-A +A

Feitelijke samenwonen behelst uitvoering van natuurlijke verbintenissen die geen aanleiding geven tot verrijking zonder oorzaak

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 20/05/2015

Een affectieve samenlevingsrelatie behelst het aangaan van een relatie en het stichten van een gezin met hieraan verbonden morele verpichingen om te voldoen in de dagelijkse behoeften van het gezin. De uitvoering van deze morele plicht is aldus de uitvoering van een natuurlijke verbintenis die de actio de in rem verso(devermogensverschuiving zonder oorzaak) uitsluit wegens de subsidiariteit van deze vordering

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
63
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

F.N. en NV F. t/ E.E., T.S. en T.T.

...

Voorwerp van de vorderingen

2. Het hoger beroep ingesteld door de h. N.F. (hierna ook: «de man») en de NV F., (beide tevens hierna genoemd «appellanten») tegen het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 16 september 2013, strekt ertoe, bij hervorming van dit bestreden vonnis, voor zoveel als nodig, met toepassing van art. 807 Ger.W., mevrouw E.E. (hierna ook «de vrouw»), de h. Steve T. en de h. Thierry T. (hierna ook genoemd de geïntimeerden) solidair, in solidum, minstens de ene bij gebrek aan de andere, te veroordelen tot betaling aan de man van de som van 57.169,70 euro, zijnde de helft van de in totaal ten voordele van geïntimeerden betaalde bedragen op grond van hypothecaire aflossingen en aanvullende kosten, (...) en tot betaling aan de tweede appellante van de som van 34.028,67 euro, zijnde de kosten verbonden aan de handlichting van de hypotheekverstrekking in het voordeel van geïntimeerden, beide bedragen te vermeerderen met de verwijlinteresten sedert 23 september 2011, de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding.

3. De geïntimeerden concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vragen de bevestiging van het bestreden vonnis.

...

Feiten en antecendenten

4. Eerste appellant en eerste geïntimeerde (die de moeder is van tweede en derde geïntimeerden) hadden een feitelijke samenlevingsrelatie in de periode 2002-2008. Zij woonden destijds samen in een onroerend goed, gelegen te Antwerpen, dat in eigendom toebehoorde aan de geïntimeerden (respectievelijk voor 70% aan eerste geïntimeerde en telkens 15% in volle eigendom voor tweede en derde geïntimeerden).

Ter gelegenheid van een financiering bij de bank gaf tweede appellante, een handelsvennootschap waarvan eerste appellant de organieke vertegenwoordiger (afgevaardigde bestuurder) is, een haar toebehorend onroerend goed (gelegen te Edegem) in hypotheek, tot zekerheid van dit krediet. Volgens appellanten zouden geïntimeerden de aankoop van hun onroerend goed mede te danken hebben aan de door tweede appellante onderschreven verbintenissen.

De procedure, c.q. de onderscheiden vorderingen van appellanten kaderen in de nasleep van de relatiebreuk.

Appellanten vorderen thans terugbetaling van geïntimeerden van een aantal geldsommen.

Meer bepaald betreft het hier volgende bedragen die volgens eerste appellant door hem zijn betaald:

– hypothecaire aflossingen: 100.332,50 euro – Antwerpse Waterwerken: 1.886,11 euro – Electrabel: 7.842,75 euro – Brandpolis: 4.278,05 euro Totaal: 114.339,41 euro
Hiervan vordert eerste appellant de helft terug, zijnde 57.169,70 euro.

Daarnaast vordert tweede appellante de door haar betaalde kosten (ten bedrage van 34.028,67 euro) terug, n.a.v. de voorwaarden die de bank gesteld heeft voor de handlichting van de hypotheek.

Appellanten beroepen zich voor hun onderscheiden vorderingen op een leningsovereenkomst, de borgtocht en, subsidiair, blijkbaar ook op de verrijking zonder oorzaak.

Deze vorderingen worden door geïntimeerden betwist.

In het hier bestreden vonnis werden de vorderingen afgewezen als ongegrond.

Beoordeling

...

De grond van de zaak

Het principaal hoger beroep

...

