-A +A

Exclusieve eigendom van een onroerend goed in gevolge wederbelegging

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 06/01/2016

Art. 1402 BW bepaalt: «Wederbelegging wordt geacht te zijn gedaan ten aanzien van een der echtgenoten, wanneer deze bij de aankoop van een onroerend goed verklaard heeft dat de aankoop geschiedt om hem tot wederbelegging te dienen en voor meer dan de helft betaald is uit de opbrengst van de vervreemding van een eigen onroerend goed of uit gelden waarvan het eigen karakter behoorlijk is aangetoond.»

Aankoop via wederbelegging schakelt het vermoeden van gemeenschap uit en geldt als afwijking op de regel dat aanwinsten tijdens het huwelijk verkregen gemeenschappelijk zijn.

De mogelijkheid voor de rechter om, naar billijkheid en gelet op de uitzonderlijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, in het vonnis waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, te beslissen dat bij de vereffening van de huwgemeenschap geen rekening zal worden gehouden met bepaalde goederen, betreft enkel goederen verworven na de feitelijke scheiding die volgens de normale werking van het gemeenschapsstelsel gemeenschappelijk zouden zijn.

Bijgevolg kan de rechter die mogelijkheid niet toepassen op goederen van de partijen die volgens de normale werking van het gemeenschapsstelsel eigen zijn, eventueel tegen betaling van een vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen.

Er bestaat geen rechtsgrond om een ex huwelijkspartner na de ontbinding van het huwelijk, in het kader van de voorlopige maatregelen, toe te staan verder verblijf te houden in een onroerend goed dat een exclusief eigen goed is van de gewezen echtgenoot.

Ook de rechter, moet de regels van het eigendomsrecht naleven, gelet op het feit dat partijen vermogensrechtelijke vreemden voor elkaar zijn geworden door het definitief worden van de echtscheiding. Met toepassing van art. 544 BW is eigendom het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken.

 

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1054
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

J. t/ J.

[...]

1. Partijen zijn (...) definitief uit de echt gescheiden.

De vrouw verblijft momenteel alleen in de woning, krachtens de machtiging daartoe verleend door de rechter in kort geding tijdens het echtscheidingsgeding in het kader van de voorlopige maatregelen.

De man vraagt dat de vrouw deze woning thans zou verlaten, aangezien de echtscheiding definitief is en zij a.h.w. zonder recht noch titel de woning, die exclusieve eigendom zou zijn van de man, betrekt.

De vrouw verzet zich daartegen en werpt op dat zij betwist dat de woning eigenkom zou zijn van de man alleen, terwijl de man ook niet kan vooruitlopen op de bevolen vereffening-verdeling van de huwgemeenschap.

In dat verband voert de vrouw ook aan dat zij in de vereffening-verdeling de preferentiële toewijzing vordert van deze woning. Het hof zou «onbevoegd» zijn om uitspraak te doen over de eigendomsbetwisting van het onroerend goed, aangezien enkel de notaris-vereffenaar zich hierover zou kunnen uitspreken in het kader van de vereffening en verdeling.

2. Het hof kan het verweer van de vrouw niet bijvallen.

3. Geen enkele wettelijke bepaling staat eraan in de weg dat de rechter, thans dit hof, zich uitspreekt over het eigendomsrecht van de woning. Dat de vereffening-verdeling werd bevolen, doet hieraan geen afbreuk.

Partijen zijn op dit ogenblik vermogensrechtelijke vreemden van elkaar, zodat een betwist eigendomsrecht kan worden uitgeklaard.

Bovendien mag de rechter zich niet aan rechtsweigering schuldig maken.

Er bestaat overigens ook geen exclusieve bevoegdheid van de notaris-vereffenaar en, bij uitbreiding, van de homologatie- of vereffeningsrechter om zich uit te spreken over het eigendomsrecht, indien deze kwestie zich reeds voordien op relevante wijze voordoet.

In dat verband kan per analogiam trouwens ook worden verwezen naar de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van koophandel, rechtsprekend zoals in kort geding, die in het kader van de vennootschapsrechtelijke geschillenprocedure eveneens vaak noodgedwongen uitspraak moet doen over het eigendomsrecht van de aandelen, niettegenstaande de eventuele hangende vereffening en verdeling van de huwgemeenschap.

Dat de vrouw de preferentiële toewijzing van deze woning vordert bij de notaris-vereffenaar, doet hieraan geen afbreuk. De notaris is geen rechter in organieke zin, zodat het gegeven dat een dergelijke vordering gesteld zou zijn geen «aanhangigheid» oplevert in de zin als bedoeld in art. 29 Ger.W.

Het hof is bijgevolg wel degelijk bevoegd om het eigendomsstatuut van de voormalige gezinswoning uit te klaren.

4. De vrouw kan niet worden gevolgd in haar stelling dat de voormalige gezinswoning tot de huwgemeenschap zou behoren en de man zijn exclusief eigendomsrecht niet bewijst. Alle stukken tonen het eigendomsrecht van de man aan. De man heeft het exclusief zakenrechtelijk statuut over de woning in kwestie. De man heeft het onroerend goed immers aangekocht bij wijze van wederbelegging.

