-A +A

Exceptio obscuri libelli

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Dendermonde
Datum van de uitspraak: 
don, 12/09/2013

Art. 702, 3° Ger.W. bepaalt dat de dagvaarding, op straffe van nietigheid, het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering bevat. 

Deze bepaling legt enkel de verplichting op om in de dagvaarding een korte samenvatting van de middelen van de vordering te geven. Hiermee worden niet de rechtsregels bedoeld, maar wel de feitelijke gegevens die aan de vordering ten grondslag liggen (Cass. 24 november 1978, Arr.Cass. 1978-79, 341). De middelen van de vordering zijn de feitelijke elementen die aan de eis ten grondslag liggen (Cass. 24 november 1978, Arr.Cass. 1978-79, 341, conclusie advocaat-generaal E. Krings); deze mogen in het kort worden opgegeven. Het onderwerp van de vordering is wat gevraagd wordt (cf. conclusie W. Ganshof van der Meersch voor Cass. 4 mei 1972, Pas. 1972, I, 815, voetnoten 2, 3, 4 en 5).

De rechter moet, met respect voor het recht van verdediging, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgedragen en onderworpen feiten immers zelf de rechtsregels toepassen op grond waarvan hij de vordering toekent of afwijst, zonder het voorwerp of de oorzaak van de vordering te mogen wijzigen (Gent 7e kamer, 19 oktober 2009, 2007/AR/0871, onuitg.).

De verplichting om in de dagvaarding het onderwerp en de middelen te vermelden, heeft in het bijzonder tot doel het recht van verdediging te waarborgen. De verweerder moet immers aan de hand van de dagvaarding weten wat van hem wordt gevorderd en waarom dit gebeurt (A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Luik, Faculté de droit, 1987, nrs. 196 en 199). De signaalfunctie van de dagvaarding staat centraal.

Art. 702, 3° Ger.W. kan bijgevolg slechts ingeroepen worden tot nietigverklaring van de dagvaarding in de mate dat het recht van verdediging van de gedaagde geschonden is. Er is geen obscuri libelli indien de verwerende partij weet waarvoor deze moet verschijnen en in de mogelijkheid verkeert binnen de door de eisende partij getrokken grenzen het debat aan te gaan en het verweer te voeren.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
952
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Het in art. 702, 3o Ger.W. bedoelde vereiste dat de dagvaarding, op straffe van nietigheid, het onderwerp en een korte samenvatting van de middelen van de vordering bevat, heeft een signaalfunctie. De nietigheidssanctie geldt enkel indien de dagvaarding het recht van verdediging van de gedaagde fnuikt.

BVBA E. t/ De V.

...

4.2. Nopens de obscuri libelli

4.2.1. Verweerder roept de exceptio obscuri libelli in.

4.2.2. Art. 702, 3o Ger.W. bepaalt dat de dagvaarding, op straffe van nietigheid, het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering bevat.

Deze bepaling legt enkel de verplichting op om in de dagvaarding een korte samenvatting van de middelen van de vordering te geven. Hiermee worden niet de rechtsregels bedoeld, maar wel de feitelijke gegevens die aan de vordering ten grondslag liggen (Cass. 24 november 1978, Arr.Cass. 1978-79, 341). De middelen van de vordering zijn de feitelijke elementen die aan de eis ten grondslag liggen (Cass. 24 november 1978, Arr.Cass. 1978-79, 341, conclusie advocaat-generaal E. Krings); deze mogen in het kort worden opgegeven. Het onderwerp van de vordering is wat gevraagd wordt (cf. conclusie W. Ganshof van der Meersch voor Cass. 4 mei 1972, Pas. 1972, I, 815, voetnoten 2, 3, 4 en 5).

De rechter moet, met respect voor het recht van verdediging, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgedragen en onderworpen feiten immers zelf de rechtsregels toepassen op grond waarvan hij de vordering toekent of afwijst, zonder het voorwerp of de oorzaak van de vordering te mogen wijzigen (Gent 7e kamer, 19 oktober 2009, 2007/AR/0871, onuitg.).

De verplichting om in de dagvaarding het onderwerp en de middelen te vermelden, heeft in het bijzonder tot doel het recht van verdediging te waarborgen. De verweerder moet immers aan de hand van de dagvaarding weten wat van hem wordt gevorderd en waarom dit gebeurt (A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Luik, Faculté de droit, 1987, nrs. 196 en 199). De signaalfunctie van de dagvaarding staat centraal.

