-A +A

Faillissementspauliana toepassingsvoorwaarden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Kortrijk
Datum van de uitspraak: 
woe, 12/10/2016

Art. 20 Faillissementswet luidt: “Handelingen of betalingen verricht met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers kunnen niet worden tegengeworpen onverschillig op welke datum zij hebben plaatsgehad.”

Art. 20 Faillissementswet vertaalt de gemeenrechtelijke actio pauliana van art. 1167 BW naar het faillissementsrecht.

De voorwaarden voor de toepassing van art. 20 Faillissementswet zijn in huidige zaak voldaan, namelijk de anterioriteitsvoorwaarde, de kwade trouw van de gefailleerde, de benadeling van de massa en de kwade trouw van de wederpartij van de gefailleerde.

De faillissementspauliana kan enkel worden ingesteld door de curator in naam van de massa, die een onverdeeldheid vormt. Volgens de meerderheidsopvatting volstaat het dat er tot de massa één schuldvordering behoort die minstens in principe bestond vór de aangevochten handeling.

Om de kwade trouw van de gefailleerde te bewijzen, volstaat het aan te tonen dat de handeling abnormaal was en dat de gefailleerde bij de aangevochten transactie wist dat de belangen van de schuldeisers zouden worden geschaad.

Art. 263 W.Venn. bepaalt: “De zaakvoerders zijn, hetzij jegens de vennootschap, hetzij jegens derden, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van overtreding van de bepalingen van dit wetboek of van de statuten van de vennootschap.

Art. 262 W.Venn. luidt: “De zaakvoerders zijn overeenkomstig het gemeen recht verantwoordelijk voor de vervulling van de hun opgedragen taak en aansprakelijk voor de tekortkomingen in hun bestuur.

Een zaakvoerder die het materieel vast actief van de vennootschap verkoopt aan een prijs in wanverhouding tot de waarde van de goederen, aan een verbonden/verwante vennootschap, zonder verantwoording van de prijs, handelt kennelijk niet zoals een normaal zorgvuldige en voorzichtige zaakvoerder, geplaatst in dezelfde omstandigheden, zou handelen.

De fout in de zin van art. 1382 BW, zijnde een verplichting naar gemeen recht (art 262 Venn. W.), is aldus bewezen.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1107
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Faillissement bvba B.C. t/ bvba S.V. e.a.

...

4. Beoordeling

A. Art. 20 Faillissementswet

4.1. Uit de door de partijen geschetste feiten en gegevens en de neergelegde stukken blijkt het volgende:

– het materieel vast actief van de bvba B.C. wordt op 30 juni 2013 bepaald op een netto boekhoudkundige waarde van 147.704,19 euro en dit met het oog op de invereffeningstelling en in discontinuïteitsperspectief (zie verslag zaakvoerder en verslag art. 181 W. Venn. van bedrijfsrevisor D.);

– de bvba B.C. stelt op 1 augustus 2013 twee facturen op gericht aan de bvba S.V. voor de “verkoop van machines en materiaal” voor een bedrag van 1.239 euro, exclusief btw en voor de “verkoop van meubilair” voor een bedrag van 415 euro, exclusief btw. Bij deze facturen zouden de aankoopfacturen zijn gevoegd, maar deze liggen niet voor;

– n.a.v. de ontbinding en de invereffeningstelling op 6 september 2009 kon de vereffenaar geen enkel materieel actief aantreffen. De toen aangestelde vereffenaar, I.H., deelde mede dat alle actief zou zijn verkocht tussen 30 juni 2013 en de datum van ontbinding;

– volgens de zaakvoerder(s) zouden de activa zijn verkocht aan de bvba S.V.;

– er is geen enkele verantwoording of verduidelijking verstrekt aan de tweede vereffenaar, F.H., of aan de curator over de bepaling van de verkoopprijs aan de bvba S.V.

Uit het bovenstaande kan niet anders afgeleid worden dan dat het volledig materieel vast actief door de bvba B.C. amper een maand vór de ontbinding en invereffeningstelling is verkocht aan de bvba S.V. tegen de prijs van 1.239 euro + 415 euro exclusief btw. Dit wordt overigens door geen enkele partij betwist.

4.2. Art. 20 Faillissementswet luidt: “Handelingen of betalingen verricht met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers kunnen niet worden tegengeworpen onverschillig op welke datum zij hebben plaatsgehad.”

