-A +A

Exequatur of verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis verhindert kantonnement niet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 18/03/2002

Naar Belgisch recht is het (aanbod van) kantonnement – mits aan de wettelijke voorwaarden is voldaan – een absoluut recht van de tot betaling veroordeelde partij, tenzij de bodemrechter expliciet de mogelijkheid tot het stellen van het kantonnement uitsluit.

Het Europees Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Brussel op 27 september 1968, regelt o.a. de procedure tot erkenning van buitenlandse gerechtelijke uitspraken en het verkrijgen van het verlof tot tenuitvoerlegging van dergelijke gerechtelijke uitspraken, zonder evenwel de daadwerkelijke tenuitvoerlegging te regelen.

Het rechtsgeldig verkrijgen van het exequatur door een Belgische rechtbank, is een noodzakelijke voorwaarde om een buitenlandse rechterlijke beslissing in België ten uitvoer te kunnen leggen, maar impliceert verder niet dat de daadwerkelijke tenuitvoerlegging dient te gebeuren overeenkomstig de buitenlandse bepalingen inzake tenuitvoerlegging.

De beoordeling van de problemen van tenuitvoerlegging en geschillen die ontstaan in het raam van deze daadwerkelijke tenuitvoerlegging behoort tot bevoegdheid van de nationaal bevoegde rechter waar de tenuitvoerlegging geschiedt (in onderhavig geval de Belgische beslagrechter) en geschiedt overeenkomstig het nationale recht van de beslagrechter.

Er is daarbij in de Belgische rechtsorde geen enkele wettelijke of internationale norm die zou vereisen dat de modaliteiten van de zuivere tenuitvoerlegging van een buitenlandse gerechtelijke uitspraak zouden afwijken van de modaliteiten van de tenuitvoerlegging van een Belgische gerechtelijke uitspraak; elke discriminatie terzake – zowel positief als negatief – zou ontbloot zijn van enige wettelijke grondslag.

Het enkele feit dat een definitief verlof tot tenuitvoerlegging in België werd verkregen doet dan ook geen afbreuk aan de bevoegdheid van de beslagrechter om kennis te nemen van onderhavig geschil betreffende de mogelijkheid tot kantonnement.

Dit brengt mee dat de tenuitvoerlegging in België van een buitenlands vonnis, bekleed met het verlof tot tenuitvoerlegging door een Belgische rechtbank, beheerst wordt door de Belgische bepalingen terzake. De eiseres kan zich dan ook rechtsgeldig beroepen op de Belgische bepalingen inzake het kantonnement, die deel uitmaken van de Belgische bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen (hoofdstuk IV «Kantonnement van het vijfde deel «Bewarend beslag, middelen tot tenuitvoerlegging en collectieve schuldenregeling»).

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2002-2003
Pagina: 
30
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV W. t/ NV S.

De voorafgaande feiten

De relevante voorafgaande feiten kunnen als volgt worden samengevat:

– Bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van 14 juni 2000 de Rechtbank van Koophandel te Lille (Frankrijk) werd de huidige eiseres – samen met de vennootschap naar Portugees recht T. – solidair veroordeeld tot betaling aan de huidige verweerster van de som van 1.376.541 FF;

– Op 4 oktober 2000 tekende de huidige eiseres hoger beroep aan tegen het vonnis bij het Hof van Beroep te Douai (Frankrijk), alwaar de zaak op heden nog hangende is op de rol van de tweede kamer (nr. 5150.00-00/05566);

– Dit vonnis werd aan de huidige eiseres betekend op 15 maart 2001;

– Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent (derde kamer) van 27 september 2001, werd het exequatur verleend aan het vonnis van 14 juni 2000 van de Rechtbank van Koophandel te Lille;

– Op 7 november 2001 werd het vonnis van de derde kamer te Gent betekend aan de huidige eiseres;

– Op 14 december 2001 werd een bevel tot betaling betekend voor de som van 19.286.662 BEF of 478.103 EUR.