8. Appellanten baseren zich, voor hun eis tot terugbetaling door geïntimeerden van de betalingen verricht door eerste appellant ter aflossing van de hypothecaire schuld en van de kosten gedragen door tweede appellante voor de hypotheekverstrekking, op de rechtsfiguur van de verbruiklening/eenvoudige lening, volgens artt. 1892 e.v. BW.

Blijkbaar grondt tweede appellante haar vordering tegen geïntimeerden ook op de borgtocht: zij voert aan dat zij beschikt over een terugvorderingsrecht ex art. 1216 BW, voor de totaliteit van de uitgevoerde betalingen.

Ten slotte beroepen appellanten zich nog, zij het impliciet, op de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak, in het bijzonder voor wat betreft de zgn. «aanvullende betalingen», die volgens appellanten de normale lasten van het feitelijk samenleven zouden overschrijden, zodat geïntimeerden gehouden zouden zijn tot terugbetaling van de helft van deze bedragen.

9. De rechtsgrond (verbruik)lening

Wie de terugbetaling van een lening vordert, moet het bewijs leveren van de overhandiging van de gelden én van de terugbetalingsverbintenis. Het betreffen hier cumulatieve (bewijs)vereisten.

9a. Appellanten falen alleszins in het bewijs van het bestaan van een contractuele terugbetalingsverbintenis die op de geïntimeerden zou rusten. Dit bewijs moet worden geleverd door middel van een (onderhandse of authentieke) akte ex art. 1341 BW, gelet op de waarde van de betwiste zaak (i.e. de betwiste leningsschuld).

Appellanten brengen geen dienende bewijsstukken bij. Tevergeefs menen appellanten zich van hun bewijslast te kwijten onder verwijzing naar de leningsakten. Deze akten betreffen vanzelfsprekend de rechtsverhouding tussen geïntimeerden en de bank, maar niet de beweerde rechtsverhouding (i.e. de beweerde leningsovereenkomst) tussen appellanten en geïntimeerden, die appellanten als rechtsgrond voor terugbetaling aanzien.

9b. Daarnaast dient vastgesteld te worden dat er ook geen begin van bewijs door geschrift voorligt met toepassing van art. 1347 BW, dat in voorkomend geval zou kunnen worden aangevuld met alle middelen van recht, vermoedens inbegrepen.

Een morele onmogelijkheid tot het opstellen van een geschrift wordt niet aangevoerd.

9c. Appellanten falen in hun bewijslast: deze rechtsgrond kan de vordering van appellanten niet schragen.

10. Nopens de rechtsgrond «borgtocht»

Appellanten voeren aan dat ook de kwalificatie borgtocht van toepassing zou zijn, in het kader van de verbintenissen aangegaan door tweede appellante volgens de aktes van hypothecair krediet van 25 september 2002 en 3 juni 2004. Dit zou volgens appellanten een terugvorderingsrecht opleveren op grond van art. 1216 BW, voor de totaliteit der uitgevoerde betalingen. Appellanten zouden slechts de hoedanigheid van borg hebben, aangezien geïntimeerden (exclusieve eigenaars van het onroerend goed, waarin het feitelijk gezin destijds was gehuisvest) in beginsel gehouden zijn tot de volledige schuld.

Deze argumentatie kan door het hof niet worden bijgevallen. Tweede appellante heeft geen persoonlijke zekerheid gesteld. Zij is slechts te beschouwen als zakelijke borg (derde-hypotheekgever), die propter rem is gehouden. Zij heeft immers enkel een zakelijke zekerheid gevestigd, door haar onroerend goed in hypotheek te geven, als waarborg voor een financiering aangegaan door geïntimeerden. Hieruit volgt dat, in geval van wanbetaling door de debiteur, enkel het met een zakelijke zekerheid bezwaarde goed kan worden uitgewonnen, zonder dat de zakelijke borg persoonlijk voor de schuld van de hoofdschuldenaar kan worden aangesproken. De zakelijke borg wordt dan ook geen persoonlijke debiteur van de schuldeiser ten belope van de waarde van het tot zekerheid strekkende goed wanneer dit goed zou verdwijnen uit zijn vermogen (zie: E. Dirix en R. De Corte, Beginselen van Belgisch Privaatrecht, XII, Zekerheidsrechten, Mechelen, Kluwer, 2006, nrs. 15 en 445).

