-A +A

Facultatieve verbeurdverklaring op het brutobedrag van vermogensvoordelen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 22/09/2015
A.R.: 
P.15.0512.N

Het facultatief karakter van de bijzondere verbeurdverklaring van de door artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde vermogensvoordelen belet niet dat de rechter bij de bepaling van de uit een misdrijf verkregen vermogensvoordelen, uitgaat van het brutobedrag en geen aftrek doet van de kosten die verbonden zijn aan het plegen van het misdrijf.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.15.0512.N
1. M M J V,
beklaagde,
2. IMMO LEDUC DE HAMONT nv, met zetel te 3724 Kortessem, Leopold III-straat 113,
beklaagde,
eisers,
tegen
WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST bevoegd voor het grondgebied van de provincie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Koningin Astridlaan 50 bus 1,
eiser tot herstel,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 11 maart 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
1. Artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd door de wet van 14 februari 2014 met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie, bepaalt: "De partij die cassatieberoep instelt, moet het cassatieberoep laten betekenen aan de partij tegen wie het gericht is. De vervolgde persoon is daartoe evenwel enkel verplicht in zoverre zijn cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering".

2. Met deze bepaling heeft de wetgever aan de eisers in cassatie een algemene verplichting tot betekening opgelegd, met als enige en dus strikt te interpreteren uitzondering het geval waarbij het cassatieberoep uitgaat van een vervolgde partij tegen een beslissing op de strafvordering zelf en daarmee gelijk te stellen gevallen.

3. Artikel 20bis, § 1, Vlaamse Wooncode bepaalt dat de rechter naast de straf ambtshalve of op vordering van de Wooninspecteur of het college van burgemees-ter en schepenen een in die bepaling omschreven herstelmaatregel kan bevelen.

Artikel 20bis, § 2, Vlaamse Wooncode bepaalt dat deze herstelvordering bij het parket wordt ingeleid bij gewone brief in naam van het Vlaamse Gewest of het college van burgemeester en schepenen, door de wooninspecteurs en de aange-stelden van het college van burgemeester en schepenen.

4. Het openbaar ministerie is bevoegd om de door de herstelvorderende over-heid per brief geformuleerde herstelvordering voor de strafrechter uit te oefenen, inclusief het aanwenden van rechtsmiddelen, zelfs als de herstelvorderende over-heden zich als procespartij hebben gemanifesteerd.

5. De beslissing van de strafrechter over een door de herstelvorderende over-heid ingediende herstelvordering is een maatregel van burgerlijke aard, die niet-temin onder de strafvordering valt.

6. Daaruit volgt dat hij tegen wie een herstelmaatregel is bevolen zijn cassatie-beroep wat betreft die beslissing moet laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het gerecht dat die beslissing heeft gewezen en, zo zij zich heeft gemanifes-teerd als procespartij, aan de herstelvorderende overheid.

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers hun cassatieberoep hebben laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het ge-recht dat de bestreden beslissing op de herstelvordering heeft gewezen.

8. In zoverre de cassatieberoepen zijn gericht tegen de beslissing op de her-stelvordering, zijn zij bij gebrek aan een betekening aan het openbaar ministerie bij het appelgerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen, niet ontvankelijk.

Grieven met betrekking tot de beslissing op de strafvordering

Een eerste grief

9. De grief voert aan dat het arrest de verzwarende omstandigheid van de gewoonte ten onrechte bewezen acht; de eisers hebben in hun appelconclusie duide-lijk gesteld dat de gewoonte nergens is aangetoond; zij hebben voorheen nooit dergelijke panden gekocht en verbouwd en hebben enkel gezorgd voor de huis-vesting van Poolse en andere werknemers die in het door de eiser geleide bedrijf werden tewerkgesteld.

10. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of van de door artikel 20, § 1, Vlaamse Wooncode bedoelde activiteit een gewoonte is gemaakt.
In zoverre de grief opkomt tegen dit oordeel of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is hij niet ontvankelijk.

11. Het arrest verklaart de verzwarende omstandigheid om van de door artikel 20, § 1, Vlaamse Wooncode bedoelde activiteit een gewoonte te hebben gemaakt bewezen gelet op het aantal bewoners in de panden en het gegeven dat de eiser zaakvoerder is van de eiseres, die in verschillende panden meerdere woningen verhuurt, minstens ter beschikking stelt. Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de bewezenverklaring van de gewoonte.

In zoverre kan de grief niet worden aangenomen.

Een tweede grief

12. De grief voert aan dat het arrest bij de straftoemeting rekening houdt met al-lerlei elementen, maar dat er niet meer wordt verwezen naar de verzwarende om-standigheid van gewoonte en dat deze verzwarende omstandigheid niet meer wordt gemotiveerd.

13. De rechter die bij de schuldigverklaring een verzwarende omstandigheid gemotiveerd heeft bewezen verklaard, dient bij de straftoemeting het bestaan van die verzwarende omstandigheid niet opnieuw te motiveren.
In zoverre de grief uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt hij naar recht.

14. Het arrest stelt vast dat eerste rechter een onwettige straf heeft uitgesproken door geen rekening te houden met de ingevolge de verzwarende omstandigheid van de gewoonte in aanmerking te nemen minimumgevangenisstraf. Daaruit volgt dat het arrest bij de straftoemeting de verzwarende omstandigheid in aanmerking neemt.

In zoverre mist de grief feitelijke grondslag.

Een derde grief
15. De grief voert aan dat de strafrechter bij de raming van de vermogensvoor-delen in het licht van de concrete omstandigheden over een feitelijke appreciatie-bevoegdheid beschikt en hij bij het uitspreken van een bijzondere verbeurdverkla-ring van vermogensvoordelen geenszins verplicht is om een bruto- of een netto-berekening te volgen.

16. Het facultatief karakter van de bijzondere verbeurdverklaring van de door artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde vermogensvoordelen belet niet dat de rech-ter bij de bepaling van de uit een misdrijf verkregen vermogensvoordelen, uitgaat van het brutobedrag en geen aftrek doet van de kosten die verbonden zijn aan het plegen van het misdrijf.

De grief die uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Grieven met betrekking tot de beslissing op de herstelvordering

17. De grieven die verband houden met de beslissing waaromtrent de cassatie-beroepen van de eisers niet ontvankelijk zijn, behoeven geen antwoord.
Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering

18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 140,31 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer
 

Noot: 

Zie ook: Cass. 14 oktober 2014, RW 2015-16, 784, met noot.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 10/02/2017 - 13:03
Laatst aangepast op: vr, 10/02/2017 - 13:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.