-A +A

Exceptie van onwettigheid bij de burgerlijke rechter vereist geschil over schending subjectief recht en werkt enkel inter partes

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 24/02/2015

Volgens art. 144 Gw. behoren geschillen over burgerlijke rechten tot de exclusieve bevoegdheid van de gewone hoven en rechtbanken. Art. 145 Gw. kent op zijn beurt de bevoegdheden tot het beslechten van geschillen over politieke rechten ook principieel toe aan de justitiële rechtscolleges, maar machtigt de wetgever om in uitzonderingen te voorzien. Dergelijke uitzonderingen omvatten een rechtsmachtbedeling ten voordele van zogenaamde “buitengerechtelijke”, administratieve rechtscolleges.

Het inroepen van de exceptie van onwettigheid bij de burgerlijke rechter vereist een geschil over de schending van een subjectief recht en werkt enkel inter partes. Dit verweermiddel maakt het dus niet mogelijk om vóór het ontstaan van een geschil erga omnes een onwettige rechtshandeling uit het rechtsverkeer te halen.

De grondwettelijke rechtsmachtverdeling tussen de administratieve en de justitiële rechtscolleges wordt op elementaire, maar exhaustieve wijze geregeld door de art. 144 en 145 Gw. Art. 144 Gw. kent de bevoegdheid voor geschillen over burgerlijke rechten exclusief toe aan “de rechtbanken”, i.e. de gewone hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht in de organieke zin. Art. 145 Gw. maakt de gewone hoven en rechtbanken ook principieel bevoegd voor geschillen over politieke rechten, maar machtigt de wetgever om de rechtsmacht voor geschillen betreffende politieke rechten aan de justitiële rechter te onttrekken en bijgevolg toe te kennen aan een administratief rechtscollege. Elk geschil over een subjectief recht is een geschil over een burgerlijk of een politiek recht.

Geschillen inzake private rechtsbetrekkingen tussen particulieren, het opleggen van vrijheidsstraffen, de meeste fundamentele rechten en vrijheden uit titel II van de Grondwet, en een pecuniaire schadevergoeding of andere vormen van herstel naar aanleiding van de schending van een subjectief (burgerlijk of politiek) recht worden traditioneel beschouwd als geschillen over burgerlijke rechten. De aard van de toepasselijke rechtsregels is determinerend, ongeacht de hoedanigheid van de in het geding zijnde partijen of de aard van de handeling waardoor een recht wordt geschonden

Het begrip “rechtsmacht” dient te worden onderscheiden van “bevoegdheid”.

Rechtsmacht is één van de drie functies in de Staat. Het begrip verwijst naar de rechterlijke macht in de functionele betekenis, de macht om rechtsgeschillen te beslechten, om recht te spreken. Bevoegdheid daarentegen is het concrete deel van het rechtsmacht dat aan een specifieke rechter wordt toebedeeld (S. Lust, Rechtsherstel door de Raad van State in Administratieve rechtsbibliotheek, Brugge, die Keure, 2000, p. 111, nr. 54). Noch de materiële, noch de territoriale bevoegdheid van deze.

Luidens art. 159 Gw. is het alle rechters verboden om de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen toe te passen ingeval ze niet overeenstemmen met de wetten. Deze bevoegdheid bestaat niet op zichzelf, maar is geënt op de algemene bevoegdheid van de rechter op grond van art. 40, 144 en 145 Gw. Zij is complementair aan zijn algemene opdracht en moet hem in staat stellen zijn taak naar behoren te vervullen, zonder daarbij gehinderd te worden door het gezag of de rechtskracht van eventuele administratieve overheidshandelingen die een invloed (kunnen) hebben op het geschil (J. Delva, “De onafhankelijkheid van de Belgische rechter ten aanzien van de uitvoerende macht”, TBP 1988, 180).

Aan de rechtbank komt derhalve de grondwettelijke verplichting toe een wettigheidscontrole – bedoeld in art. 159 Gw. – van bestuurshandelingen uit te voeren

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1513
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Rechtbank van Eerste Aanleg te Oost-Vlaanderen Afdeling Gent, RW 2016-2017, 1513

D. t/ BVBA BP

Gegevens en voorwerp van de vordering

...