Art. 702, 3o Ger.W. kan bijgevolg slechts ingeroepen worden tot nietigverklaring van de dagvaarding in de mate dat het recht van verdediging van de gedaagde geschonden is. Er is geen obscuri libelli indien de verwerende partij weet waarvoor deze moet verschijnen en in de mogelijkheid verkeert binnen de door de eisende partij getrokken grenzen het debat aan te gaan en het verweer te voeren.

4.2.3. Verweerder toont niet aan dat de in de dagvaarding gestelde vordering van eiseres dermate vaag of onduidelijk zou zijn dat hij in de onmogelijkheid zou verkeren zich daartegen de verdedigen of hierop te antwoorden.

In de dagvaarding wordt o.a. melding gemaakt van de door verweerder uitgeschreven en door eiseres (volgens haar ten onrechte) betaalde facturen. Voorts wordt verwezen naar de noodzaak tot regularisatie na controle van de sociale inspectie, reden waarom de werken worden beschouwd als zijnde in loondienst verricht en loonbrieven werden opgesteld, met betaling van RSZ en voorheffing. Regularisatie of herkwalificatie betekent dat men aan de betrokkene een andere arbeidsrechtelijke of socialezekerheidspositie gaat toekennen dan die welke hij op dat ogenblik formeel innam. Herkwalificatie impliceert dus dat de socialezekerheidspositie van de betrokkene wordt herzien op basis van de nieuwe hoedanigheid die hem wordt toegemeten. Die herziening slaat o.a. op de socialezekerheidsbijdragen. Ten slotte volgt een berekening van het bedrag dat verweerder volgens eiseres verschuldigd blijft (zijnde het verschil tussen de factuurbedragen en het nettoloon).

Nergens is voorgeschreven dat in de dagvaarding melding moet worden gemaakt van de stavingsstukken, laat staan dat hier reeds naar verwezen zou moeten worden. Het is dan ook duidelijk waarop de vordering van eiseres is gebaseerd.

Ook de inhoud van de nota bene zeer uitvoerige conclusies van verweerder bewijst de ongerijmdheid van zijn stelling.

De vordering van eiseres wordt afdoende omschreven alsook de middelen waarop deze vordering is gebaseerd.

De concrete rechtsgrond moet niet worden vermeld in de dagvaarding.

4.2.4. De dagvaarding is rechtsgeldig: de vordering is niet “obscuur”.

De exceptie faalt bijgevolg.

...

Noot: 

Zie ook:

Rb. Oost-Vlaanderen (afd. Dendermonde) 9 december 2016, 15/1585/ A - P&B / RDJP 2017/5-6, 230

Samenvatting

Onontvankelijkheid van een vordering is een door de rechtsleer opgemerkt lapmiddel dat bepaalde rechtspraak hanteert om een akte die niet kan nietig verklaard worden op basis van de nietigheidsregels, alsnog haar effect te ontnemen onder gebruikmaking van de omstandigheid dat de wetgever nagelaten heeft de ontvankelijkheidsleer in detail in detail uit te werken.

Dit komt evenwel neer op het toevoegen van sancties aan het sanctieregime van art. 860 en volgende GerW. Daarenboven miskent de herkwalificatie van de - klaarblijkelijk verworpen - nietigheidssanctie in een onontvankelijkheid het onderscheid tussen de begrippen "rechtsvordering" en "vorderingsrecht" of - meer algemeen geformuleerd - tussen de rechtsvordering en haar uitoefeningswijze

Nietigheid komt voort uit vormgebreken, niet uit inhoudelijke gebreken.

Dit is logisch, nu het criterium van de belangenschade'" impliceert dat enkel het formele recht van verdediging moet zijn gewaarborgd. Wanneer een verwerende partij kàn opwerpen dat de middelen van de dagvaarding van de spreekwoordelijke pot gerukt zijn, blijkt ipso facto haar recht van verdediging gewaarborgd en is de dagvaarding geldig. Nietigheid van de akte is dus helemaal iets anders dan onontvankelijkheid van de erin vervatte handeling of vordering.

Dat een vordering onontvankelijk is, is geen gevolg van enige nietigheid van haar dragende akte omdat de nietige akte geen gevolgen heeft.

De middelen bedoeld in art. 702.3° GerW zijn feitelijke middelen, geen rechtsmiddelen.