Art. 20 Faillissementswet vertaalt de gemeenrechtelijke actio pauliana van art. 1167 BW naar het faillissementsrecht.

De voorwaarden voor de toepassing van art. 20 Faillissementswet zijn in huidige zaak voldaan, namelijk de anterioriteitsvoorwaarde, de kwade trouw van de gefailleerde, de benadeling van de massa en de kwade trouw van de wederpartij van de gefailleerde.

De faillissementspauliana kan enkel worden ingesteld door de curator in naam van de massa, die een onverdeeldheid vormt. Volgens de meerderheidsopvatting volstaat het dat er tot de massa één schuldvordering behoort die minstens in principe bestond vór de aangevochten handeling. Uit het voorliggend verslag van de bedrijfsrevisor opgesteld met toepassing van art. 181 W.Venn. blijkt dat er voorafgaandelijk aan de geviseerde handelingen schulden bestonden ten laste van de bvba B.C. Deze schulden zijn verenigd in de vereffenings- en vervolgens de faillissementsboedel.

Om de kwade trouw van de gefailleerde te bewijzen, volstaat het aan te tonen dat de handeling abnormaal was en dat de gefailleerde bij de aangevochten transactie wist dat de belangen van de schuldeisers zouden worden geschaad (zie: Cass. 15 maart 1985, RW 1985-86, 2609; Cass. 26 oktober 1989, RW 1989-90, 1028; Brussel 22 september 1986, TBH 1989, 244). De bedoeling om te schaden is niet vereist.

Het kan niet worden betwist dat de verkoop van het volledig materieel vast actief voor een bedrag van 1.239 euro + 415 euro, exclusief btw, abnormaal is wanneer in het kader van de wettelijk geregelde ontbinding en invereffeningstelling, de nettoboekwaarde van dit actief amper een maand voordien werd bepaald op 147.704,19 euro (dan wel 136.627,08 euro wanneer de leasing en soortgelijke rechten in mindering worden gebracht) en dit dan nog eens in discontinuïteitsperspectief, terwijl de koper de goederen aankoopt in continuïteitsperspectief. Het verkochte actief is samengesteld uit installaties, machines, uitrusting, kantooruitrusting, gereedschappen, meubilair en rollend materieel. De gehanteerde koopprijs bedraagt amper 1,21% van de door de bedrijfsrevisor bepaalde waarde. De wanverhouding tussen de waardebepaling en de gehanteerde verkoopprijs is dermate manifest dat de verkoop als abnormaal moet worden beschouwd. Er wordt overigens door de bvba B.C. geen enkele verantwoording verstrekt voor de bepaling van de verkoopprijs.

Er is zonder meer benadeling van de massa vast te stellen. Er is sprake van een quasikosteloze overdracht van het materieel vast actief (vgl. Brussel 22 september 1986, TBH 1989, 244; Kh. Charleroi 26 maart 1996, JLMB 1997, 157). Het vermogen van de bvba B.C., dat het onderpand van de schuldeisers vormt, ondergaat een substantiële waardevermindering. De verhaalsmogelijkheden van de schuldeisers worden zonder meer beperkt, wat hen benadeelt.

De bvba S.V. handelde in deze zaak te kwader trouw. Het begrip “kwade trouw” moet hier in objectieve zin worden verstaan, d.w.z. dat het volstaat dat de wederpartij op de hoogte was of minstens op de hoogte diende te zijn van de abnormaliteit van de handeling en van het feit dat de betreffende handeling nadeel toebracht aan de andere schuldeisers van de (toekomstige) gefailleerde. De bedoeling om te schaden is niet vereist.

In de bvba B.C. en de bvba S.V. werkten dezelfde personen samen, zowel op het niveau van het aandeelhouderschap als het bestuur. De kennis die de bvba B.C. had, was daardoor eveneens aanwezig bij de bvba S.V.

4.3. Aangezien aan de toepassingsvoorwaarden van art. 20 Faillissementswet is voldaan, dient de wettelijk bepaalde sanctie toegepast te worden. De verkoop van de goederen moet niet-tegenwerpbaar worden verklaard aan de massa van het faillissement van de bvba B.C. De vordering van de curator is in dat opzicht gegrond.

In de mate dat de curator de goederen niet in natura kan terugverkrijgen, moet in beginsel de waarde van de zaak worden teruggeven. De curator beschikt uit dien hoofde over een vordering ten laste van de bvba S.V., die, gelet op het faillissement, thans niet kan worden veroordeeld tot betaling.

