009 volgens V. en vanaf 2010 volgens G. tot september 2011 in de woning van V., gelegen te G.

Zij hebben samen geen kinderen. G. heeft een dochter Charlotte die vanaf april 2010 ook bij V. kwam inwonen.

2. De nog voorliggende betwisting behelst de vermogensrechtelijke gevolgen van deze beëindigde feitelijke samenwoning.

G., die bij dagvaardigingsexploot van 26 april 2012 deze procedure initieerde, maakt aanspraak op een vergoeding van V. voor de door haar betaalde werken en materialen in het raam van verbouwingswerken en meer precies het inrichten van de zolderruimte in zijn woning. Zij begroot deze vergoeding initieel op de door haar hiervoor betaalde facturen voor een totaalbedrag van 15.135,10 euro, vermeerderd met de vergoedende interesten.

Nadien breidt ze haar vordering in die zin uit dat ze (1) dit bedrag van 15.135,10 euro, vermeerderd met de interesten, vermeerderd wil zien met “een pro rata waardevermeerdering ten gevolge van de financiële injecties” en (2) subsidiair 1 euro provisionele schadevergoeding vordert met de aanstelling van een gerechtsdeskundige om de waardevermeerdering van de bedoelde woning ingevolge de bedoelde werken te bepalen.

II. Beroepen vonnis

1. Bij vonnis van 4 maart 2013 wijst Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde de vorderingen van G. af als (ontvankelijk maar) ongegrond.

...

2. Volgens de verklaring van beide partijen is dit vonnis niet betekend.

III. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 14 mei 2013 stelt G. tijdig en regelmatig hoger beroep in. Met haar hoger beroep beoogt G., (mede) met hervorming van het beroepen vonnis, primair de toekenning van haar (oorspronkelijke) (uitgebreide) vordering tot betaling van de som van 15.135,10 euro, vermeerderd met de door een aan te stellen gerechtsdeskundige te bepalen pro rata waardevermeerdering ingevolge de bedoelde financiële injecties, en de interesten.

Subsidiair vordert zij enkel de som van 15.135,10 euro, vermeerderd met de interesten.

Meer subsidiair vordert zij 1 euro provisionele vergoeding met de aanstelling van een gerechtsdeskundige om de waardevermeerdering van de bedoelde woning ingevolge de bedoelde werken te bepalen.

Nog meer subsidiair vordert zij de veroordeling van V. tot een vergoeding ex aequo et bono begroot op 10.000,00 euro vermeerderd met de interesten.

...

2. V. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en van de in deze aanleg door G. ingestelde vorderingen als ongegrond en zodoende tot integrale bevestiging van het beroepen vonnis (...).

...

IV. Beoordeling

...

2. G. maakt aanspraak op vergoeding voor de door haar betaalde werken en materialen in het raam van verbouwingswerken in de periode januari-februari 2010 en meer precies het inrichten van de zolderruimte in de woning van V.

3. In tegenstelling tot het huwelijk en de wettelijke samenwoning, bestaat er geen statuut met rechten en plichten voor partners die louter feitelijk samenwonen. Zowel wat betreft hun persoonlijke verhouding als wat betreft hun vermogensrechtelijke verhouding speelt, bij gebrek aan specifieke contractuele regelingen, zonder meer het (aanvullende) gemeen recht. Zij kiezen voor een niet-geïnstitutionaliseerde samenlevingsvorm met alle vrijheid, risico’s en gevolgen van dien (zie: J. Du Mongh, I. Samoy en V. Allaerts, “Overzicht van rechtspraak (2000-2007): de feitelijke samenwoning”, T.Fam. 2008, p. 5, nr. 4).

4. Tijdens de bedoelde periode van 1,5 of 2,5 jaar legden de partijen als feitelijk samenwonende partners een welbepaald bestedingspatroon aan de dag, waarbij hun feitelijke gezin (met één kind van G.) diverse huishoudelijke en aanverwante schulden, kosten en lasten moest dragen. Als partners werd van de partijen verwacht dat zij, op basis van een tussen hen verondersteld solidariteitsgevoel, elk naar best vermogen en in verhouding tot hun (financiële) middelen en mogelijkheden bijdroegen in de dagelijkse kosten en behoeften van hun gezamenlijke huishouding.