Hoewel het Hof nog wil aannemen dat tweede appellante als zakelijke borg, in voorkomend geval, een principieel verhaalsrecht zou hebben, analoog aan het regresrecht van de borg zoals neergelegd in artt. 2028 en 2029 BW (vgl. met Cass. 22 december 2006, RW 2007-08, 275), veronderstelt zulks wel dat zij uitgewonnen zou zijn. Dit is hier echter niet het geval (althans dit blijkt nergens uit en dit wordt overigens ook niet aangevoerd).

Voorts blijkt uit de stukken dat de som die tweede appellante thans eist van geïntimeerden niet alleen is terug te brengen op de kosten voor handlichting (c.q. de doorhaling van de hypothecaire inschrijving) die dienden te worden gemaakt ter gelegenheid van de verkoop van het bezwaarde onroerend goed door tweede appellante in april 2012 (terwijl de relatie evenwel reeds werd beëindigd in 2008), waarbij de koper had bedongen dat hij zou kopen «vrij en onbelast» – maar kennelijk ook betrekking heeft op de aanzuivering van onderscheiden openstaande rekeningen op naam van tweede appellante.

Uit niets blijkt dat tweede appellante enig aandeel in de hoofdschuld (door geïntimeerden onderschreven bij de bank) heeft voldaan, zodat enige verwijzing naar een regresrecht van alle relevantie is ontdaan.

Het spreekt voor zich dat de kwalificatie van borgtocht zinledig is voor wat betreft eerste appellant, die immers geen hypotheekgever was (aangezien hij zelf trouwens ook geen lenings- of financieringsschuld bij de bank had onderschreven).

11. De verrijking zonder oorzaak

Daarnaast baseren appellanten zich nog op de verrijking zonder oorzaak.

Appellanten, in het bijzonder eerste appellant, voert in dat verband o.m. aan dat de hoegrootheid van zijn persoonlijke uitgaven bijzonder hoog was en noodzakelijkerwijze een herstel vereist in zijn voordeel, door middel van terugbetaling door geïntimeerden. Eerste appellant voegt hier nog aan toe dat hij 50% van de betaalde hypothecaire aflossingen voor zijn rekening neemt, als huur- of woonvergoeding.

11a. De rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak wordt met een zekere argwaan onthaald in rechtspraak en rechtsleer, om welke reden deze ook slechts als ultiem (red)middel kan worden ingeroepen. De verrijkingsvordering heeft een vangnetfunctie. Zij heeft in essentie een achtergesteld karakter en geldt als ultimum remedium, zodat deze vordering niet in concurrentie kan treden met (vorderingen gebaseerd op) andere rechtsgronden. Omdat de ongerechtvaardigde verrijking het potentieel in zich draagt om de hele rechtsorde onderuit te halen en rechtsonzekerheid in de hand werkt, past een restrictieve interpretatie. Van (te) veel vermogensverschuivingen kan ex post immers beweerd worden dat ze «onrechtvaardig» zijn.

Wie een verrijkingsvordering instelt, moet krachtens art. 1315 BW het bewijs leveren dat de voorwaarden hiertoe zijn vervuld. Dit bewijs kan weliswaar worden geleverd met alle middelen van recht, aangezien het loutere (rechts)feiten betreft (RPDB, vo Quasi-contrat, p. 31, nr. 168).

Zodra er een geldige oorzaak voorhanden is voor de verarming en bijgevolg een economische of zelfs loutere morele rechtvaardiging bestaat voor de vermogensverschuiving, moet de aanspraak van de aanleggende partij worden afgewezen. De oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn of zelfs de eigen wil van de verarmde. In dat verband dient nog beklemtoond te worden dat wanneer de verarmde speculeerde om een aleatoir resultaat te bereiken – dat uiteindelijk dan niet werd bereikt of gerealiseerd – of handelde uit eigenbelang, de vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is (zie o.a. ook: H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, III, Brussel, Bruylant, 1967, p. 54, nr. 40).