De saisine van de rechtbank omvat immers de feiten, niet de kwalificaties." Het is aan de rechtbank om de feiten definitief te kwalificeren en wanneer zij vaststelt dat partijen omtrent en/of onder deze kwalificatie geen relevant standpunt hebben ingenomen dient zij de debatten te heropenen om partijen toe te laten dit alsnog te doen. Onder art. 702.3° GerW kwalificaties ofte rechtsmiddelen begrijpen, zou de rechtbank de macht- "bevoegdheid" - ontnemen, minstens beperken, de juiste regel toe te passen op het geschil.

Inbreuken op art. 702.3° GerW zijn gesanctioneerd met de nietigheid van de beweerd gebrekkige akte.

Tekst van het vonnis

( ... )

IV Saisine

4.1 Voor alle duidelijkheid brengt de rechtbank haar standpunt aangaande de saisine waarbinnen zij gevat is in herinnering:

"3.1 Eisers vorderen in het kader van art. 19 al. 3 GerW een onderzoeksmaatregel.

Deze vordering bepaalt de saisine van de rechtbank, te weten deze alvorens recht te doen.

3.2 Het is pas wanneer deze vordering ongegrond blijkt, dat de rechtbank gevat kan zijn binnen de saisine om recht te doen.

Wanneer daarentegen de rechtbank de vordering alvorens recht te doen gegrond verklaart, dient zij de eventuele overige bodemvorderingen aan te houden.

3.3 Evenwel dient de rechtbank alvorens het verzoek tot onderzoeksmaatregel te behandelen na te gaan of de bodemvordering überhaupt ontvankelijk is.1 "

4.2 Het komt de rechtbank voor dat verschillende tussengeroepen partijen het belang van de aard van de saisine waarbinnen een rechtbank een vonnis wijst niet onderkennen. D.-D. stelt in de huidige staat van de procedure nochtans een vordering in die zich uitdrukkelijk beperkt tot de saisine waarbinnen de rechtbank op dit ogenblik gevat is, te weten deze omschreven in art. 19 al. 3 GerW, met andere woorden deze "[a]lvorens recht te doen". Zij vordert "tussenkomst en deelname aan een deskundig onderzoek". Het is ook slechts in die mate dat gebruik kan gemaakt worden van art. 735 § 2 al. 2 GerW en de zaak nu al kan worden behandeld.

Dit houdt in dat de rechtbank geen bodemuitspraken kan doen, niet tot veroordeling en al evenmin tot buitenzakestelling.

De saisine beschreven in art. 19 al. 3 GerW komt overeen met deze van de voorzitter van de rechtbank zetelend in kort geding, met dat verschil dat het urgentievereiste niet aan de orde is.2 De macht die de bodemrechter uitoefent is dus dezelfde als deze die de kortgedingrechter uitoefent in geval van hoogdringendheid.

Bijgevolg is stellen dat de rechtbank binnen de saisine van art. 19 al. 3 GerW een partij buiten zake zou kunnen stellen hetzelfde als stellen dat het vonnis waarbij een kort geding rechter een vordering tot voorlopige maatregel of tot onderzoeksmaatregel afwijst de ongegrondheid van de bodemvordering zou impliceren. Dergelijke redenering slaat nergens op, al was het maar omdat zij in conflict komt met de definities van de saisine respectievelijk de macht van de kortgedingrechter.

De rechtbank heeft dit besluit al aan de hand van een andere redenering uitgewerkt in het tussenvonnis. Evenwel bleek ter zitting dat niet alle gedaagden in tussenkomst deze passage van het tussenvonnis op dezelfde manier lazen. Het is om die reden dat de rechtbank bij deze een andere - als het ware interpretatieve - redenering uitwerkt.

4.3 Wanneer partijen besluiten uitwisselen binnen de saisine beschreven in art. 19 al. 3 GerW zijn zij niet verplicht hun bodemvorderingen aan te duiden.

De saisine bedoeld in art. 19 al. 3 GerW ontsnapt immers krachtens art. 735 § 2 al. 2 GerW aan de toepassing van art. 747 GerW, zodat de besluiten die een partij neerlegt niet geacht kunnen worden alle vorderingen en middelen te omvatten."

