-A +A

Exploitatie prostitutie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 14/06/2016
A.R.: 
2016/NT/184

Artikel 380 §1, 4° van het Strafwetboek voegt een zelfstandig misdrijf in.

Het misdrijf bestaat uit de exploitatie van iemand anders prostitutie, wanneer dit geschiedt op een andere wijze dan die welke omschreven worden bij de bepalingen van artikel 380 §1, 1°, 2° en 3° Sw.

Door de toevoeging ‘op welke manier ook' heeft men in wezen een ‘pass-partout' - bepaling ingevoegd.

De toestemming van het slachtoffer om zich te prostitueren is in dit verband onbelangrijk.

Bovendien is het bij de beoordeling van het misdrijf irrelevant of de dame in kwestie voorheen reeds actief was in de prostitutie of niet.

Vereist is wel dat er sprake is van "exploitatie".

Wanneer de rechter vaststelt dat er bijvoorbeeld rechtstreeks of onrechtstreeks een financieel voordeel gehaald wordt uit de prostitutie van het meisje en er in wezen een bron van inkomsten van gemaakt wordt, kan hij wettelijk weerhouden dat de beklaagde de prostitutie exploiteert.

Het misdrijf van exploitatie van prostitutie bestaat van zodra vast staat dat er gelden worden afgeroomd van de prostituee en de exploitant hoofdzakelijk op haar inkomsten leeft, ongeacht het feit of de persoon met de prostituee samenleeft of met haar gehuwd is.

Hierbij dient wel voor ogen gehouden te worden dat de wetgever een onderscheid wenst te maken tussen diegene die de prostitutie van een persoon exploiteert en diegene die samenwoont met een prostituee waardoor hij een niet strafbaar economisch voordeel geniet (Gedr. St. Kamer, zitt. 1993-1994, nr.1381/6, 15).

Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand in het kader van zijn huwelijk of het samenleven, inbrengen aanvaardt die voortkomen uit het door zijn vrouw dankzij haar prostitutie verworven spaargeld.

Het is de feitenrechter die oordeelt of er sprake is van de specifieke exploitatie van een prostituee.

Samen met de eerste rechter is ook het hof van oordeel dat uit het strafonderzoek onvoldoende vaststaande en objectieve elementen kunnen worden gepuurd om te besluiten dat er in hoofde van de beklaagde meer is dan het - door hem gekend - gegeven dat hij bij zijn verblijf in België als vaste partner van J mede van diens opbrengsten uit haar prostitutie activiteiten heeft geleefd.

Dit louter ‘meeprofiteren' van de inkomsten van zijn partner kan niet worden aanzien als de uitbuiting van J.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
Uitgever: 
Intersentia
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

...

X

VERDACHT VAN :

A.

het misdrijf mensenhandel te hebben gepleegd, zijnde de werving, het vervoer, de overbrenging, de huisvesting, de opvang van een persoon, het nemen of de overdracht van de controle over hem, met als doel de uitbuiting van prostitutie of ander vormen van seksuele uitbuiting, waarbij zijn toestemming van geen belang was.

met de omstandigheid dat het misdrijf is gepleegd door misbruik te maken van de kwetsbare toestand waarin de persoon verkeerde ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand, zijn precaire sociale toestand, zijn leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid, zodanig dat de betrokken persoon in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze had dan zich te laten misbruiken.
met de omstandigheid dat van de betrokken activiteit een gewoonte werd gemaakt
met name ten aanzien van

- K (°15/03/1996)

Te Gent, in de periode van 07/09/2014 tot en met 23/09/2014

- V (°31/10/1987)

Te Gent, in de periode van 01/08/2015 tot en met 03/09/2015

met de omstandigheid dat het misdrijf is gepleegd door direct of indirect gebruik te maken van listige kunstgrepen, geweld, bedreigingen of enige vorm van dwang.

B.

Op welke manier ook, eens anders ontucht of prostitutie te hebben geëxploiteerd, met name van J (°01/12/1993)

Te Gent, in de periode van 11/05/2013 tot en met 30/07/2015

(...)

De tenlastelegging A

Aan de beklaagde wordt een inbreuk op de artikelen 433quinquies§1,1° en 433 septies, 1ste lid, 2°,3° en 6° van het Strafwetboek, te weten het misdrijf van mensenhandel met het oog op de uitbuiting van de prostitutie of andere vormen van seksuele uitbuiting (waarbij de toestemming van het slachtoffer van geen belang is) en met de verzwarende omstandigheid dat misbruik werd gemaakt van de kwetsbare positie waarin de persoon verkeert, dat het misdrijf werd gepleegd door direct of indirect gebruik te make van listige kunstgrepen, geweld, bedreigingen of enige vorm van dwang en dat van de gestelde daden een gewoonte werd gemaakt.