Men kan zich zelfs afvragen of de verrijkingsvordering (actio de in rem verso) kan worden ingesteld in de rechtsverhouding tussen (gewezen) feitelijke samenlevers. Het subsidiariteitsvereiste houdt in essentie immers in dat men op deze vordering geen beroep kan doen om de gevolgen van zijn eigen vergetelheid of nalatigheid te herstellen. Het criterium is niet of de verarmde over een alternatief en effectief middel beschikt, maar of hij hierover kon beschikken.

Het gedrag van de «verarmde» wordt hierbij onder de loep genomen. Indien men ervoor kiest om, ter gelegenheid van het samenleven of minstens, ter gelegenheid van bepaalde vermogenstransfers, geen regeling te treffen op het vlak van terugbetaling van bepaalde investeringen of geldtransacties, kan men bezwaarlijk van de rechter verwachten om aan dit gegeven dat ofwel wijst op een bewuste keuze (de wetgever heeft immers voorzien in een vermogensrechtelijke regeling voor gehuwden en in de mogelijkheid daartoe voor wettelijk samenwonenden) ofwel op een nalatigheid, nadien te remediëren. In de regel is iedereen trouwens de behartiger van zijn eigen belangen.

Naar het oordeel van het hof kan ook deze rechtsgrond geen soelaas bieden, aangezien appellanten handelden uit vrije wil. In dat verband dient te worden opgemerkt dat de woning in kwestie de bestemming gezinswoning had, omdat eerste appellant en eerste geïntimeerde hier effectief samengewoond hebben tijdens de duur van de relatie. Zeker eerste appellant, die duidelijk niet belangeloos handelde, diende het risico in te calculeren dat met een louter feitelijk buitenhuwelijks samenleven gepaard gaat, waar in geval van een relatiebreuk geen vergoedingsregels bestaan, zoals in het huwelijksvermogensrecht. Indien hij dit risico niet wilde nemen, diende hij zich ofwel ervan te onthouden deze betalingen uit te voeren, ofwel duidelijke afspraken vast te leggen in een akte, wat hij evenwel niet gedaan heeft. Wat de kosten gemaakt door tweede appellante betreft, is het duidelijk dat eerste appellant, die, zoals vermeld, de gedelegeerd bestuurder is van tweede appellante, deze rechtspersoon voor zijn kar heeft gespannen en het vennootschapsvermogen als onderpand heeft laten functioneren (voor een krediet aangegaan door zijn toenmalige partner en haar kinderen), zonder dat er enig aanwijsbaar vennootschapsbelang voorhanden was. Er was mogelijk zelfs een strijdigheid van belangen tussen appellanten onderling, maar het hof is uiteraard niet geadieerd door een vennootschapsrechtelijk geschil.

Ten overvloede zij nog opgemerkt dat:

– bij geen van de onderscheiden periodieke betalingen door appellanten blijkbaar enig voorbehoud werd geformuleerd, in het vooruitzicht van een terugbetaling of verrekening

– de eventuele ongelijkheid (die in deze zaak zelfs niet aangetoond is) in de respectieve bijdragen in de lasten van de huishouding gevormd door de feitelijke samenwoning er niet noodzakelijk op wijst dat de bijdrageplicht van de financierende partner werd overschreden.

11b. Niet ten onrechte alluderen geïntimeerden op de rechtsfiguur van de natuurlijke verbintenis. Naar het oordeel van het hof staat immers ook bij feitelijke samenlevers de solidariteitsgedachte centraal. Het aangaan van een relatie of het stichten van een gezin, ook al opteert men bewust voor een niet-wettelijke regeling of organisatie van de relatie of gezinskern, genereert minstens en alleszins de morele plicht om bij te dragen in de behoeften van het dagelijks leven die voortvloeien uit de feitelijke samenleving. Vandaar dat de uitgaven die vrijwillig zijn gedaan tijdens het feitelijk samenleven ten behoeve van het samenwonen gelden als uitvoering van een natuurlijke verbintenis, zodat latere vergoedingsaanspraken uitgesloten zijn. De vrijwillige nakoming van een natuurlijke verbintenis kan immers op grond van art. 1235, tweede lid BW geen aanleiding geven tot teruggave.