Indien zij toch hun bodemvorderingen aanduiden, dient de rechter deze vorderingen aan te houden voor berechting voor zover hij op de vorderingen tot voorlopige maatregelen of tot onderzoeksmaatregelen ingaat. Indien hij deze laatste vorderingen afwijst, kan hij de bodemvorderingen berechten voor zover zij in gereedheid blijken.

V Gronden van het vonnis

V.1 Ontvankelijkheid van de vorderingen

V.1.A Inleiding

5.1 Enkel partij P.F. betwist de ontvankelijkheid van de vorderingen van D.-D. 4

Zij beroept zich hierbij op art. 702.3° GerW, ook wel de exceptio obscuri libelli ofte de exceptie op basis van de onduidelijke formulering van de vordering genoemd. Een tweede argument dat P.F. naar voor schuift is de afwezigheid van bewijs(-stuk) dat D.-D. belang heeft bij haar vordering zoals gesteld tegenover P.F.

5.2 De andere partijen stellen ofwel geen uitdrukkelijk standpunt in te nemen - waardoor zij enkel verwijzen naar de onderzoeken die de rechtbank ambtshalve moet voeren - ofwel dat de vordering wel degelijk ontvankelijk is - wat in grote lijnen op hetzelfde neerkomt nu dit standpunt de rechtbank niet vrijstelt van onderzoek van de middelen van openbare orde.



V.1.8 Exceptie van de onduidelijke vordering

5.3 P.F. beroept zich op de exceptie van de onduidelijke vordering.

Haar standpunt terzake is dubbelzinnig geformuleerd:

- onder het eerste randnummer benadrukt zij - onder verwijzing naar een vonnis van de Vrederechter te Kontich5 - dat de kwestie van art. 702.3° GerW moet beoordeeld worden als een afdoende identificatie van "feitelijke gegevens". - onder het volgende randnummer lijkt P.F. evenwel al niet meer zo zeker van haar stuk nu zij de kwestie van art. 702.3° GerW analyseert als het "niet aangeven op welke (rechts) gtond'" de vordering is gebaseerd.

- onder het derde en laatste randnummer stelt zij onder verwijzing naar rechtspraak van de rechtbank te Brugge dat de vordering onontvankelijk is wanneer de eiser niet aantoont dat "haar feitenrelaas dermate juridisch is onderbouwd opdat (SIC) de rechtbank en de verwerende partij de oorzaken kunnen bepalen ,,a

Vraag is dus of P.F. de inhoud van haar eigen verweermiddel überhaupt weet te definiëren.

5.4 De middelen bedoeld in art. 702.3° GerW zijn feitelijke middelen, geen rechtsmiddelen.9

De saisine van de rechtbank omvat immers de feiten, niet de kwalificaties." Het is aan de rechtbank om de feiten definitief te kwalificeren en wanneer zij vaststelt dat partijen omtrent en/of onder deze kwalificatie geen relevant standpunt hebben ingenomen dient zij de debatten te heropenen om partijen toe te laten dit alsnog te doen. Onder art. 702.3° GerW kwalificaties ofte rechtsmiddelen begrijpen, zou de rechtbank de macht- "bevoegdheid" - ontnemen, minstens beperken, de juiste regel toe te passen op het geschil.

5.5 Daarenboven zijn inbreuken op art. 702.3° GerW gesanctioneerd met de nietigheid van de beweerd gebrekkige akte."

Nietigheid komt voort uit vormgebreken, niet uit inhoudelijke gebreken. Dit is logisch, nu het criterium van de belangenschade'" impliceert dat enkel het formele recht van verdediging moet zijn gewaarborgd. Wanneer een verwerende partij kàn opwerpen - en in deze ook daadwerkelijk opwerpt - dat de middelen van de dagvaarding van de spreekwoordelijke pot gerukt zijn, blijkt ipso facto haar recht van verdediging gewaarborgd en is de dagvaarding geldig. Nietigheid van de akte is dus helemaal iets anders dan onontvankelijkheid van de erin vervatte handeling of vordering. Dat een vordering onontvankelijk is, is geen gevolg van enige nietigheid van haar dragende akte omdat de nietige akte geen gevolgen heeft.

Wat P.F. komt te beweren is dat de beweerd nietige akte wel degelijk gevolg heeft gehad, te weten het instellen van een vordering, maar dat deze vordering onontvankelijk moet verklaard worden omwille van de aangeklaagde nietigheid. Dit is evenwel een absurde redenering:

- ofwel is de akte nietig: in die hypothese is er geen vordering ingesteld die de rechtbank onontvankelijk kan verklaren

- ofwel is de akte niet nietig: in die hypothese kan de rechtbank de vordering onontvankelijk verklaren, maar niet om reden van nietigheid van de akte.