– Bij brief van 5 januari 2002 aan de instrumenterende gerechtsdeurwaarder betwistte de raadsman van de huidige eiseres de afrekening zoals opgenomen in het bevel tot betaling, meldend dat zijn cliënte niet solidair werd veroordeeld tot de beide hoofdsommen, maar slechts tot de hoofdsom van een van de twee overeenkomsten, voor een bedrag van 1.376.541 FF, onder vermelding dat «het nodige wordt gedaan».

– Bij brief van 9 januari 2002 bericht de instrumenterende gerechtsdeurwaarder dat de afrekening inderdaad onjuist was en zendt hij een herziene afrekening voor een bedrag van 272.838,28 EUR in hoofdsom, intresten en uitvoeringskosten.

– Uit de overgelegde briefwisseling van 8 januari, 10 januari en 21 januari 2002 blijkt dat de huidige eiseres herhaaldelijk heeft aangedrongen te kunnen overgaan tot kantonnement, hetgeen door de huidige verweerster hardnekkig werd geweigerd.

Bij dagvaardingsexploot van 17 januari 2002 werd de onderhavige zaak aanhangig gemaakt.

Argumenten en standpunt van de partijen

De eiseres voert aan dat zij het formeel aanbod deed om over te gaan tot het kantonnement van 272.838,28 EUR, maar dat de verweerster dit ten onrechte weigert; naar Belgisch recht is het kantonnement een recht, aangezien het de uitvoering betreft van een slechts als «voorlopig uitvoerbaar verklaard» Frans vonnis, waartegen beroep werd ingesteld.

De verweerster voert aan dat de eiseres door de onderhavige procedure poogt te ontsnappen aan de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Lille (Frankrijk) van 14 juni 2000; het kwam aan de Franse rechter toe de voorlopige tenuitvoerlegging ondergeschikt te maken aan het stellen van een dergelijke waarborg (gelijk te stellen met de Belgische rechtsfiguur van het kantonnement), wat niet is gebeurd.

Dat overeenkomstig art. 29 van het Verdrag van Brussel de herziening ten gronde van de buitenlandse rechterlijke beslissing niet toegelaten is; dat de Belgische rechtbanken, met inbegrip van de beslagrechter, onbevoegd zijn om de termen van de gewraakte beslissing te herzien en de voorlopige tenuitvoerlegging ervan te schorsen.

Dat – gelet op de vigerende Franse wetgeving inzake de berekening van de intresten – op heden door de eiseres een som van 270.753,20 EUR verschuldigd is.

Bespreking

De beoordeling van de vordering van de eiseres hangt in essentie samen met de beantwoording van de vraag of de tenuitvoerlegging in België van een buitenlandse rechterlijke uitspraak die uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard (in casu een Frans vonnis) – na het verkrijgen van een exequatur in België – dient te geschieden overeenkomstig de buitenlandse wetgeving inzake de tenuitvoerlegging, dan wel overeenkomstig de bepalingen inzake de tenuitvoerlegging in de Belgische wetgeving.

In onderhavige zaak wordt niet betwist dat de tenuitvoerlegging op basis van de Franse wetgeving terzake, impliceert dat het aan de bevoegde Franse rechter toekomt om – op verzoek van de belanghebbende partij – bij de voorlopige tenuitvoerlegging de mogelijkheid van het stellen van een (financiële) waarborg te voorzien; concreet impliceert dit dat bij ontstentenis van een dergelijke expliciete toelating door de Franse bodemrechter de schuldenaar enkel kan overgaan tot het stellen van een (financiële) waarborg mits hij hiertoe vooralsnog toelating krijgt van de bevoegde rechterlijke instantie (art. 523 en 524 nouv. C. proc. civ. franç.).

De verweerster baseert zich – onder verwijzing naar art. 29 en 34 van het Verdrag van Brussel – op deze bepalingen in het Franse recht om te argumenteren dat – bij ontstentenis van een Franse rechterlijke toelating tot het stellen van een financiële waarborg – de Belgische beslagrechter niet bevoegd zou zijn het aangeboden kantonnement toe te staan.