Het voorhanden zijn van authentieke leningsakten (waarbij dient opgemerkt te worden dat de lening of financiering een transactie was die enkel werd gesloten tussen geïntimeerden en de bank) staat een natuurlijke verbintenis van appellanten, in het bijzonder van eerste appellant, niet in de weg. Het is precies door de litigieuze betalingen (waarvan thans voor een gedeelte terugbetaling wordt gevorderd) dat de natuurlijke verbintenis omgezet is, zodat appellanten deze omzetting ten onrechte in twijfel trekken.

Door retroactief een deel van de uitgevoerde engagementen uit het veronderstelde geheel van gemaakte afspraken binnen het koppel te lichten, dreigt bovendien ook de consensus die tussen de samenlevers bestond ten tijde van het samenwonen nadien te worden aangetast.

Dat tweede en derde geïntimeerden (die, het zij herhaald, de kinderen zijn van eerste geïntimeerde) mee genoten hebben van de betalingen verricht door appellanten, eerste appellant in het bijzonder, is met het bovenstaande zeker niet onverenigbaar. Zij maakten immers deel uit van het feitelijk gezin, dat destijds onder hetzelfde dak woonde.

12. Het hoger beroep is ongegrond in alle onderdelen.

...

Noot: 

Onder deze gepubliceerde rechtspraak in het RW: Lynn De Schrijver, Ongerechtvaardigde verrijking in een affectieve context: samenwonenden, waak over uw eigen belangen!

Beëindiging van een feitelijke samenlevingsrelatie kan geen vermogensverschuivng zonder oorzaak veroorzaken. De betalingen tijdens de samenwoonst betreffen de uitvoering van een natuurlijke verbintenis (Hof van Beroep Antwerpen 21/01/2015, RW 2016-2017, 953).

M.V. t/ A.G.

1. Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 14 december 2011 alsmede het verzoekschrift neergelegd op 2 januari 2012, waarmee hoger beroep werd ingesteld.

Voorwerp van de vorderingen

2. Het hoger beroep ingesteld door de heer M.V. (hierna: “de man”) tegen het vonnis van 14 december 2011 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen strekt ertoe, bij hervorming van dit bestreden vonnis, de oorspronkelijke zwarigheden ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg te zeggen voor recht dat in het kader van de gerechtelijke vereffening-verdeling, zoals bevolen bij tussenvonnis van 10 juni 2009, volgende vergoeding dient te worden verrekend: een vergoeding van 58 622,50 euro in zijn voordeel en ten laste van mevrouw A.G. (hierna: “de vrouw”), die een vermogensverschuiving zonder oorzaak vormt van zijn vermogen naar het vermogen van de vrouw; ten slotte partijen opnieuw te verwijzen naar de notaris.

3. De vrouw concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

Feiten en retroacten

4. De man en de vrouw hadden een feitelijke samenlevingsrelatie in de periode 2003-2008. De procedure, c.q. de onderscheiden vorderingen van de man kaderen in de nasleep van deze relatiebreuk.

Op dagvaarding van de man werd de vereffening-verdeling bevolen bij tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 10 juni 2009 (dat geen voorwerp uitmaakt van het hoger beroep) en werd notaris H. aangesteld als notaris-vereffenaar.

Gelet op de zwarigheden van 26 november 2010 tegen de staat van vereffening van 17 mei 2010 en het navolgende advies van de notaris-vereffenaar van 15 april 2011 werd de zaak aanhangig gemaakt bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, ingevolge de neerlegging van voornoemde stukken door de notaris-vereffenaar.

De man vordert in essentie een terugbetaling van de vrouw ten belope van een bedrag van 58 622,50 euro. Dit bedrag betreft o.a. de inpandgeving van een levensverzekering, waarvoor de man een eenmalige premie zou hebben betaald van 26 500 euro, daterend van bij het begin van de relatie (juni 2003) – dit tot zekerheid voor de hypothecaire lening aangegaan door de vrouw – naast een bedrag van 4 400 euro voor de overname van een personenwagen door de vrouw; ten slotte vordert de man nog een bedrag van 27 722,50 euro uit hoofde van een aantal andere zgn. “niet dagdagelijkse” uitgaven, betaald door storting van zijn rekening naar de rekening van de vrouw.