Onontvankelijkheid van een vordering is een door de rechtsleer opgemerkt lapmiddel dat bepaalde rechtspraak hanteert om een akte die niet kan nietig verklaard worden op basis van de nietigheidsregels, alsnog haar effect te ontnemen onder gebruikmaking van de omstandigheid dat de wetgever nagelaten heeft de ontvankelijkheidsleer in detail in detail uit te werken.16 Dit komt evenwel neer op het toevoegen van sancties aan het sanctieregime van art. 860 en volgende GerW. Daarenboven miskent de herkwalificatie van de - klaarblijkelijk verworpen - nietigheidssanctie in een onontvankelijkheid het onderscheid tussen de begrippen "rechtsvordering" en "vorderingsrecht" of - meer algemeen geformuleerd - tussen de rechtsvordering en haar uitoefeningswijze :

"Hoe dan ook kan een loutere formaliteit moeilijk bestaansvoorwaarde voor de rechtsvordering zijn.[. .. ] Ook voorstanders van de sanctie geven toe dat de beoogde vormgebreken moeilijk tot niet-ontvankelijkheid kunnen leiden, aangezien de rechtsvordering in geen enkel opzicht wordt aangetast. "18 Het valt dan ook op dat P.F. veeleer dan de door de wet voorziene (ofte primaire) sanctie te vorderen, een door bepaalde rechtspraak" afgeleide (ofte secundaire) sanctie - waarvan de wet zelf het bestaan weerlegt-vordert en aldus op impliciete doch zekere wijze aangeeft dat naar haar mening aan de toepassingsvoorwaarden van de primaire - de wettelijk voorziene - sanctie niet is voldaan. In het andere geval had P.F. in hoofdorde toepassing van de wettelijke sanctie - nietlgverklaring'" - gevorderd en (slechts) in ondergeschikte orde de jurisprudentieel ontwikkelde - maar door deze rechtbank verworpen - sanctie - onontvankelijkverklaring. P.F. erkent in besluiten trouwens dat de onontvankelijkheidssanctie een lapmiddel is: de door haar aangehaalde rechtspraak sanctioneert niet de onduidelijkheid van het feitenrelaas maar het gebrek aan "juridische onderbouwing" van dit feitenrelaas.21 De rechtspraak die P.F. aanhaalt voegt dus een voorwaarde toe aan art. 702.3° GerW. Deze rechtbank oordeelt dat zij hiertoe geen enkele macht heeft. Overigens moet P.F. ook formeel consequent zijn: wanneer de door haar aangehaalde rechtspraak een voorwaarde toevoegt aan art. 702.3° GerW, kan zij niet beweren dat zij art. 702.3° GerW toepast.

5.6 Anders geformuleerd: P.F. heeft onder bijstand van een beslagen raadsman de nietigheidsvordering niet ingesteld ... De rechtbank kan deze dus ook niet toepassen, zelfs niet door herkwalificatie, gezien het beschikkingsbeginsel22: nietigheid is méér dan onontvankelijkheid, omdat de eerste het niet-bestaan van de handeling impliceert en de tweede het bestaan van de handeling uitdrukkelijk bevestigt maar aan de handeling haar gevolgen ontneemt.

V. 7 .C Exceptie van gebrek aan hoedanigheid en/of belang

5.7 P.F. werpt op dat D.-D. geen "stavingsstukken" voorlegt waaruit haar hoedanigheid en haar belang "ten opzichte van concludente" zouden blijken.23

5.8 "Belang" en "hoedanigheid" zijn twee onderscheiden wijzen waarop een partij zich tot zijn vordering verhoudt24: - "belang" betreft de vraag naar het voordeel dat een partij wil bekomen"

- "hoedanigheid" betreft de vraag naar de identiteit van de persoon die het voordeel kan bekomen.26

Het is om die reden dat het Gerechtelijk Wetboek in art. 17 en 18 de vraag naar hoedanigheid en belang uitdrukkelijk definieert in hoofde van de "eiser". Nergens in dit artikel is sprake van enig vereiste van hoedanigheid en/of belang in hoofde van de verweerder.