Deze solidariteitsgedachte uitte zich aldus in een natuurlijke verbintenis tot bijdrage in de lasten van het huishouden, in verhouding tot de respectieve inkomsten of de in natura gepresteerde (huishoudelijke) taken. De partijen hebben vrijelijk gekozen op welke wijze zij de solidariteit binnen hun feitelijke gezin organiseerden. De lasten en dienovereenkomstige uitgaven die hun samenleven meebracht, werden door beide partners ad hoc geregeld, naargelang van de omstandigheden van het feitelijke samenleven.

Het is niet aangetoond dat G. niet naar best vermogen en in verhouding tot haar mogelijkheden en middelen, door de uitvoering van betalingen – andere dan die in het kader van de litigieuze verbouwingswerken – en taken heeft bijgedragen in de lasten van de feitelijke samenwoning. Evenmin is aangetoond dat de bijdragen van V., gelet op het consumptiepatroon van de partijen, de bedoelde solidariteit en hun affectieve relatie, de normale lasten van de feitelijke samenwoning hebben overschreden.

5. Het staat buiten discussie dat:

– de zolderruimte in de woning van V. in de context en de periode van feitelijke samenwoning van de partijen, werd ingericht (o.m.) om te dienen als slaapkamer voor de dochter van G., namelijk Charlotte;

– alle voorgelegde facturen voor een totaalbedrag van 15.135,10 euro betrekking hebben op de bedoelde werken;

– alle werken werden gefactureerd op naam van V., maar alle facturen en meer precies het totaalbedrag van 15.135,10 euro werd(en) betaald door G.

6. De voorliggende stukken en meer specifiek de omschrijving van de werken en de materialen op de facturen leren dat de litigieuze werken tot inrichting van de zolder in de woning van V. wel degelijk verbeteringswerken waren met een effectieve meerwaarde van de woning van V. tot gevolg. Dat deze werken (mede) tot doel hadden te voorzien in een (slaap)kamer voor de dochter Charlotte, neemt niet weg dat de zolderruimte ondertussen (al dan niet gedeeltelijk) werd geïsoleerd en van elektriciteit en veluxen werd voorzien. Dat V. geen inspraak had en/of geen zicht had op (de kostprijs van) deze werken, is ongeloofwaardig, aangezien (1) deze werken werden uitgevoerd in zijn woning, waar hij ook een slagerij uitbaat; (2) alle werken werden gefactureerd op zijn naam en (3) hij in februari 2010 ter zake verschillende attesten tot het verlaagde btw-tarief onderschreef.

Dat G. in deze verbeteringswerken en de eruit voorvloeiende meerwaarde heeft bijgedragen door betaling van alle bedoelde facturen is door de voorliggende stukken evenzeer aangetoond en trouwens als zodanig niet betwist.

7. Ter terechtzitting van 19 februari 2015 verklaart G. dat zij haar vordering(en) niet (langer) grondt op een leningsovereenkomst of art. 555 BW. De grondslag die G. (wel nog) inroept om deze in de context en de periode van feitelijke samenwoning door haar uitgegeven gelden na de relatiebreuk te recupereren, is het algemeen rechtsbeginsel van de verrijking zonder oorzaak.

Opdat verrijking zonder oorzaak met succes wordt ingeroepen, is vereist dat cumulatief aan vier voorwaarden is voldaan: (1) een verrijking van het ene vermogen; (2) een verarming van het andere vermogen; (3) een correlatief verband tussen deze verrijking en verarming en (4) het ontbreken van een geldige juridische oorzaak.

Daarbij sluiten het bestaan en de context van de affectieve samenlevingsrelatie tussen de verarmde en de verrijkte als zodanig de toepassing van de leer van de verrijking zonder oorzaak niet a priori uit.

