-A +A

Faillissement en opschorting middelen van tenuitvoerlegging

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 04/02/2010
Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2010/08
Pagina: 
475
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
Bij arrest van 29 januari 2009 in zake N.T. tegen de NV “ING België”, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 februari 2009, heeft het hof van beroep te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld:

“1. Is artikel 24bis van de wet van 8 augustus 1997, zoals ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005 en vervolgens gewijzigd bij de wet van 20 juli 2006, strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het enkel betrekking heeft op de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, maar niet op de echtgenoot of ex-echtgenoot van de gefailleerde, doordat die koste-loze borg vanaf het vonnis van faillietverklaring een opschorting van de middelen van tenuitvoerlegging geniet terwijl de echtgenoot van de gefailleerde (of de ex-echtgenoot) die zich persoonlijk heeft verbonden tot de schuld van zijn echtgenoot en die daarvan kan worden bevrijd door de werking van de verschoonbaarheid die aan zijn echtgenoot zou worden toegekend, niet gevrijwaard is tegen elke procedure van ten¬uitvoerlegging tot op de dag waarop uitspraak zal worden gedaan over de ver-schoonbaarheid?

2. Is artikel 24bis van de wet van 8 augustus 1997, zoals ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005 en vervolgens gewijzigd bij de wet van 20 juli 2006, strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het enkel de opschorting beoogt van de middelen van tenuitvoerlegging, zijnde de maatregelen van gedwongen tenuit-voerlegging, maar niet van de bij overeenkomst geregelde mechanismen, zoals loon-overdracht, die niettemin een schuldeiser toelaten in het vermogen te treden van de persoon die zich heeft verbonden tot de schuld van de gefailleerde, zodat, terwijl de verschoonbaar verklaarde gefailleerde de gevolgen van de verschoonbaarheid ten volle zal genieten voor het passief dat bij de sluiting van het faillissement onbetaald is, de borg, de echtgenoot of de ex-echtgenoot de facto dat voordeel kan worden ontnomen door de tenuitvoerlegging van die maatregelen, die geen middel van ten-uitvoerlegging vormen?”
(...)
II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil
(...)
III. In rechte
(...)
– B –
B.1.1. Zoals het werd ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005 en gewijzigd bij de wet van 20 juli 2006, bepaalt artikel 24bis van de faillissementswet van 8 augustus 1997:
“Vanaf [het vonnis van faillietverklaring] worden de middelen van tenuitvoerlegging ten laste van de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, opgeschort.
Wanneer de persoonlijke borg door de rechtbank niet volledig van zijn verplichting is ontslagen, verkrijgen de schuldeisers opnieuw het recht om individueel een vorde-ring op zijn goederen in te stellen.”
Dit is de in het geding zijnde bepaling. B.1.2. Artikel 25 van dezelfde wet bepaalt:
“Het vonnis van faillietverklaring doet elk beslag gelegd ten verzoeke van de gewone en algemeen bevoorrechte schuldeisers ophouden.
Indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende of onroerende goederen reeds voor dat vonnis was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt, geschiedt die verkoop voor rekening van de boedel.

Wanneer evenwel het belang van de boedel het vereist, kan de rechter-commissaris op verzoek van de curators uitstel of afstel van de verkoop toestaan.”
B.1.3. Artikel 26 van dezelfde wet bepaalt:
“Alle middelen van tenuitvoerlegging strekkende tot betaling van de schuldvorderin¬gen die bevoorrecht zijn op de roerende goederen die tot de failliete boedel behoren, worden geschorst tot aan de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen, behoudens alle maatregelen tot bewaring van recht en het door de eigenaar verkregen recht om verhuurde goederen weer in bezit te nemen.
In dit laatste geval houdt de bij dit artikel bepaalde schorsing van de middelen van tenuitvoerlegging van rechtswege op ten voordele van de eigenaar.