Art. 1402 BW bepaalt: «Wederbelegging wordt geacht te zijn gedaan ten aanzien van een der echtgenoten, wanneer deze bij de aankoop van een onroerend goed verklaard heeft dat de aankoop geschiedt om hem tot wederbelegging te dienen en voor meer dan de helft betaald is uit de opbrengst van de vervreemding van een eigen onroerend goed of uit gelden waarvan het eigen karakter behoorlijk is aangetoond.»

Aankoop via wederbelegging schakelt het vermoeden van gemeenschap uit en geldt als afwijking op de regel dat aanwinsten tijdens het huwelijk verkregen gemeenschappelijk zijn.

Het hof erkent dat de aankoopakte van 6 november 1997 een sluitend bewijs van exclusieve eigendom is, aangezien de vrouw is tussengekomen in de akte (...) en de akte ook mee heeft ondertekend. De vrouw bevestigt overigens in deze aankoopakte dat de prijs en de beschrijfkosten werden betaald met gelden persoonlijk aan de man toebehorend, zoals hierboven vermeld in de akte.

De vraag buiten beschouwing latend of in dit geval toepassing kan worden gemaakt van art. 1341 BW (luidens welke bepaling geen bewijs kan worden geleverd tegen de inhoud van een akte), om reden dat de vrouw geen partij was bij de koop/verkoop, maar slechts heeft ondertekend als tussenkomende partij, zij opgemerkt dat deze tussenkomst precies tot doel heeft elke discussie uit te sluiten nopens de aankoop bij wijze van wederbelegging en bijgevolg nopens het eigen karakter van het onroerend goed aangekocht door de man.

Feit is alleszins dat deze akte door de vrouw niet beticht wordt van valsheid. Dat de vrouw de akte niet zou hebben getekend, is een stelling die dan ook feitelijke grondslag mist.

Feit is bovendien dat uit de notariële akte van kredietopening, bij de beschrijving van de oorsprong van eigendom, eveneens blijkt dat het onroerend goed eigendom is van de man alleen. De vrouw heeft deze akte eveneens mee ondertekend (in haar hoedanigheid van mede-kredietnemer). Dat in deze akte niet expliciet naar de «wederbelegging» als techniek wordt verwezen, is niet ter zake diendend, want alleen voor de akte van wederbelegging zelf gelden specifieke vormvereisten. Bij de akte van kredietopening was de vrouw ontegensprekelijk wél partij bij deze akte en kan zij geenszins als loutere derde worden gekwalificeerd.

Minstens en alleszins moet in deze zaak toepassing worden gemaakt van art. 1320 BW: ingevolge deze wetsbepaling levert de akte, zij het een authentieke of een onderhandse, tussen partijen bewijs op, zelfs van hetgeen daarin slechts bij wijze van vermelding wordt uitgedrukt, mits de vermelding rechtstreeks verband houdt met de beschikking.

Zelfs aangenomen dat de bewuste vermeldingen zouden moeten worden beschouwd als vermeldingen die geen rechtstreeks verband houden met de beschikking, kunnen deze vermeldingen nog steeds dienen tot begin van bewijs, dat in casu dan voldoende wordt aangevuld door de tussenkomst van de vrouw in de akte van aankoop (met de hierboven vermelde specifieke bedingen van wederbelegging) en de verklaring van de verkoper dat hij volledige kwijting geeft aan de man (i.e. de koper).

Deze wetsbepalingen worden niet buiten werking gesteld tussen echtgenoten, ook niet door de door de vrouw aangevoerde bewijsrechtelijke voorschriften, geput uit art. 1399 BW of art. 1405 BW. Wederbelegging vormt overigens precies een uitzondering op het vermoeden van gemeenschap.

De verklaring van wederbelegging in de notariële aankoopakte wordt ten slotte ook niet tenietgedaan door het feit dat partijen een kredietopening zijn aangegaan op dezelfde dag van de aankoop. Door de vrouw wordt niet afdoende bewezen dat deze kredietopening (het betreft immers geen lening) diende ter financiering van de aankoop. De vrouw voert zelf aan dat zij de verbouwingen mee heeft afbetaald, zodat aan te nemen is dat deze kredietopening daarvoor was bestemd.

5. Dat de vrouw de lening mee heeft afbetaald (zie de akte van kredietopening, waar de vrouw mee als kredietnemer heeft getekend), verschaft haar geen eigendomsrecht, maar brengt slechts vorderingsrechten teweeg. Bijdrage in de afbetaling van de lening heeft als zodanig geen zakelijke werking. Hetzelfde geldt voor de bewering van de vrouw dat zij ook de verbouwingen mee zou hebben afbetaald.

Deze aanspraken van de vrouw (die eventueel ook kunnen resulteren in het opmaken van vergoedingsrekeningen) moeten hun beslag krijgen in de vereffening en verdeling.