M.b.t. de eerste drie voorwaarden oordeelt het hof dat de voorliggende stukken voldoende aantonen dat G. in het raam van verbouwings- en verbeteringswerken aan de eigen woning van V. materialen en werken betaalde, wat een verarming van haar vermogen uitmaakt die in correlatie staat met de verbetering, meerwaarde van de woning, wat een verrijking van zijn vermogen, als exclusieve eigenaar ervan, uitmaakt.

8. Rest nog de vierde voorwaarde: het ontbreken van een juridische oorzaak. De oorzaak kan gelegen zijn in een wettelijke verplichting, een overeenkomst, een onrechtmatige daad, een rechterlijke beslissing, de eigen wil van de verarmde of een natuurlijke verbintenis.

Dat in casu de oorzaak ligt in een wettelijke verplichting, een overeenkomst, een onrechtmatige daad of een rechterlijke beslissing wordt niet beweerd.

Blijven nog de wil van de verarmde of een natuurlijke verbintenis.

Zoals aangegeven, rust op beide samenwoners de natuurlijke verbintenis om bij te dragen in de lasten van de feitelijke samenwoning.

Enkel wanneer de uitgaven van de partners de normale lasten van de samenwoning overschrijden en zij dit kunnen bewijzen, kan er aanleiding zijn tot een verrijking zonder oorzaak (zie: I. Samoy, “Investeren in andermans woning bij feitelijke samenwoning – In welke mate verhindert de natuurlijke verbintenis tot bijdrage in de lasten van de feitelijke samenwoning een vergoedingsaanspraak?” in W. Pintens, J. Du Mongh en C. Declerck (eds.), Patrimonium 2008, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 279-285, nrs. 10-20).

In het licht van (1) de voorliggende stukken, (2) de feitelijke gegevens en (3) de voormelde overwegingen, oordeelt het hof dat G. afdoende aantoont dat de door haar gedane uitgaven en investeringen in het raam van de verbouwings- en verbeteringswerken aan de eigen woning van V. de normale lasten van de samenwoning overschreden, zodat zij niet kunnen kaderen in haar natuurlijke bijdrageverbintenis.

Daar deze uitgaven aanleiding gaven tot een verarming van haar vermogen en een correlatieve verrijking van zijn vermogen, hebben, voormelde redengeving onder rubriek IV.3-4 in acht genomen, (als zodanig verder) geen omgekeerde geldelijke en andere transacties van V. plaatsgevonden. Schenkingen zijn evenmin aan de orde. Daar G. geenszins uit vrijgevigheid handelde, vloeien de handelingen evenmin voort uit beslissingen (uitsluitend) in haar eigen belang en met inachtneming van een mogelijk risico van verarming genomen (Antwerpen 6 maart 2002, NJW 2002, 26; Bergen 25 oktober 1999, RTDF 2000, 84; Gent 24 november 2004, NJW 2005, 805; Bergen 24 mei 2005, JT 2005, 522). In die optiek ontbreekt hier een juridische oorzaak en is ook aan de vierde bedoelde voorwaarde voldaan.

9. G. beroept zich aldus terecht op de verrijking zonder oorzaak om zodoende een vergoeding te vorderen voor de door haar betaalde uitgaven in correlatie met een waardevermeerdering van de woning van V.

De voorliggende stukken en aangebrachte gegevens lichten het hof afdoende voor, zodat de gevorderde aanstelling van een deskundige om de bedoelde meerwaarde te bepalen nodig is, temeer daar G. geen begin van bewijs aanbrengt van een meerwaarde hoger dan het door haar betaalde bedrag van 15.135,10 euro.

In het licht van (1) de voorliggende stukken, (2) de aangebrachte gegevens en (3) de voormelde redengeving, begroot het hof de meerwaarde/de verrijking die V. aan G. dient te vergoeden, op heden (bij gebrek aan andere berekeningsmethoden) ex aequo et bono op een bedrag van 10.000 euro, vermeerderd met de gerechtelijke (verwijl)interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot de datum van de algehele betaling. De vordering van G. is in die mate gegrond.