Wanneer evenwel het belang van de boedel het vereist en op voorwaarde dat een tegeldemaking van de roerende goederen kan worden verwacht die de bevoorrechte schuldeisers niet benadeelt, kan de rechtbank op verzoekschrift van de curators, na de betrokken bijzonder bevoorrechte schuldeiser bij gerechtsbrief te hebben opge-roepen, de schorsing van de tenuitvoerlegging bevelen en dit voor een maximumter-mijn van een jaar te rekenen van de faillietverklaring.”
B.1.4. Sinds de wijziging ervan bij artikel 7 van de wet van 20 juli 2005, bepaalt artikel 80, 3de lid van dezelfde wet:
“De gefailleerde, de personen die de verklaring bedoeld in artikel 72ter aflegden en de schuldeisers bedoeld in artikel 63, 2de lid, worden in de raadkamer gehoord over de bevrijding. Tenzij hij zijn onvermogen frauduleus organiseerde, bevrijdt de recht-bank geheel of gedeeltelijk elke natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, wanneer zij vaststelt dat diens verbintenis niet in verhouding met zijn inkomsten en met zijn patrimonium is.”
B.1.5. Zoals het gedeeltelijk werd vervangen bij de wet van 20 juli 2005 en gewijzigd bij de wet van 18 juli 2008, bepaalt artikel 82 van dezelfde wet:
“Indien de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard, kan hij niet meer vervolgd worden door zijn schuldeisers.
De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, of de voormalige echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn voormalige echtgenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, wordt ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd.
De verschoonbaarheid heeft noch gevolgen voor de onderhoudschulden, noch voor de schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een per-soon waaraan de gefailleerde schuld heeft.”
B.2. Uit de elementen van de zaak blijkt dat het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil betrekking heeft op de situatie van de echtgenote van een gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van haar echtgenoot en die zich tegenover de schuldeiser ertoe heeft verbonden haar loon over te dragen tot waarborg van die verbintenis. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval.

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag
B.3. In de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd of artikel 24bis van de faillissementswet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre enkel de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde, die bepaling kan genieten en niet de echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn gefailleerde echtgenoot.
B.4. Bij zijn arrest nr. 69/2002 van 28 maart 2002 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 82 van de faillissementswet, zoals van toepassing vóór het werd vervangen bij artikel 29 van de wet van 4 september 2002 “tot wijziging van de faillissements¬wet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Vennoot-schappen”, niet bestaanbaar was met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het op geen enkele wijze een rechter toestond de echtgenoot van de ver-schoonbare verklaarde gefailleerde van zijn verbintenis te bevrijden.
B.5.1. Ingevolge dat arrest heeft de wetgever, bij de wet van 4 september 2002, in artikel 82 van de faillissementswet een 2de lid ingevoegd, volgens hetwelk de echtge-noot van de gefailleerde “die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld” voor de schuld van de gefailleerde, ingevolge de verschoonbaarheid wordt bevrijd van die verplichting.
B.5.2. Het Hof heeft geoordeeld dat die bepaling onverenigbaar was met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in zoverre de echtgenoot die krachtens een fiscale bepaling gehouden is tot een belastingschuld met de gefailleerde, door de verschoon-baarverklaring niet kon worden bevrijd van de verplichting tot betaling van die schuld (arrest nr. 78/2004 van 12 mei 2004 en arrest nr. 6/2005 van 12 januari 2005). Om hieraan tegemoet te komen bepaalde artikel 82, 2de lid van de faillisse¬mentswet, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 2 februari 2005 tot wijziging van artikel 82, 2de lid van de faillissementswet van 8 augustus 1997, dat de echtge¬noot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd wordt van die verplichting.
B.6. In zijn arrest nr. 179/2006 van 29 november 2006 heeft het Hof als volgt geoor-deeld:
“B.5.5. [...]
Doordat de wetgever afziet van het automatische karakter van de bevrijding van de kosteloze borg ten voordele van een bevrijding waartoe de rechter beslist, heeft hij ervoor gezorgd dat de belangen van de schuldeisers van de gefailleerde zoveel moge-lijk werden gevrijwaard, en tegelijkertijd voorts zijn maatschappelijke doelstelling nagestreefd, met name ervoor te zorgen dat ‘ernstige menselijke gevolgen (...) die zouden kunnen voortvloeien uit een strikte uitvoering van de contractuele verbintenissen van de betrokken persoon’ worden vermeden (Parl.St. Kamer 2004-05, Doc. 51-1811/001, p. 7).