4.4. Art. 101 Faillissementswet is in casu niet van toepassing, omdat de vordering is gebaseerd op art. 20 Faillissementswet en er geen sprake is van het terugvorderen van goederen op grond van een beding dat de eigendomsoverdracht opschort tot de volledige betaling van de prijs.

B. Aansprakelijkheid van de zaakvoerders

4.5. De curator is van oordeel dat de zaakvoerders van de bvba B.C., namelijk de bvba T. en de comm.v. T.V., aansprakelijk zijn door enerzijds het volledig actief te verkopen tegen een te lage prijs en werken uit te voeren aan een onroerend goed van een derde en deze ten laste te leggen van de vennootschap. Deze beide feiten zouden op grond van art. 262-263 W.Venn. en/of art. 1382 BW aanleiding geven tot het toekennen van een schadevergoeding.

4.6. Het is niet betwist dat in het boekjaar 2013 de bvba B.C. een bedrag van 75.000 euro ten laste heeft genomen voor “geactiveerde interne werken”. Deze werken werden uitgevoerd aan een onroerend goed dat eigendom is van de bvba S.V.

4.7. Art. 263 W.Venn. bepaalt: “De zaakvoerders zijn, hetzij jegens de vennootschap, hetzij jegens derden, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van overtreding van de bepalingen van dit wetboek of van de statuten van de vennootschap.

“Ten aanzien van de overtredingen waaraan zij geen deel hebben gehad, worden zij van die aansprakelijkheid slechts ontheven indien hun geen schuld kan worden verweten en zij die overtredingen hebben aangeklaagd op de eerste algemene vergadering nadat zij er kennis van hebben gekregen.”

De rechtbank is van oordeel dat de curator niet bewijst dat de bvba T. en/of de comm.v. T.V. de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen of de statuten hebben overtreden door de handelingen hiervoor vermeld.

Allereerst moet worden vastgesteld dat niet het volledige actief van de bvba B.C. werd verkocht. Blijkbaar werd enkel het materieel vast actief, exclusief de leasing- en soortgelijke rechten verkocht. Uit het detail van de activa opgenomen in het verslag van de revisor blijkt dat de bvba B.C. ook nog financiële vaste activa, voorraden en bestellingen in uitvoering en vordering bezat. Deze actiefbestanddelen werden blijkbaar niet verkocht. Er is aldus geen sprake van een verkoop van het “volledige actief”, zoals de curator beweert.

Vervolgens verbiedt het Wetboek van Vennootschappen, noch de statuten de zaakvoerder om het materieel vast actief van de bvba B.C. te verkopen. Er wordt evenmin een verbod van het uitvoeren van werken aan het onroerend goed van een derde en het ten laste nemen van de kostprijs aangetoond.

Naar oordeel van de rechtbank bewijst de curator evenmin dat het voorschrift van art. 259 W.Venn. is geschonden, noch dat aan de voorwaarden van art. 264 W.Venn. is voldaan.

De vordering van de curator is niet gegrond voor zover ze is gebaseerd op art. 263 W.Venn.

4.8. Art. 262 W.Venn. luidt: “De zaakvoerders zijn overeenkomstig het gemeen recht verantwoordelijk voor de vervulling van de hun opgedragen taak en aansprakelijk voor de tekortkomingen in hun bestuur.”

Uit hoofde van de “geactiveerde interne werken” ten bedrage van 75.000 euro kan geen fout ten laste van de zaakvoerders van de bvba B.C. ten laste worden gelegd. Waar wel blijkt dat dit bedrag voor de werken werd gefactureerd, blijkt meteen dat deze boekhoudkundige bewerking per 31 december 2013 werd tegengeboekt. De facturering werd aldus tenietgedaan, zodat er geen effect op de vermogenstoestand kan worden vastgesteld.

De curator bewijst voorts niet dat deze werken, waarvan enig detail ontbreekt, zouden wijzen op een foutief gedrag van de zaakvoerders. Het blijkt uit de feitenweergave door beide partijen, die eensluidend is, dat de bvba B.C. een loods heeft gebruikt die eigendom is van de bvba S.V. Het is niet ongebruikelijk, laat staan foutief, dat een vennootschap wijzigings- of verbeteringswerken uitvoert in een pand dat zij betrekt op grond van welke juridische verhouding dan ook.

De vordering van de curator uit dien hoofde beoordeelt de rechtbank op grond van het bovenstaande als niet ongegrond.