...

10. Het hoger beroep slaagt deels en het beroepen vonnis moet in die zin worden hervormd.

...

Noot: 

• V. Allaerts, “Kroniek familiaal vermogensrecht: Samenwoningsrecht” in W. Pintens, J. Du Mongh en C. Declerck (eds.), Patrimonium 2009, Antwerpen, Intersentia, 2009, p. 69-72, nrs. 111-114;

• E. Goossens, “Kroniek familiaal vermogensrecht: Samenwoningsrecht” in W. Pintens, en C. Declerck (eds.), Patrimonium 2012, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 46-52, nrs. 71-76.

Edoch: Beëindiging van een feitelijke samenlevingsrelatie kan geen vermogensverschuivng zonder oorzaak veroorzaken. De betalingen tijdens de samenwoonst betreffen de uitvoering van een natuurlijke verbintenis (Hof van Beroep Antwerpen 21/01/2015, RW 2016-2017, 953).

M.V. t/ A.G.

1. Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 14 december 2011 alsmede het verzoekschrift neergelegd op 2 januari 2012, waarmee hoger beroep werd ingesteld.

Voorwerp van de vorderingen

2. Het hoger beroep ingesteld door de heer M.V. (hierna: “de man”) tegen het vonnis van 14 december 2011 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen strekt ertoe, bij hervorming van dit bestreden vonnis, de oorspronkelijke zwarigheden ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg te zeggen voor recht dat in het kader van de gerechtelijke vereffening-verdeling, zoals bevolen bij tussenvonnis van 10 juni 2009, volgende vergoeding dient te worden verrekend: een vergoeding van 58 622,50 euro in zijn voordeel en ten laste van mevrouw A.G. (hierna: “de vrouw”), die een vermogensverschuiving zonder oorzaak vormt van zijn vermogen naar het vermogen van de vrouw; ten slotte partijen opnieuw te verwijzen naar de notaris.

3. De vrouw concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

Feiten en retroacten

4. De man en de vrouw hadden een feitelijke samenlevingsrelatie in de periode 2003-2008. De procedure, c.q. de onderscheiden vorderingen van de man kaderen in de nasleep van deze relatiebreuk.

Op dagvaarding van de man werd de vereffening-verdeling bevolen bij tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 10 juni 2009 (dat geen voorwerp uitmaakt van het hoger beroep) en werd notaris H. aangesteld als notaris-vereffenaar.

Gelet op de zwarigheden van 26 november 2010 tegen de staat van vereffening van 17 mei 2010 en het navolgende advies van de notaris-vereffenaar van 15 april 2011 werd de zaak aanhangig gemaakt bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, ingevolge de neerlegging van voornoemde stukken door de notaris-vereffenaar.

De man vordert in essentie een terugbetaling van de vrouw ten belope van een bedrag van 58 622,50 euro. Dit bedrag betreft o.a. de inpandgeving van een levensverzekering, waarvoor de man een eenmalige premie zou hebben betaald van 26 500 euro, daterend van bij het begin van de relatie (juni 2003) – dit tot zekerheid voor de hypothecaire lening aangegaan door de vrouw – naast een bedrag van 4 400 euro voor de overname van een personenwagen door de vrouw; ten slotte vordert de man nog een bedrag van 27 722,50 euro uit hoofde van een aantal andere zgn. “niet dagdagelijkse” uitgaven, betaald door storting van zijn rekening naar de rekening van de vrouw.

Volgens de man betreft deze vordering uitgaven die de normale lasten van de feitelijke samenwoning overschrijden. Het zou handelen over bedragen bovenop de bedragen die hij betaald heeft (meer dan 50 000 euro volgens de man) in het kader van de samenleving. Samenvattend stelt de man dat het niet de bedoeling kan zijn dat hij, gespreid over de duur van de relatie, maandelijks ongeveer 1 700 euro zou hebben betaald; solidariteit in de feitelijke samenleving kent zijn financiële grenzen, aldus de man. De man voert aan dat het gaat om uitgaven uit hulpvaardigheid, die niet uit vrijgevigheid gebeurd zijn.

