-A +A

Familierechtbank bevoegd om te oordelen aan wie kinderbijslag dient betaald

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arrondissementsrechtbank
Plaats van uitspraak: West-Vlaanderen
Datum van de uitspraak: 
vri, 20/10/2017

Overeenkomstig art. 572bis, 14o Ger.W. neemt de familierechtbank (en niet de arbeidsrecht) kennis van het verzet tegen de uitbetaling van de gezinsbijslag aan de bijslagtrekkende bedoeld in art. 69, § 3 van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1394
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrondissementsrechtbank West-Vlaanderen

20 oktober 2017

Openbaar ministerie: de h. Florens

E.D. t/ VZW Kinderbijslagfonds S.

1. Procedure

Bij vonnis van 28 juni 2017 heeft de Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk, de zaak verwezen naar de arrondissementsrechtbank West-Vlaanderen overeenkomstig art. 640 Ger.W.

...

2. Voorwerp van de betwisting

Op 20 april 2017 legde M.S., in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de persoon en de goederen van E.D., een verzoekschrift neer ter griffie van de Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk, strekkende tot verzet tegen uitbetaling van kinderbijslag aan de vader D.D., met toepassing van art. 69, § 3 Kinderbijslagwet. In haar verzoekschrift vroeg eiseres q.q. aan de arbeidsrechtbank om het verzoek/verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat het kinderbijslagfonds S. de kinderbijslag voor E.D. dient uit te betalen in handen van de bijslagtrekkende E.D., vertegenwoordigd door mr. M.S., bewindvoerder, op de beheersrekening van de beschermde persoon.

Bij brief van 30 mei 2017, ontvangen ter griffie op 2 juni 2016, deelde Kinderbijslagfonds S. aan de arbeidsrechtbank mede dat zij niet aanwezig zou zijn ter zitting en dat de procedure van verzet tegen de uitbetaling van de kinderbijslag diende te gebeuren bij de familierechtbank.

In haar verwijzingsvonnis van 28 juni 2017 oordeelde de arbeidsrechtbank dat er minstens sprake is van een betwistbare bevoegdheid van de rechtbank.

Toen eiseres q.q. verstek en vonnis vorderde en verweerster niet verscheen op de openbare terechtzitting van 14 juni 2017, oordeelde de arbeidsrechtbank dat zij ambtshalve een middel diende aan te voeren over haar onbevoegdheid en verwees zij de zaak overeenkomstig art. 640 Ger.W. naar de arrondissementsrechtbank.

3. Beoordeling door de arrondissementsrechtbank

Bij de beoordeling van de bevoegdheid moet worden uitgegaan van de vordering in de bewoordingen waarin ze door de eiser is gesteld in de gedinginleidende akte (zie o.m.: Cass. 8 september 1978, Arr.Cass. 1978-79, 26; Cass. 19 december 1985, Arr.Cass. 1985-86, 589; Cass. 21 oktober 1996, Arr.Cass. 1996, 946; B. Maes, Inleiding tot het Burgerlijk Procesrecht, Brugge, die Keure, 2012, 79, zie ook: Cass. 22 februari 2013, Pas. 2013, 474; Cass. 5 november 2012, JLMB 2013, 1302; Cass. 13 juni 2003, Arr.Cass. 2003, 1380; geciteerd door S. Rutten en F. Dupon, «Overzicht van rechtspraak, De bevoegdheid» (2001-2013), TPR 2014, p. 1873-1876).

In haar verzoekschrift baseert eiseres q.q. zich op art. 69, § 3 van de Algemene Kinderbijslagwet. In dat artikel wordt art. 572bis, 14o Ger.W. aangehaald voor het aantekenen van verzet tegen de betaling van de kinderbijslag aan een bepaalde in de wet genoemde persoon.

Overeenkomstig art. 572bis, 14o Ger.W. neemt de familierechtbank kennis van het verzet tegen de uitbetaling van de gezinsbijslag aan de bijslagtrekkende bedoeld in art. 69, § 3 van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939.

De arrondissementsrechtbank oordeelt dat de verwijzende rechter terecht getwijfeld heeft aan zijn bevoegdheid. De arrondissementsrechtbank is van oordeel dat de zaak verwezen moet worden naar de familierechtbank van de rechtbank van eerste aanleg.

Op het ogenblik van de inleiding van de vordering voor de arbeidsrechtbank had de beschermde persoon haar woon- en verblijfplaats in Anzegem, zoals blijkt uit het getuigschrift van woonplaats, afgeleverd op 14 april 2017.

Overeenkomstig art. 628, 3° Ger.W. oordeelt de Arrondissementsrechtbank dat de familierechtbank van de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, territoriaal bevoegd is.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 24/04/2018 - 00:01
Laatst aangepast op: do, 10/05/2018 - 23:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.