-A +A

Exoneratiebeding en stilzwijgende ervaring

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 13/02/2017

Principieel zijn exoneratiebedingen (dit zijn bedingen die [bepaalde] aansprakelijkheid uitsluiten)  geldig. Partijen zijn immers vrij om de inhoud van hun overeenkomsten te bepalen, mits dwingende wetsbepalingen (die in casu niet voorhanden zijn) in acht te nemen.

Exoneratiebedingen kunnen stilzwijgend aanvaard worden. Zulks vereist dat degene aan wie dit beding wordt tegengeworpen kennis heeft genomen of redelijkerwijze kennis heeft  kunnen nemen van dit beding dat de aansprakelijkheiod uitsluit voordat het contract tot stand is gekomen. De stilzwijgende aanvaarding moet blijken uit bepaalde elementen, zoals de afwezigheid van uitdrukkelijk of stilzwijgend protest.

Exoneratiebedingen kunnen rechtsgeldig op een uitgangbord geplaatst worden (havens, speelpleinen, parkings, andere plaatsen). Deze borgen vergen om op geldige wijze de aansprakelijkheid uit te sluiten dat het exoneratiebeding op een bord bij het betreden van een terrein aan de betrokkene werd ter kennis gebracht en de betrokken het bod gezien heeft, rederlijker wijze gezien heeft dan wel dat het van algemene bekendheid is dat dergelijke borden te vinden zijn aan de ingang van dit soort plaatsen of terreinen (zoals nagenoeg alle havenconcessies in de haven van Antwerpen). 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
870
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV K.N. t/ M.D.

I. Antecedenten

Het geding tussen partijen betreft een aanrijding op 25 juni 2014 op de private concessie van NV K.N. gelegen in de haven van Antwerpen. Bij dit ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:

– een personenwagen Volvo V50, eigendom van M.D.;

– een container heftruck «SVETruck», eigendom van NV K.N.

M.D. parkeerde zijn personenwagen op de private concessie van NV K.N. langs de kant van de kade ter hoogte van het schip waarop hij die dag als kuiper werkzaam was. Toen een aangestelde van NV K.N. de heftruck manipuleerde, kwam deze in aanrijding met het voertuig van M.D.

M.D. is van oordeel dat de aanrijding werd veroorzaakt door een onvoorzichtige draaibeweging van de aangestelde van NV K.N., die een stilstaand voertuig aanreed.

NV K.N. voert aan dat uitsluitend het foutief parkeren van M.D. als oorzaak van het schadegeval kan worden beschouwd. Subsidiair voert zij aan dat op haar private concessie een exoneratiebeding geldt.

II. Procedure

1. Op 28 januari 2015 is M.D. overgegaan tot dagvaarding van NV K.N. voor de Politierechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen.

2. De eerste rechter verklaarde in het bestreden vonnis van 25 maart 2016 de vordering van M.D. tegen NV K.N. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

...

3. Het hoger beroep, ingesteld door NV K.N. bij verzoekschrift ter griffie neergelegd op 7 juni 2016, is gericht tegen M.D. Het beoogt de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van M.D. tegen NV K.N. (...).

M.D. concludeert tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond.

M.D. stelt incidenteel beroep in met het oog op de volledige toewijzing van zijn oorspronkelijke vordering tegen NV K.N. (...).

....

4. Volgens de verklaringen van de partijen op de terechtzitting van 16 januari 2017 werd het bestreden vonnis niet betekend. Het hoger beroep wordt bijgevolg als tijdig aangemerkt. Het is bovendien regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.

Het incidenteel beroep is eveneens ontvankelijk.

III. Grond van de zaak

1. Rechtsgronden en verweermiddelen

M.D. spreekt NV K.N. aan op grond van de artt. 1382 tot 1384 BW.

NV K.N. verwijst naar art. 1382 BW en subsidiair naar het bestaan van een exoneratiebeding tussen partijen.

2. Feiten en aansprakelijkheid

2.1. Als bewijs van de ongevalsomstandigheden worden de volgende stukken voorgelegd:

– een op tegenspraak ingevuld en ondertekend, niet gedateerd, aanrijdingsformulier;

– foto’s van de borden met het exoneratiebeding;

– foto’s van de situatie ter plaatse;

– een grondplan en een luchtfoto;

– het expertiseverslag van de Volvo V50;

– twee (summiere) getuigenverklaringen.

2.2. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat het ongeval zich voordeed op een private concessie in de Antwerpse haven, meer bepaald op de terreinen van NV K.N. Zo’n private concessies zijn niet toegankelijk voor het verkeer in het algemeen, zodat het Wegverkeersreglement er niet van toepassing is (art. 1 Wegverkeersreglement).