Deze vorderingen worden door de vrouw betwist.

In het hier bestreden vonnis werden alle vorderingen van de man afgewezen als ongegrond.

Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

Beoordeling

...

De grond van de zaak

6. In essentie baseert de man zich voor zijn vordering(en) op de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak.

7. Deze rechtsgrond wordt met een zekere argwaan onthaald in rechtspraak en rechtsleer, om welke reden deze dan ook slechts als ultiem (red)middel kan worden ingeroepen.

8. Zodra er een geldige oorzaak voorhanden is voor de verarming en bijgevolg een economische of zelfs loutere morele rechtvaardiging bestaat voor de vermogensverschuiving, moet de aanspraak van de aanleggende partij worden afgewezen.

De oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn of zelfs de eigen wil van de verarmde. In dat verband dient nog beklemtoond te worden dat wanneer de verarmde speculeerde om een aleatoir resultaat te bereiken – dat uiteindelijk dan niet werd bereikt of gerealiseerd – of handelde uit eigen belang (waardoor een derde eventueel onrechtstreeks bevoordeeld werd) de vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is (zie o.a. ook: H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, III, p. 54, nr. 40).

9. Men kan zich zelfs afvragen of de herstelvordering (actio de in rem verso) kan worden ingesteld in de rechtsverhouding tussen (gewezen) feitelijke samenlevers.

Het subsidiariteitsvereiste houdt in essentie immers in dat men op deze vordering geen beroep kan doen om de gevolgen van zijn eigen vergetelheid of nalatigheid te herstellen. Het criterium is niet of de verarmde over een alternatief en effectief middel beschikt, maar of hij hierover kon beschikken. Indien men ervoor kiest om, ter gelegenheid van het samenleven of minstens, ter gelegenheid van bepaalde vermogenstransfers, geen regeling te treffen op het vlak van terugbetaling van bepaalde investeringen of geldtransacties, kan men bezwaarlijk van de rechter verwachten om aan dit gegeven dat ofwel wijst op een bewuste keuze (de wetgever heeft immers voorzien in vermogensrechtelijke regeling voor gehuwden en in de mogelijkheid daartoe voor wettelijk samenwonenden) ofwel op een nalatigheid, nadien te remediëren. In de regel behartigt iedereen trouwens zijn eigen belangen.

In dat verband past een restrictieve interpretatie. Van (te) veel vermogensverschuivingen kan achteraf immers beweerd worden dat ze “onrechtvaardig” zijn. Best wordt vermeden dat dit leerstuk een eenvoudig middel wordt om kost wat kost de billijkheid en rechtvaardigheid te laten overheersen, zeker wanneer dit conflicteert met de (vermoede) wil van partijen of met door de wetgever genomen beleidskeuzes.

10. Naar het oordeel van het hof kan de rechtsgrond van de verrijking zonder oorzaak, zelfs los van de beschouwingen in vorig randnummer, geen soelaas bieden, aangezien de man handelde uit vrije wil, c.q. de bijdragen, waarvan de concrete en precieze bestemming trouwens ook ter betwisting staat (althans voor wat betreft de vorderingen ten bedrage van 4 400 euro – voor de beweerde financiering van de overname van een personenwagen door de vrouw – en ten bedrage van 27 722,50 euro, waarvan zelfs geen precieze finaliteit kan worden aangeduid door de man), in het kader van het samenleven heeft uitgevoerd.