B.5.6. Het blijkt niet dat de wetgever zodoende een onredelijke keuze heeft gemaakt of op buitensporige wijze afbreuk heeft gedaan aan de rechten van de schuldeisers op de invordering van hun schuldvordering. In het licht van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het Europees verdrag voor de rechten van de mens heeft hij aldus een billijk evenwicht tot stand gebracht tussen de belangen van de borgen en die van de schuldeisers.”
B.7. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 4 september 2002 werd bovendien gesuggereerd “dat de opschorting van de vervolging die voortvloeit uit het vonnis van faillietverklaring, wordt uitgebreid tot de echtgenoot van de gefail¬leerde” (Parl.St. Senaat 2001-02, nr. 2-877/8, p. 86). Die bekommernis werd niet omgezet in de tekst van de wet. Op dezelfde wijze merkte de minister van Justitie tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 2 februari 2005 tot wijziging van artikel 82, 2de lid van de faillissementswet van 8 augustus 1997, op dat “er tij¬dens de procedure een ware wedloop vanwege de schuldeisers op de borg [kan] ont¬staan, waardoor de doelstelling van het voorstel volledig zou worden uitgehold”, en dat er “dan ook [diende] te worden voorzien in een dergelijke opschortingsmogelijk¬heid ten gunste van de borg”. Zij stelde bijgevolg voor die kwestie opnieuw te bespreken “naar aanleiding van het onderzoek van het wetsontwerp dat de Regering later zal indienen” (Parl.St. Kamer 2003-04, Doc. 51-1320/002, p. 9).
B.8. Bij zijn arrest nr. 77/2005 van 27 april 2005 heeft het Hof geoordeeld:
“B.7. Door niet te voorzien in de mogelijkheid dat de rechter – en dat terwijl de voormelde artikelen 25 en 26 de vervolging tegen de gefailleerde opschorten – kan oordelen of, en onder welke voorwaarden, de vervolging moet worden opgeschort ten aanzien van de kosteloze borg en de echtgenoot van de gefailleerde in afwachting van de sluiting van het faillissement en in voorkomend geval van de beslissing over de verschoonbaarheid van de gefailleerde, heeft de wetgever de werking van de bepa¬lingen van artikel 82 grotendeels tenietgedaan.
Bij artikel 22 van de wet worden de niet-vervallen schulden van de gefailleerde opeis¬baar gemaakt en, aangezien die laatste in staking van betaling is, kan de schuldeiser zich onmiddellijk wenden tot de medeverbondenen die deze schulden binnen de per-ken van hun verbintenis moeten betalen. De verschoonbaarheid die achteraf aan de gefailleerde zou worden toegekend, kan niet tot gevolg hebben dat de medeverbon¬denen van hun verplichtingen worden ontslagen indien de schuldeiser intussen een in kracht van gewijsde gegane beslissing tegen hen heeft verkregen, zodat die mede¬verbondenen het slachtoffer zouden zijn van de discriminatie die het Hof in de arres¬ten nrs. 69/2002 en 78/2004 heeft vastgesteld.”
Het Hof heeft die rechtspraak bevestigd in zijn arrest nr. 172/2005 van 23 november 2005.

B.9.1. Uit de parlementaire voorbereiding in verband met artikel 3 van de wet van 20 juli 2005, waarbij de in het geding zijnde bepaling in de faillissementswet van 8 augustus 1997 werd ingevoegd, blijkt dat het de bekommernis was van de wetge¬ver om “een ‘wedloop naar de borgen’ te vermijden, wat zou kunnen gebeuren vanaf het faillissement”, aangezien “de beslissing met betrekking tot een eventuele bevrij¬ding van de steller van een persoonlijke zekerheid van de gefailleerde pas zal worden uitgesproken bij het afsluiten van de procedure” (Parl.St. Kamer 2004-05, Doc. 51-1811/001, p. 8).