Er dient te worden nagegaan of door de beklaagde bepaalde materiële gedragingen werden gesteld met het oogmerk (in concreto) om de prostitutie te exploiteren.

Als materiële gedragingen voorzag de wetgever in ‘de werving, het vervoer, de overbrenging, de huisvesting, de opvang' en dit met het oog op de uitbuiting van de prostitutie of enig andere vorm van seksuele uitbuiting van K en V.

Zoals ook bij J (cfr. Infra) staat het vast dat beide dames - weliswaar op eigen verzoek - naar België werden gebracht om aldaar in de prostitutie te werken.

Het hof dient echter vast te stellen dat het strafdossier weinig meer heeft opgeleverd dan de tegenstrijdige verklaring tussen de beklaagde enerzijds en de vermeende slachtoffers anderzijds en dat er - behoudens een reeks algemene inlichtingen en veronderstellingen - geen harde objectieve bewijzen voorliggen die de tenlastelegging afdoende kunnen ondersteunen.

De verklaring van K laat overigens niet toe om boven elke redelijke twijfel te besluiten dat de beklaagde de prostitutie van het meisje heeft uitgebuit.

Bovendien blijkt uit diezelfde verklaring dat de beklaagde een week na haar aankomst in België reeds terug naar Hongarije was vertrokken.

Ten aanzien van het tweede vermeende slachtoffer, V, ziet het hof zich evenzeer geplaatst voor dezelfde bewijsproblematiek, nu het dossier weinig meer bevat dan de verklaring van V die formeel wordt tegengesproken door de beklaagde en die evenmin afdoende wordt geschraagd door objectieve bewijselement.

De tenlastelegging B

Artikel 380 §1, 4° van het Strafwetboek voegt een zelfstandig misdrijf in.

Het misdrijf bestaat uit de exploitatie van iemand anders prostitutie, wanneer dit geschiedt op een andere wijze dan die welke omschreven worden bij de bepalingen van artikel 380 §1, 1°, 2° en 3° Sw.

Door de toevoeging ‘op welke manier ook' heeft men in wezen een ‘pass-partout' - bepaling ingevoegd.

De toestemming van het slachtoffer om zich te prostitueren is in dit verband onbelangrijk.

Bovendien is het bij de beoordeling van het misdrijf irrelevant of de dame in kwestie voorheen reeds actief was in de prostitutie of niet.

Vereist is wel dat er sprake is van "exploitatie".

Wanneer de rechter vaststelt dat er bijvoorbeeld rechtstreeks of onrechtstreeks een financieel voordeel gehaald wordt uit de prostitutie van het meisje en er in wezen een bron van inkomsten van gemaakt wordt, kan hij wettelijk weerhouden dat de beklaagde de prostitutie exploiteert.

Het misdrijf van exploitatie van prostitutie bestaat van zodra vast staat dat er gelden worden afgeroomd van de prostituee en de exploitant hoofdzakelijk op haar inkomsten leeft, ongeacht het feit of de persoon met de prostituee samenleeft of met haar gehuwd is.

Hierbij dient wel voor ogen gehouden te worden dat de wetgever een onderscheid wenst te maken tussen diegene die de prostitutie van een persoon exploiteert en diegene die samenwoont met een prostituee waardoor hij een niet strafbaar economisch voordeel geniet (Gedr. St. Kamer, zitt. 1993-1994, nr.1381/6, 15).

Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand in het kader van zijn huwelijk of het samenleven, inbrengen aanvaardt die voortkomen uit het door zijn vrouw dankzij haar prostitutie verworven spaargeld.

Het is de feitenrechter die oordeelt of er sprake is van de specifieke exploitatie van een prostituee.

Er bestaat geen twijfel over het feit dat J die als slachtoffer wordt vermeld onder tenlastelegging B, werkzaam was in de prostitutie.

Dit wordt als dusdanig niet betwist door de beklaagde.

Opdat de feiten voorwerp van de tenlastelegging B in hoofde van de beklaagde zouden kunnen worden weerhouden dient ten genoege van recht vast te staan dat er sprake is geweest van de "exploitatie" van de prostitutie van J.

Samen met de eerste rechter is ook het hof van oordeel dat uit het strafonderzoek onvoldoende vaststaande en objectieve elementen kunnen worden gepuurd om te besluiten dat er in hoofde van de beklaagde meer is dan het - door hem gekend - gegeven dat hij bij zijn verblijf in België als vaste partner van J mede van diens opbrengsten uit haar prostitutie activiteiten heeft geleefd.

Dit louter ‘meeprofiteren' van de inkomsten van zijn partner kan niet worden aanzien als de uitbuiting van J.

...

(Vierde kamer, 2016/NT/184, 14/06/2016)
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 18/09/2017 - 13:49
Laatst aangepast op: ma, 08/01/2018 - 10:27

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.