Zoals hiervoor al aangegeven, heeft de bvba V.C. het materieel vast actief, bestaande uit de installaties, machines, uitrusting, kantooruitrusting, gereedschappen, meubilair en rollend materieel, op 1 augustus 2013 verkocht aan de bvba S.V. De prijs die zij daarvoor bedong en verkreeg bedraagt amper 1,21% van de boekhoudkundige nettowaarde zoals correct bevonden door de bedrijfsrevisor die het verslag in overeenstemming met art. 181 W.Venn. heeft opgesteld.

De verkoop van deze goederen gebeurde onder de volgende begeleidende omstandigheden:

– de ontbinding en vereffening van de vennootschap stond op de datum van de verkoop al op de agenda van de zaakvoerders, want op 20 augustus 2013 was het verslag van de zaakvoerders zoals bedoeld door art. 181 W.Venn. al opgesteld, de algemene vergadering van 6 september 2013 was of zou binnen de kortste tijd bijeengeroepen worden, het verslag van de bedrijfsrevisor daterend van 5 september 2013 was ongetwijfeld in voorbereiding. De zaakvoerders, die op onrechtstreekse wijze ook de aandeelhouders waren, wisten dat er uiteindelijk tot een ontbinding en vereffening zou worden besloten. De verkoop van goederen aan de bvba S.V. was dus niet anders dan een vervroegde vereffening van een deel van het vermogen, maar buiten het wettelijk geregelde kader van de vereffening;

– de aangerekende verkoopprijs is zonder meer in wanverhouding tot de waarde van de goederen (zie hiervoor);

– de aangerekende verkoopprijs wordt door geen enkel stuk of gegeven verantwoord;

– de verkoop gebeurt aan een vennootschap die op aandeelhouders- en bestuursniveau verwant is met de bvba B.C.;

– de zaakvoerders wisten dan wel behoorden te weten dat na de verkoop van de goederen aan de bvba S.V. het vermogen van de bvba B.C. nagenoeg onbestaande of onzichtbaar zou zijn. Er bleven enkel nog een onbeduidende financiële participatie en een zeer beperkte voorraad over, naast handelsvorderingen waarvan niet geweten is welke karakteristieken deze vorderingen vertonen.

Een zaakvoerder die het materieel vast actief van de vennootschap verkoopt onder de omstandigheden zoals hiervoor geschetst, handelt kennelijk niet zoals een normaal zorgvuldige en voorzichtige zaakvoerder, geplaatst in dezelfde omstandigheden, zou handelen. De zaakvoerders van de bvba B.C. hadden zonder enige twijfel andere doelstellingen voor ogen dan het belang van de vennootschap en de schuldeisers toen zij het materieel vast actief verkochten aan een verwante vennootschap tegen een prijs van 1,21% van de netto boekwaarde. Dit moet in essentie worden beschouwd als nagenoeg gratis. Zij begingen een manifeste tekortkoming in de uitoefening van het mandaat van zaakvoerder, die van aard is het vermogen van de vennootschap ernstige schade toe te brengen. De fout in de zin van art. 1382 BW wordt door de curator bewezen.

4.9. De kwijting die aan de zaakvoerders is verleend op de algemene vergadering van 6 september 2013, dekt voormelde fout niet. De curator moet in dezen als een derde worden beschouwd die niet is gebonden door de beslissing van de algemene vergadering van de bvba B.C. over de kwijting van haar zaakvoerders. De curator beoogt de vergoeding te verkrijgen van schade die het onderpand van de schuldeisers van de bvba B.C. heeft geleden door de onrechtmatige handeling van de (zaakvoerders van de) vennootschap. De kwijting verbindt de curator in casu aldus niet, omdat hij optreedt voor de schuldeisers en niet enkel voor de vennootschap (vgl. in deze zin: Gent 14 november 2011, RPS 2012, 89, noot W. Derijcke). Wanneer de curator opkomt voor de gezamenlijke schuldeisers en schadeloosstelling vordert op grond van art. 1382 BW, kan hem geen kwijting of decharge worden tegengeworpen (zie: Gent 1 maart 1989, TRV 1989, 434; K. Geens en H. Laga, “Overzicht van rechtspraak vennootschappen 1986-1991”, TPR 1993, 1062).

...