De verweerster gaat er daarbij kennelijk van uit dat de Franse uitspraak uitvoerbaar bij voorraad, zonder te oordelen over een waarborg, dient te worden gelijkgesteld met een Belgische uitspraak uitvoerbaar met uitsluiting van het kantonnement. Terzake dient te worden opgemerkt dat dit standpunt betreffende deze «gelijkstelling» allerminst als onbetwistbaar correct kan worden beoordeeld, daar de Franse wetgeving de mogelijkheid inhoudt om een machtiging tot het verkrijgen van toelating voor het stellen van een (financiële) garantie te verkrijgen bij een andere rechterlijke instantie dan de bodemrechter die de veroordeling heeft uitgesproken (art. 523 en 524 nouv. C. proc. civ. franç.).

Naar Belgisch recht daarentegen is het (aanbod van) kantonnement – mits aan de wettelijke voorwaarden is voldaan – een absoluut recht van de tot betaling veroordeelde partij, tenzij de bodemrechter expliciet de mogelijkheid tot het stellen van het kantonnement uitsluit.

Het Europees Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Brussel op 27 september 1968, regelt o.a. de procedure tot erkenning van buitenlandse gerechtelijke uitspraken en het verkrijgen van het verlof tot tenuitvoerlegging van dergelijke gerechtelijke uitspraken, zonder evenwel de daadwerkelijke tenuitvoerlegging te regelen.

Het rechtsgeldig verkrijgen van het exequatur door een Belgische rechtbank, is een noodzakelijke voorwaarde om een buitenlandse rechterlijke beslissing in België ten uitvoer te kunnen leggen, maar impliceert verder niet dat de daadwerkelijke tenuitvoerlegging dient te gebeuren overeenkomstig de buitenlandse bepalingen inzake tenuitvoerlegging.

De beoordeling van de problemen van tenuitvoerlegging en geschillen die ontstaan in het raam van deze daadwerkelijke tenuitvoerlegging behoort tot bevoegdheid van de nationaal bevoegde rechter waar de tenuitvoerlegging geschiedt (in onderhavig geval de Belgische beslagrechter) en geschiedt overeenkomstig het nationale recht van de beslagrechter.

Er is daarbij in de Belgische rechtsorde geen enkele wettelijke of internationale norm die zou vereisen dat de modaliteiten van de zuivere tenuitvoerlegging van een buitenlandse gerechtelijke uitspraak zouden afwijken van de modaliteiten van de tenuitvoerlegging van een Belgische gerechtelijke uitspraak; elke discriminatie terzake – zowel positief als negatief – zou ontbloot zijn van enige wettelijke grondslag.

Het enkele feit dat de verweerster rechtsgeldig en definitief verlof tot tenuitvoerlegging in België heeft verkregen (vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent van 27 september 2001) doet dan ook geen afbreuk aan de bevoegdheid van de beslagrechter om kennis te nemen van onderhavig geschil betreffende de mogelijkheid tot kantonnement.

Dit brengt mee dat de tenuitvoerlegging in België van het Franse vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Lille, bekleed met het verlof tot tenuitvoerlegging door het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent (3de kamer), beheerst wordt door de Belgische bepalingen terzake. De eiseres kan zich dan ook rechtsgeldig beroepen op de Belgische bepalingen inzake het kantonnement, die deel uitmaken van de Belgische bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen (hoofdstuk IV «Kantonnement van het vijfde deel «Bewarend beslag, middelen tot tenuitvoerlegging en collectieve schuldenregeling»).

Gelet op het bovenstaande en de concrete omstandigheden van onderhavige zaak, wordt het kantonnement toegestaan onder de volgende voorwaarden.

...

Gerelateerd
Modellen: 
Aangemaakt op: zo, 04/12/2016 - 12:06
Laatst aangepast op: zo, 04/12/2016 - 12:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.