Volgens de man betreft deze vordering uitgaven die de normale lasten van de feitelijke samenwoning overschrijden. Het zou handelen over bedragen bovenop de bedragen die hij betaald heeft (meer dan 50 000 euro volgens de man) in het kader van de samenleving. Samenvattend stelt de man dat het niet de bedoeling kan zijn dat hij, gespreid over de duur van de relatie, maandelijks ongeveer 1 700 euro zou hebben betaald; solidariteit in de feitelijke samenleving kent zijn financiële grenzen, aldus de man. De man voert aan dat het gaat om uitgaven uit hulpvaardigheid, die niet uit vrijgevigheid gebeurd zijn.

Deze vorderingen worden door de vrouw betwist.

In het hier bestreden vonnis werden alle vorderingen van de man afgewezen als ongegrond.

Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

Beoordeling

...

De grond van de zaak

6. In essentie baseert de man zich voor zijn vordering(en) op de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak.

7. Deze rechtsgrond wordt met een zekere argwaan onthaald in rechtspraak en rechtsleer, om welke reden deze dan ook slechts als ultiem (red)middel kan worden ingeroepen.

8. Zodra er een geldige oorzaak voorhanden is voor de verarming en bijgevolg een economische of zelfs loutere morele rechtvaardiging bestaat voor de vermogensverschuiving, moet de aanspraak van de aanleggende partij worden afgewezen.

De oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn of zelfs de eigen wil van de verarmde. In dat verband dient nog beklemtoond te worden dat wanneer de verarmde speculeerde om een aleatoir resultaat te bereiken – dat uiteindelijk dan niet werd bereikt of gerealiseerd – of handelde uit eigen belang (waardoor een derde eventueel onrechtstreeks bevoordeeld werd) de vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is (zie o.a. ook: H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, III, p. 54, nr. 40).

9. Men kan zich zelfs afvragen of de herstelvordering (actio de in rem verso) kan worden ingesteld in de rechtsverhouding tussen (gewezen) feitelijke samenlevers.

Het subsidiariteitsvereiste houdt in essentie immers in dat men op deze vordering geen beroep kan doen om de gevolgen van zijn eigen vergetelheid of nalatigheid te herstellen. Het criterium is niet of de verarmde over een alternatief en effectief middel beschikt, maar of hij hierover kon beschikken. Indien men ervoor kiest om, ter gelegenheid van het samenleven of minstens, ter gelegenheid van bepaalde vermogenstransfers, geen regeling te treffen op het vlak van terugbetaling van bepaalde investeringen of geldtransacties, kan men bezwaarlijk van de rechter verwachten om aan dit gegeven dat ofwel wijst op een bewuste keuze (de wetgever heeft immers voorzien in vermogensrechtelijke regeling voor gehuwden en in de mogelijkheid daartoe voor wettelijk samenwonenden) ofwel op een nalatigheid, nadien te remediëren. In de regel behartigt iedereen trouwens zijn eigen belangen.

In dat verband past een restrictieve interpretatie. Van (te) veel vermogensverschuivingen kan achteraf immers beweerd worden dat ze “onrechtvaardig” zijn. Best wordt vermeden dat dit leerstuk een eenvoudig middel wordt om kost wat kost de billijkheid en rechtvaardigheid te laten overheersen, zeker wanneer dit conflicteert met de (vermoede) wil van partijen of met door de wetgever genomen beleidskeuzes.

10. Naar het oordeel van het hof kan de rechtsgrond van de verrijking zonder oorzaak, zelfs los van de beschouwingen in vorig randnummer, geen soelaas bieden, aangezien de man handelde uit vrije wil, c.q. de bijdragen, waarvan de concrete en precieze bestemming trouwens ook ter betwisting staat (althans voor wat betreft de vorderingen ten bedrage van 4 400 euro – voor de beweerde financiering van de overname van een personenwagen door de vrouw – en ten bedrage van 27 722,50 euro, waarvan zelfs geen precieze finaliteit kan worden aangeduid door de man), in het kader van het samenleven heeft uitgevoerd.