4.11. De fouten die de bvba T. en de comm.v. T.V. hebben begaan als zaakvoerder hebben aan het vermogen van de bvba B.C. schade toegebracht, bestaande in het verschil tussen de aangerekende koopprijs en de werkelijke waarde van de goederen. Dit verlies is veroorzaakt door hun fouten, omdat het verlies zich niet zou hebben voorgedaan mochten de zaakvoerders de verkoop onder normale omstandigheden hebben gerealiseerd.

Zowel de schade als het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade staat vast en wordt bewezen.

In zoverre de curator echter de teruggave van de goederen, voorwerp van de verkoop, vordert en deze vordering ook wordt ingewilligd, is de omvang van de schade op vandaag nog niet vaststaand. Er zal bij de bepaling van de omvang van de schade immers rekening moeten worden gehouden met het feit of de curator de goederen al dan niet zou terugverkrijgen en of deze goederen al dan niet een waardevermindering zouden hebben ondergaan. Daarmee rekening houdend kunnen de zaakvoerders op vandaag slechts worden veroordeeld tot een schadevergoeding van één euro provisioneel, zoals overigens door de curator gevorderd.

Beide zaakvoerders moeten in solidum worden veroordeeld, omdat hun respectieve fouten in gelijke mate hebben bijgedragen tot de schade en deze schade zich niet zou hebben voorgedaan zoals in concreto, mocht één van de fouten niet zijn begaan.

Gelet op het faillissement van de bvba T. en de ontbinding, de vereffening en de sluiting van de vereffening van de comm.v. T.V., kan de rechtbank op dit ogenblik enkel en alleen het bestaan van de vordering vaststellen.

C. Aansprakelijkheid van de vaste vertegenwoordigers

4.12. Art. 61, § 2, eerste lid W.Venn. luidt: “Wanneer een rechtspersoon aangewezen wordt tot bestuurder, zaakvoerder of lid van het directiecomité, van de directieraad of van de raad van toezicht, benoemt deze onder zijn vennoten, zaakvoerders, bestuurders, leden van de directieraad, of werknemers een vaste vertegenwoordiger die belast wordt met de uitvoering van de opdracht in naam en voor rekening van de rechtspersoon. Deze vertegenwoordiger moet aan dezelfde voorwaarden voldoen en is burgerrechtelijk en strafrechtelijk aansprakelijk alsof hij zelf de betrokken opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou volbrengen, onverminderd de hoofdelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt. Deze laatste mag zijn vertegenwoordiger niet ontslaan zonder tegelijk een opvolger te benoemen.”

De vaste vertegenwoordiger is persoonlijk aansprakelijk voor de wijze waarop hij het bestuursmandaat van de rechtspersoon uitvoert, als was hij in eigen naam benoemd. Hij kan zich niet achter de rechtspersoon verschuilen om aan te voeren dat niet hij zelf kan worden aangesproken, maar enkel de bestuurder-rechtspersoon. Deze gelijkstelling, wat de aansprakelijkheidsregeling betreft, brengt mee dat de bestuurde vennootschap noch de derde verontrust kan worden door bepalingen eigen aan de interne relatie tussen de bestuurder-rechtspersoon en de vaste vertegenwoordiger. Aldus zijn alle aansprakelijkheidsgronden ten aanzien van de bestuurder-rechtspersoon onverkort van toepassing op de vaste vertegenwoordiger, ook al wordt hij in de diverse aansprakelijkheidsbepalingen niet uitdrukkelijk genoemd. Het betreft zowel de interne aansprakelijkheid jegens de bestuurde vennootschap als de externe aansprakelijkheid ten opzichte van derden, met inbegrip van de talloze bijzondere aansprakelijkheidsregels die op de bestuurders van toepassing zijn (zie: M. Wauters, “art. 61, § 2 W. Venn.” in H. Braeckmans, K. Geens en E. Wymeersch, Comm.Venn., Mechelen, Kluwer, losbl.).

4.13. Op het tijdstip van de gewraakte handeling zijn de bvba T. en de comm.v. T.V. zaakvoerders van de bvba B.C.

De bvba B. is de vaste vertegenwoordiger van de bvba T. P.B. is de vaste vertegenwoordiger van de bvba B.

T.V. is de vaste vertegenwoordiger van de comm.v. T.V.

Daar de fout van de bvba T. en de comm.v. T.V. is bewezen, moet deze fout ook toegerekend worden aan hun vaste vertegenwoordigers, de bvba B. en T.V. Aangezien de fout van de bvba B. vaststaat, moet deze fout ook aangerekend worden aan haar vaste vertegenwoordiger P.B.