5.9 Meent P.F. dat passieflegitimatie een ontvankelijkheidskwestie is, met andere woorden een kwestie van "de mate waarin een persoon de gegrondheid van zijn aanspraak door een rechter kan laten beoordelen"27 ofte het zogenaamde "ius agendi" 28? Dit zou bepaald een innovatie zijn29 nu geen van de drie soorten onontvankelijkheid'" deze kwestie aangaan. 31

Passieflegitimatie beschouwen als een ontvankelijkheidskwestie is een ander voorbeeld van de door VAN ORSHOVEN in zijn al aangehaalde essay gesignaleerde - en zelfs aangeklaagde - denkfout een exceptie te (moeten) creëren om te verhelpen aan een probleem dat als dusdanig niet bestaat omdat de persoon die voor het probleem gevat werd - de rechter - het probleem zwaarder aanvoelt dan de wet het probleem definieert.32 Dusdoende creëert deze persoon evenwel nieuwe ontvankelijkheidsvereisten zonder noodzakelijk oog te hebben voor de systematiek die aan de ontvankelijkheidsleer ten grondslag ligt. Waarom kan een vordering niet gewoon ongegrond zijn bij gebrek aan bewezen rechtsband maar moet het bestaan van de rechtsband - een kwestie ten gronde - uit de gegrondheidskwestie gelicht worden om bij de ontvankelijkheidskwestie gevoegd te worden?33

De redenering volgens dewelke passieflegitimatie als ontvankelijkheidsvereiste - "het gebrek aan rechtsband"34 - geldt, leidt in het bijzonder in het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht tot vreemde resultaten. De auteur en het slachtoffer van slagen en verwondingen hebben a priori geen rechtsband, deze ontstaat door de onrechtmatige daad zelf en dus door de combinatie van fout, schade en het oorzakelijke verband hiertussen. De aangehaalde theorie van de rechtsband ofte passieflegitimatie als ontvankelijkheidsvereiste impliceert noodzakelijk dat het slachtoffer fout, schade én oorzakelijk verband moet aantonen als ontvankelijkheidsvereiste van zijn vordering. Zo lang hij deze fout, schade én oorzakelijk verband niet aantoont, kan zelfs geen deskundig onderzoek worden bevolerr" wat bepaald in medische dossiers problematisch is omdat deze vaak de identificatie van de fout tot doel hebben. Is procedurele ontvankelijkheid anders te beoordelen naargelang de kwestie contractueel dan wel extracontractueel is, wat in geval van herkwalificatie en wat met de reikwijdte van het vonnis sedert "Potpourri I", in het bijzonder de wijziging van art. 23 GerW? Anders geformuleerd: wanneer de fout wettelijk is, is zij een ontvankelijkheidsvereiste voor de vordering in schadevergoeding en wanneer zij contractueel is, is zij een gegrondheidsvereiste voor de vordering in schadevergoeding (omdat in dit laatste geval de "rechtsband" blijkt uit de loutere overeenkomst) ...

Aldus staat de passieflegitimatie als ontvankelijkheidsvereiste volledig buiten de theorie van de ontvankelijkheid36 en ook vanuit rechtsvergelijkend oogpunt houdt deze opvatting geen stand37.

Indien de rechtbank de hoedanigheid van de verweerder zou analyseren in termen van "ontvankelijkheid", zou zij termen toevoegen aan de wet. Deze rechtbank oordeelt dat zij hiertoe geen enkele macht heeft.

5.10 De vraag rijst dan ook waarom D.-D. "stavingsstukken" zou moeten neerleggen om haar hoedanigheid en belang aan te tonen:

- haar "belang" blijkt duidelijk uit de inleidende akte en haar bijlagen, nu D.-D. het voordeel nastreeft van dekking van haar eigen potentiële aansprakelijkheid door de door haar aangesproken derden

- haar "hoedanigheid" blijkt al evenzeer duidelijk uit de inleidende akte en haar bijlage, nu D.-D. optreedt in haar hoedanigheid van verweerster in de oorspronkelijk procedure De stukken waarop P.F. doelt moeten de realiteit van de relatie tussen D.-D. en haarzelf aantonen, maar dit is een kwestie ten gronde.38 Wil P.F. stellen dat de vordering onontvankelijk is omdat niet vast staat dat zij gegrond is?

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 07/02/2015 - 17:49
Laatst aangepast op: za, 23/06/2018 - 17:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.