B.9.2. In zijn arrest nr. 179/2006 van 29 november 2006 heeft het Hof als volgt geoordeeld met betrekking tot de in het geding zijnde bepaling:
“B.8.3. Aangezien de wetgever voorziet in een procedure waardoor de kosteloze borg onder bepaalde voorwaarden kan worden bevrijd, komt het hem toe de gepaste maatregelen te nemen om te verhinderen dat individuele procedures het door hem gewilde beleid ter bescherming van de borg kunnen dwarsbomen.
B.8.4. Bovendien heeft de wetgever in de mate van het mogelijke ervoor gezorgd de nadelen van de procedure voor de schuldeisers te beperken, vermits hij, in artikel 80, 6de lid van de wet van 8 augustus 1997, gewijzigd bij artikel 7, 2° van de wet van 20 juli 2005, heeft bepaald dat de schuldeisers die een persoonlijke zekerheid genie-ten en die de verklaringen hebben afgelegd bedoeld in artikel 63 van de wet van 8 augustus 1997, zes maanden na het vonnis van faillietverklaring de rechtbank kunnen verzoeken om uitspraak te doen over de bevrijding van de kosteloze per-soonlijke borg.”
B.9.3. Bovendien wordt, sinds de wijziging van die bepaling bij artikel 2 van de wet van 18 juli 2008 tot wijziging van artikel 82, 2de lid van de faillissementswet van 8 augustus 1997, degene die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn voormalige echtgenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, eveneens ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd.
In de parlementaire voorbereiding van die bepaling werd hieromtrent het volgende overwogen:
“[...] een wetswijziging [is] noodzakelijk, want met name om sociale redenen kan het niet door de beugel dat er een verschil in behandeling bestaat tussen, enerzijds, de echtgenoot van de gefailleerde die aansprakelijk is voor de schulden en, ander-zijds, de voormalige echtgenoot die zich tijdens de duur van het huwelijk voor die schulden aansprakelijk heeft gesteld. Doordat het huwelijk evenwel is ontwricht geniet laatstgenoemde echtgenoot niet langer automatisch de gevolgen van een even¬tuele verschoonbaarheid en daar komt nog bij dat de betrokkene bij het faillissement of tijdens de periode rond het faillissement veelal niet meer bij machte was eventueel nog iets gedaan te krijgen van zijn echtgenoot.
Het gevolg van dat alles is dat de verschoonde en uit de echt gescheiden gefailleerde met een schone lei kan herbeginnen, terwijl zijn ex-echtgenoot, van wie de financiële situatie misschien wel stabiel was, plots in moeilijkheden kan komen en te maken kan krijgen met schuldeisers die genoegdoening vragen voor feiten waarop de betrokkene wellicht geen vat meer had toen ze zich voordeden” (Parl.St. Kamer 2007-08, Doc. 52-1032/001, p. 5-6).
B.10. Gelet op het voorgaande heeft de wetgever niettemin een verschil in behandeling laten voortbestaan, dat onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre hij niet heeft bepaald dat de middelen van tenuitvoerlegging ten laste van de echtgenoot van de gefailleerde worden opgeschort in afwachting dat, in voorkomend geval, de beslissing over de verschoonbaarheid van de gefailleerde is genomen.
B.11. De eerste prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag
B.12. In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over de bestaan-baarheid van artikel 24bis van de faillissementswet met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre luidens die bepaling enkel de middelen van tenuitvoerlegging worden opgeschort, en niet de uitvoering van een overeenkomst waarbij de echtge-noot van de gefailleerde, die zich niet kosteloos zeker heeft gesteld, zich ertoe heeft verbonden zijn loon over te dragen tot waarborg van een schuld van zijn echtgenoot.
B.13. Door de beslissing bepaalde medeverbondenen van de gefailleerde het voor-deel te laten genieten van de verschoonbaarheid die aan de gefailleerde is toegekend, wijkt de wetgever af van het burgerlijk vermogensrecht volgens hetwelk “alle over-eenkomsten die wettig zijn aangegaan, [...] degenen die deze hebben aangegaan, tot wet [strekken]” (art. 1134, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek) en “ieder die per-soonlijk verbonden is, [...] gehouden [is] zijn verbintenissen na te komen, onder verband van al zijn goederen, hetzij roerende, hetzij onroerende, zo tegenwoordige als toekomstige” (art. 7 van de hypotheekwet van 16 december 1851).