6. De verwijzing naar art. 1278, vierde lid Ger.W. is niet ter zake dienend. Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat tijdens de feitelijke scheiding van de echtgenoten hun animus societatis onbestaande is geworden en dat het derhalve billijk is dat de ene niet van het tijdens die periode van scheiding door de andere verwezenlijkte actief zou genieten, of omgekeerd, niet mede het door de andere opgestapelde passief zou moeten dragen. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op onderhavige betwisting: benevens het feit dat deze bepaling slechts toepassing vindt in de procedure van vereffening en verdeling, zij opgemerkt dat dit wetsartikel niet de roeping heeft om het eigendomsstatuut uit te klaren van goederen tussen (gewezen) echtgenoten, c.q. zou dienen ter kwalificatie van dit eigendomsrecht.

Bijgevolg kan de vrouw geen dienend argument putten uit het gegeven dat de woning jaren vóór de feitelijke scheiding van partijen werd aangekocht.

De mogelijkheid voor de rechter om, naar billijkheid en gelet op de uitzonderlijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, in het vonnis waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, te beslissen dat bij de vereffening van de huwgemeenschap geen rekening zal worden gehouden met bepaalde goederen, betreft enkel goederen verworven na de feitelijke scheiding die volgens de normale werking van het gemeenschapsstelsel gemeenschappelijk zouden zijn. Bijgevolg kan de rechter die mogelijkheid niet toepassen op goederen van de partijen die volgens de normale werking van het gemeenschapsstelsel eigen zijn, eventueel tegen betaling van een vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen (zie ook o.a.: Cass. 6 februari 2009, T.Not. 2010, 265).

7. De stelling van de vrouw dat zij niet begreep wat zij ondertekende en dat zij alsdan zelfs amper Nederlands verstond, kan niet worden aangenomen door het hof. De akte in kwestie vermeldt (...) dat de vrouw bevestigt «na lezing te hebben gehoord van hetgeen voorafgaat». Wie een document ondertekent, wordt verondersteld de taal van dit document te begrijpen.

Benevens de overweging dat van de instrumenterende notaris mag worden verwacht vooraf een toetsing te hebben doorgevoerd naar het feit of alle comparanten bij de akte de taal voldoende machtig waren, zij opgemerkt dat de vrouw volledig rechts- en handelingsbekwaam is en wordt geacht te weten waartoe zij zich verbindt, indien zij iets ondertekent. Uitgangspunt is dat eenieder voogd is van zijn eigen belangen: wie een document, a fortiori een notariële akte, ondertekent, moet beseffen wat de waarde en de draagwijdte van zijn handtekening is.

Gevolg geven aan de stelling van de vrouw zou de rechtszekerheid fundamenteel ondergraven en de notariële akte reduceren tot een document zonder rechtskracht of met verwaarloosbaar belang. De vrouw had in voorkomend geval (aangenomen dat zij de Nederlandse taal niet voldoende machtig zou zijn, wat zelfs niet afdoende bewezen voorkomt) moeten weigeren de akte te tekenen dan wel moeten aandringen op een schriftelijk vertaalde tekst, hetzij samen met de Nederlandstalige tekst van de akte, hetzij daarbuiten (in welk geval dan in de akte bevestiging kon worden gegeven dat deze vertaling voordien was ontvangen).

Minstens had de vrouw de bijstand kunnen vragen van een vertaler-tolk of in voorkomend geval zelfs kunnen vragen aan de notaris om een en ander mondeling te vertalen en te verduidelijken.

8. Er bestaat derhalve, gelet op bovenstaande overwegingen, geen rechtsgrond om de vrouw, na de ontbinding van het huwelijk, in het kader van de voorlopige maatregelen, toe te staan verder verblijf te houden in een onroerend goed dat een exclusief eigen goed is van de gewezen echtgenoot (zie ook in dat verband o.a.: P. Senaeve, «De geldingsduur van de voorlopige maatregelen tussen echtgenoten aangaande de goederen en de schulden na de wet op de familie- en jeugdrechtbank», T. Fam. 2015, (163) 165).

Ook de rechter, thans dit hof, moet de regels van het eigendomsrecht naleven, gelet op het feit dat partijen vermogensrechtelijke vreemden voor elkaar zijn geworden door het definitief worden van de echtscheiding. Met toepassing van art. 544 BW is eigendom het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken.

De overige argumenten en middelen die de vrouw aanvoert, zijn niet ter zake dienend in onderhavige betwisting. Ook billijkheid of sociale overwegingen wegen niet op tegen eigendomsrecht.

De man kan, besluitend, niet verstoken blijven van het genot van zijn eigendom voor de duur van de vereffening en verdeling.

9. Het bestreden vonnis dient te worden bevestigd, met de enkele wijziging dat de vrouw de tijd krijgt om de woning te ontruimen tot uiterlijk 30 april 2016.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 24/02/2018 - 16:23
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 17:37

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.