Elk van deze vaste vertegenwoordigers is krachtens art. 61, § 2 W.Venn. ertoe gehouden de schade te vergoeden die door de aangerekende fout is veroorzaakt. Daar uit niets blijkt dat de gewone vertegenwoordigingsorganen van de zaakvoerders-rechtspersonen van de bvba B.C. zijn opgetreden, moeten de vaste vertegenwoordigers hoofdelijk met de rechtspersoon worden veroordeeld.

D. Aansprakelijkheid als beherend vennoot

T.V. is de beherende vennoot van de comm.v. T.V. Krachtens art. 204 W.Venn. is de vennoot onder firma hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap.

De beherende vennoot in een gewone commanditaire vennootschap kan echter niet persoonlijk worden veroordeeld op grond van verbintenissen van de vennootschap zolang deze niet zelf is veroordeeld (art. 203 W.Venn.).

De gehoudenheid van de comm.v. T.V. tot vergoeding van de schade aan de boedel van het faillissement van de bvba B.C., is aldus een verbintenis van de comm.v. T.V. waarvoor T.V. hoofdelijk aansprakelijk is. Om die reden moet T.V. dan ook worden veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding, zoals gevorderd door de curator.

...

Noot: 

Cassatie 25/01/2013, AR C.12.0202.N, C juridat

Samenvatting

De bepaling van artikel 20 Faillissementswet dat handelingen of betalingen verricht met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers niet kunnen worden tegengeworpen onverschillig op welke datum zij hebben plaatsgehad, is een toepassing van artikel 1167 Burgerlijk Wetboek (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Tekst arrest

Nr. C.12.0202.N
LOONWERKEN GEPA bvba, met zetel te 8820 Torhout, Edewallestraat 12A,
eiseres,

tegen
1. Patrick CONTENT, met kantoor te 8400 Oostende, Jozef II-straat 18, als curator van het faillissement van L.I.M.P. bvba, met zetel te 8820 Torhout, Edewallestraat 14,
verweerder,

 

2. FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN, openbare instelling, met zetel te 1050 Elsene, Troonstraat 100,
verweerder,

in aanwezigheid van
1. Geert PATTYN, wonende te 8820 Torhout, Edewallestraat 14,
2. Rita DEBOODT, wonende te 8820 Torhout, Edewallestraat 14,
partijen opgeroepen in bindendverklaring van het arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 2 januari 2012.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, twee middelen aan
.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Krachtens artikel 20 Faillissementswet kunnen handelingen of betalingen verricht met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers niet wor-den tegengeworpen onverschillig op welke datum zij hebben plaatsgehad. Deze bepaling is een toepassing van artikel 1167 Burgerlijk Wetboek.

2. De vordering bedoeld in artikel 1167 Burgerlijk Wetboek strekt tot vergoe-ding van de schade die de bedrieglijke verarming van de schuldenaar aan de schuldeiser berokkent. Een dergelijke pauliaanse vordering is onderworpen aan de verjaringstermijnen bedoeld in artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, Burgerlijk Wetboek.

3. Het middel dat ervan uitgaat dat de vordering bedoeld in artikel 20 Faillis-sementswet een persoonlijke vordering is die onderworpen is aan de tienjarige verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, faalt naar recht.

Tweede middel
4. Overeenkomstig artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, verwijst ie-der eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, waaronder de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1018, 6°, en 1022 Gerechtelijk Wet-boek.

5. De veroordeling tot de gerechtskosten onderstelt dat tussen de partijen een daadwerkelijke procesverhouding bestaat derwijze dat tussen hen een vordering werd ingesteld strekkende tot de veroordeling van de ene partij jegens de andere.

6. De appelrechters die de eiseres jegens de tweede verweerder veroordelen tot de rechtsplegingsvergoeding, terwijl zij vaststellen dat de tussenkomst van deze partij van bewarende aard is en ertoe strekt de vordering van de curator, de eerste verweerder te ondersteunen en om voorbehoud te vragen voor een eventueel later tegen de eiseres in te stellen vordering, schenden artikel 1017, eerste lid, Gerech-telijk Wetboek.
Het middel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiseres veroordeelt tot de ge-rechtskosten van de tweede verweerder.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Veroordeelt de eiseres in de helft van de kosten.
Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feiten-rechter.
Verklaart het arrest bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partijen.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1326,14 euro en voor de verweerster 2 op 180,60 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 23/03/2017 - 19:39
Laatst aangepast op: do, 23/03/2017 - 19:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.