2.3. Op de betrokken private concessie werden borden aangebracht:

i) Op het ene type staat te lezen dat het verboden is voor personenwagens om het terrein te betreden. Alle personenwagens die zich voorbij het bord bevinden, doen dit volledig op eigen risico.

ii) Het andere type bevat waarschuwingen voor de gevaren op het betreffende terrein, met de mededeling dat de toegang verboden is en dat op de eigenaar en/of de uitbater en hun personeel geen verhaal zal kunnen worden uitgeoefend voor ongevallen die aan personen en/of voertuigen zouden overkomen, zelfs indien die om beroepsredenen de terminal en/of het magazijn betreden.

2.4. Vooraleer de aansprakelijkheden van het ongeval te onderzoeken, komt het gepast voor zich eerst te buigen over de tegenwerpelijkheid van bovenstaande exoneratiebepalingen, nu de principiële geldigheid ervan door partijen niet wordt betwist.

2.5. Degene die zich op een exoneratiebeding beroept, zal het bestaan ervan moeten bewijzen: reus excipiendo fit actor (art. 1315, tweede lid BW). Dat betekent dat de bewijslast voor de stilzwijgende aanvaarding van het beding dit geval op NV K.N. rust.

Om van een stilzwijgende aanvaarding te kunnen spreken, dient aan volgende voorwaarden te zijn voldaan:

i) de betrokkene heeft kennisgenomen of heeft redelijkerwijze kennis kunnen nemen van het exoneratiebeding;

ii) voordat het contract tot stand is gekomen;

iii) daarenboven moet het stilzwijgen «omstandig» zijn; de aanvaarding moet met andere woorden blijken uit bepaalde elementen, zoals de afwezigheid van uitdrukkelijk of stilzwijgend protest.

2.6. M.D. heeft naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs kennis kunnen nemen van het betrokken beding. Dit blijkt voldoende uit de bijgebrachte foto’s van de hiervoor beschreven borden, die op een opvallende plaats werden aangebracht, in duidelijke letters zijn geschreven en in begrijpelijke bewoordingen zijn gesteld.

2.7. De eerste rechter oordeelde dat het exoneratiebeding niet ter kennis werd gebracht vooraleer of ten laatste op het ogenblik dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en daarom niet tegenwerpelijk was. De rechtbank volgt dit standpunt niet.

Het aquiliaans exoneratiebeding maakt geen deel uit van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, maar van een betredingsovereenkomst die tot stand komt tussen de terreineigenaar (c.q. -uitbater) en diegene die het terrein betreedt. De rechtbank aanvaardt op basis van de voorliggende stukken dat het beding in casu ter kennis werd gebracht aan M.D. bij het betreden van het terrein. Het is immers van algemene bekendheid dat dergelijke borden terug te vinden zijn aan de ingang van nagenoeg alle havenconcessies in de haven van Antwerpen (Rb. Antwerpen 24 oktober 2006, NJW 2007, 325).

2.8. Ten slotte dient te worden beoordeeld of er sprake was van een omstandig stilzwijgen, waaruit de aanvaarding van M.D. kan worden afgeleid.

In het onderhavige geval was M.D. als havenarbeider, die regelmatig op het terrein kwam, bekend met de inhoud van die terreinborden, de regels eigen aan het verkeer in het havengebied en de gevaren die bestaan op de kaaien. Door de borden bewust te negeren en zijn voertuig op te stellen langs de kant van de kaai, dient te worden geoordeeld dat hij het exoneratiebeding heeft aanvaard, met als gevolg dat hij de tijdens zijn werkactiviteiten op het terrein aan zijn voertuig ontstane schade voor eigen rekening zou nemen.

2.9. Het standpunt dat het bevrijdingsbeding kennelijk onredelijk zou zijn omdat M.D. wegens zijn concrete activiteit met zijn personenwagen tot bij het schip waarop hij werkzaam is, moet geraken, volgt de rechtbank niet. Er was immers geen sprake van een louter stilstaan van het voertuig gedurende de tijd nodig om zaken te lossen, maar wel van een geparkeerd voertuig. Bovendien zijn er alternatieven denkbaar om de materialen die hij in zijn verklaring opsomt, tot bij het schip te brengen. In diezelfde verklaring geeft hij trouwens aan dat hij het voertuig voorafgaandelijk aan de aanrijding met veel plezier had verplaatst, indien hem dat was gevraagd. Hieruit volgt dat de aanwezigheid van het voertuig vlak bij het schip op het ogenblik van het ongeval niet strikt noodzakelijk was voor de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst.

2.10. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het hoger beroep van NV K.N. gegrond is en dat de oorspronkelijke vordering van M.D. ongegrond diende te worden verklaard. Het bestreden vonnis wordt in die zin hervormd.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 29/01/2018 - 11:25
Laatst aangepast op: ma, 29/01/2018 - 11:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.