B.14. Dergelijke afwijkingen van de regels van het burgerlijk recht zijn slechts ver-antwoord in zoverre zij het mogelijk maken te voorkomen dat sommige medever-bondenen van de gefailleerde op discriminerende wijze worden behandeld, maar zij gaan niet zo ver dat zij verantwoorden dat een bevrijding wordt verleend aan alle personen die zich aansprakelijk hebben gesteld voor de schulden van de verschoonde gefailleerde of dat zij een algemeen uitstel van betaling vereisen in afwachting dat het faillissement wordt afgesloten. Het Hof heeft in zijn arrest nr. 50/2006 van 29 maart 2006 aldus geoordeeld dat de wetgever de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet had geschonden in zoverre de artikelen 24bis en 82 van de faillissementswet niet van toepassing zijn op de natuurlijke personen die kosteloos tot waarborg een hypotheek op een onroerend goed hebben toegestaan.
B.15. Uit het antwoord op de eerste prejudiciële vraag volgt te dezen dat de opschor-ting van de middelen van tenuitvoerlegging ten gunste van de kosteloze borg even-eens moet gelden, op straffe van schending van de artikelen 10 en 11 van de Grond-wet, voor de verbintenis van de echtgenoot.

B.16.1. Ook al is loonoverdracht geen middel van tenuitvoerlegging in de technische betekenis van het woord, toch kan de tenuitvoerlegging ervan, net zoals een loonbe-slag en binnen dezelfde grenzen als een loonbeslag overeenkomstig artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek, leiden tot de betaling van een bedrag door de echtgenoot die, op grond van artikel 82, 2de lid van de faillissementswet, zou kunnen worden bevrijd ingevolge de verschoonbaarheid die de gefailleerde daarna zou genieten.
B.16.2. Zoals de verwijzende rechter evenwel opmerkt, heeft de echtgenoot van de gefailleerde geen enkele mogelijkheid om de beslissing over de verschoonbaarheid te bespoedigen, in tegenstelling tot de stellers van een persoonlijke zekerheid bedoeld in artikel 72bis van de in het geding zijnde wet. Artikel 80, 5de en 6de lid, van de in het geding zijnde wet staat immers alleen de gefailleerde, de schuldeisers en die stel¬lers van een persoonlijke zekerheid toe om, zes maanden na het vonnis van failliet-verklaring, de rechtbank om de bevrijding van de medeverbondene te verzoeken.
B.16.3. Om dezelfde redenen als die welke het Hof had aangevoerd in zijn arrest nr. 179/2006 van 29 november 2006, dat in B.9.2. is geciteerd, kan de verschoonbaar-heid die achteraf aan de gefailleerde zou worden toegekend, niet tot gevolg hebben dat de echtgenoot van zijn verplichtingen wordt ontslagen indien intussen een in kracht van gewijsde gegane beslissing de loonoverdracht heeft bekrachtigd.
B.17. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het niet redelijk verantwoord is de toepassing van het in het geding zijnde artikel 24bis niet toe te staan in het geval waarin de echtgenoot zich niet kosteloos borg heeft gesteld in de zin van de artikelen 72bis en 80 van de faillissementswet en een loonoverdracht heeft toegestaan.
B.18. De tweede prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht:
– Artikel 24bis van de faillissementswet van 8 augustus 1997 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet voorziet in de opschorting van de middelen van tenuitvoerlegging ten laste van de echtgenoot van de gefailleerde.
– Artikel 24bis van de faillissementswet van 8 augustus 1997 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet van toepassing is op de uitvoering van een overeenkomst van loonoverdracht toegestaan door de echtgenoot van de gefail-leerde.
Waar aanwezig waren: P. Martens en M. Bossuyt, voorzitters; M. Melchior, R. Hen-neuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, rechters.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 07/05/2010 - 20:57
Laatst aangepast op: vr, 21/05/2010 - 20:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.