10a. Specifiek voor wat de betaling van de premie voor de levensverzekering betreft, dient nog overwogen te worden dat:

– door de man geen exemplaar bijgebracht wordt van de bewuste levensverzekering, evenmin als van het contract van inpandgeving;

– niet is betwist dat de woning – waarvoor de vrouw een hypothecaire lening heeft aangegaan en ter gelegenheid waarvan de man een eenmalige premie betaalde voor een levensverzekering (zgn. tak 23-product) die als zekerheid zou dienen voor dit krediet – de bestemming gezinswoning had (gegeven het feit dat partijen aldaar ook effectief samengewoond hebben in de periode 2003-2008);

– de man kennelijk nooit enige specifieke vergoeding heeft betaald aan de vrouw voor zijn woongenot en kennelijk evenmin bijgedragen heeft in de betaling van de hypothecaire leningslasten;

– de betaling van een eenmalige premie (grondslag voor de verarming van de man) wel degelijk een oorzaak had, namelijk een contractuele verbintenis onderschreven door de man, aangezien uit de stukken blijkt dat de man zich bij notariële akte van 3 september 2003 verbonden had ten opzichte van de NV A.;

– er geen sprake is van een verrijking van de vrouw, aangezien de bedoelde geldtransfer niet aan de vrouw is ten goede gekomen, maar wel aan de verzekeraar, in de vorm van de eenmalige premiebetaling (zie betaling ten bedrage van 26.500 euro aan NV A. op 11 juni 2003);

– de inpandgeving uit haar aard slechts een zekerheidstelling betreft (tot waarborg van een hoofdschuld), waarbij in deze zaak ook niet aangetoond is dat er sprake is van effectieve aanspraken op de gestelde zekerheid door de bank (c.q. daadwerkelijke pandverzilvering), zodat de vraag rijst of de man (mede-)begunstigde van deze levensverzekering is.

10b. Voor wat de andere uitgaven betreft, moet worden opgemerkt dat:

– bij geen van de onderscheiden periodieke (en over verschillende jaren gespreide) stortingen door de man blijkbaar enig voorbehoud werd geformuleerd, in het vooruitzicht van een terugbetaling of verrekening;

– de eventuele ongelijkheid (die in deze zaak zelfs niet aangetoond is door de man) in de respectieve bijdragen in de lasten van de huishouding gevormd door de feitelijke samenwoning er niet noodzakelijk op wijst dat de bijdrageplicht van de financierende partner werd overschreden.

10c. Niet ten onrechte verwijst de vrouw naar de rechtsfiguur van de natuurlijke verbintenis. Naar het oordeel van het hof staat immers ook bij feitelijke samenlevers de solidariteitsgedachte centraal. Het stichten van een gezin, ook al opteert men bewust voor een niet-wettelijke regeling of organisatie van de gezinskern, genereert minstens en alleszins de morele plicht om bij te dragen in de behoeften van het dagelijks leven die voortvloeien uit de feitelijke samenleving. Vandaar dat de uitgaven die vrijwillig zijn gedaan tijdens het feitelijke samenleven ten behoeve van het samenwonen gelden als de uitvoering van een natuurlijke verbintenis, zodat latere vergoedingsaanspraken uitgesloten zijn. De vrijwillige nakoming van een natuurlijke verbintenis kan immers op grond van art. 1235, tweede lid BW geen aanleiding geven tot teruggave.

Door retroactief een deel van de uitgevoerde engagementen uit het veronderstelde geheel van gemaakte afspraken binnen het koppel te lichten, dreigt bovendien ook de consensus die tussen de samenlevers bestond ten tijde van het samenwonen nadien te worden aangetast.

11. De man, die ook niet zonder belang handelde (gelet op het feit dat hij jarenlang een bestendig partnerschap had met de vrouw en met haar trouwens ook samenwoonde), diende bijgevolg het risico in te calculeren dat met een louter feitelijk buitenhuwelijks samenleven gepaard gaat. Indien hij dit risico niet wilde nemen diende hij zich ofwel te onthouden deze betalingen uit te voeren, ofwel duidelijke afspraken tot bewijs ervan vast te leggen in een akte, wat hij evenwel niet gedaan heeft.

12. Het hoger beroep is ongegrond in alle onderdelen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 24/03/2017 - 13:28
Laatst aangepast op: vr, 24/03/2017 - 13:28

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.