10a. Specifiek voor wat de betaling van de premie voor de levensverzekering betreft, dient nog overwogen te worden dat:

– door de man geen exemplaar bijgebracht wordt van de bewuste levensverzekering, evenmin als van het contract van inpandgeving;

– niet is betwist dat de woning – waarvoor de vrouw een hypothecaire lening heeft aangegaan en ter gelegenheid waarvan de man een eenmalige premie betaalde voor een levensverzekering (zgn. tak 23-product) die als zekerheid zou dienen voor dit krediet – de bestemming gezinswoning had (gegeven het feit dat partijen aldaar ook effectief samengewoond hebben in de periode 2003-2008);

– de man kennelijk nooit enige specifieke vergoeding heeft betaald aan de vrouw voor zijn woongenot en kennelijk evenmin bijgedragen heeft in de betaling van de hypothecaire leningslasten;

– de betaling van een eenmalige premie (grondslag voor de verarming van de man) wel degelijk een oorzaak had, namelijk een contractuele verbintenis onderschreven door de man, aangezien uit de stukken blijkt dat de man zich bij notariële akte van 3 september 2003 verbonden had ten opzichte van de NV A.;

– er geen sprake is van een verrijking van de vrouw, aangezien de bedoelde geldtransfer niet aan de vrouw is ten goede gekomen, maar wel aan de verzekeraar, in de vorm van de eenmalige premiebetaling (zie betaling ten bedrage van 26.500 euro aan NV A. op 11 juni 2003);

– de inpandgeving uit haar aard slechts een zekerheidstelling betreft (tot waarborg van een hoofdschuld), waarbij in deze zaak ook niet aangetoond is dat er sprake is van effectieve aanspraken op de gestelde zekerheid door de bank (c.q. daadwerkelijke pandverzilvering), zodat de vraag rijst of de man (mede-)begunstigde van deze levensverzekering is.

10b. Voor wat de andere uitgaven betreft, moet worden opgemerkt dat:

– bij geen van de onderscheiden periodieke (en over verschillende jaren gespreide) stortingen door de man blijkbaar enig voorbehoud werd geformuleerd, in het vooruitzicht van een terugbetaling of verrekening;

– de eventuele ongelijkheid (die in deze zaak zelfs niet aangetoond is door de man) in de respectieve bijdragen in de lasten van de huishouding gevormd door de feitelijke samenwoning er niet noodzakelijk op wijst dat de bijdrageplicht van de financierende partner werd overschreden.

10c. Niet ten onrechte verwijst de vrouw naar de rechtsfiguur van de natuurlijke verbintenis. Naar het oordeel van het hof staat immers ook bij feitelijke samenlevers de solidariteitsgedachte centraal. Het stichten van een gezin, ook al opteert men bewust voor een niet-wettelijke regeling of organisatie van de gezinskern, genereert minstens en alleszins de morele plicht om bij te dragen in de behoeften van het dagelijks leven die voortvloeien uit de feitelijke samenleving. Vandaar dat de uitgaven die vrijwillig zijn gedaan tijdens het feitelijke samenleven ten behoeve van het samenwonen gelden als de uitvoering van een natuurlijke verbintenis, zodat latere vergoedingsaanspraken uitgesloten zijn. De vrijwillige nakoming van een natuurlijke verbintenis kan immers op grond van art. 1235, tweede lid BW geen aanleiding geven tot teruggave.

Door retroactief een deel van de uitgevoerde engagementen uit het veronderstelde geheel van gemaakte afspraken binnen het koppel te lichten, dreigt bovendien ook de consensus die tussen de samenlevers bestond ten tijde van het samenwonen nadien te worden aangetast.

11. De man, die ook niet zonder belang handelde (gelet op het feit dat hij jarenlang een bestendig partnerschap had met de vrouw en met haar trouwens ook samenwoonde), diende bijgevolg het risico in te calculeren dat met een louter feitelijk buitenhuwelijks samenleven gepaard gaat. Indien hij dit risico niet wilde nemen diende hij zich ofwel te onthouden deze betalingen uit te voeren, ofwel duidelijke afspraken tot bewijs ervan vast te leggen in een akte, wat hij evenwel niet gedaan heeft.

12. Het hoger beroep is ongegrond in alle onderdelen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 03/09/2017 - 12:48
Laatst aangepast op: zo, 03/09/2017 - 12:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.