II. De vorderingen

2.1. De vordering van de eiser strekt er volgens zijn syntheseconclusies van 12 december 2014 toe om in een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis:

– aan de verweerster verbod op te leggen om verder uitvoering te geven aan de stedenbouwkundige vergunning nr. 2013/339 van 26 augustus 2013 voor wat betreft de bouw van een nieuw appartementsgebouw met ondergrondse parking gelegen te G., perceel X, dit onder verbeurte van een dwangsom van 25.000 euro per dag dat het verbod wordt overtreden;

– te zeggen voor recht dat het aldus opgelegde verbod zal gelden tot op het ogenblik dat door verweerster een nieuwe en definitief geworden stedenbouwkundige vergunning zal zijn verkregen voor de bouw van dit appartementsgebouw met ondergrondse parking, op basis van bouwplannen en eventuele andere documenten die melding maken van de raamopening, het verluchtingsrooster en de regenwaterafvoer in het appartementsgebouw gelegen te G., perceel Y. (en in de aanvraag wordt aangegeven dat dit gebouw paalt aan het bouwperceel);

– te bepalen dat het verbeurd zijn van de dwangsom mag worden aangetoond met alle middelen van recht en de in voorkomend geval daartoe aangezochte gerechtsdeurwaarder te machtigen om zo nodig ook vaststellingen te doen buiten de uren en dagen bepaald in art. 47 Ger.W.;

– voorbehoud te verlenen voor de schade die de eiser lijdt indien de raamopening en het verluchtingsrooster alsnog dichtgebouwd zouden worden en de regenwaterafvoer zou worden weggenomen of verplaatst door de verweerster;

(...).

2.2. Verweerster verzoekt de rechtbank primair om zich onbevoegd te verklaren. Subsidiair vraagt zij om de ingestelde vordering als ongegrond af te wijzen (...).

III. Relevante feiten

3.1. Eiser is de eigenaar van een appartementsgebouw gelegen te G., perceel X). Dit gebouw wordt verhuurd. Op het perceel ernaast (perceel Y) wordt door de verweerster een bouwproject uitgevoerd waarbij zij in de plaats van het vroegere gebouw (drankgelegenheid) een appartementsgebouw wenst op te richten.

In de (links gelegen) muur van het appartementsgebouw van de eiser is (volgens de eiser reeds langer dan dertig jaar) in het bovenste deel ervan een raamopening aanwezig die volgens de eiser dient tot verlichting en verluchting van een badkamer van één van de appartementen in zijn gebouw. In deze muur is tevens een (klein) verluchtingsrooster aanwezig en er hangt een regenwaterafvoerbuis tegen.

3.2. Bij beslissing van de stad Gent van 26 augustus 2013 heeft de verweerster een stedenbouwkundige vergunning, die werd aangevraagd op 2 mei 2013, verkregen om het bestaande gebouw op dit perceel af te breken en een nieuw appartementsgebouw met ondergrondse garage op te richten. Eiser beweert niet op de hoogte te zijn gebracht van de aanvraag om deze stedenbouwkundige vergunning te verkrijgen. Uit deze stedenbouwkundige vergunning kan onder meer worden afgeleid dat het gebouw van de eiser (dat zich rechts van het op te richten pand bevindt, gezien vanaf de straatzijde) als een beschermd stadsgezicht wordt gecatalogeerd.

Tijdens het openbaar onderzoek werd er één bezwaarschrift ingediend, maar niet door de eiser. Dit bezwaarschrift had in hoofdzaak betrekking op het vóór de aanvang van de werken opstellen van een staat van bevinding van het pand van de indiener ervan.

De stedenbouwkundige vergunning werd verleend bij beslissing van 26 augustus 2013. Vervolgens werd deze door de zorgen van de aanvrager (verweerster) en onder toezicht van de gemeentesecretaris ter plaatse aangeplakt. Eiser heeft (net zomin als enige andere partij) geen administratief beroep aangetekend tegen het verlenen van deze stedenbouwkundige vergunning. Er volgde evenmin een beroep bij de Raad voor Vergunningenbetwistingen en/of bij de Raad van State.

De afbraakwerken zijn in mei 2014 van start gegaan en blijkbaar heeft de eiser zich in augustus 2014 gerealiseerd dat het nieuw op te richten gebouw hoger zou zijn dan het vorige gebouw en dat het aan zijn pand zou worden aangebouwd, waardoor het raam in de zijgevel (bovenaan) dichtgemetst zou worden evenals het verluchtingsrooster. Op 8 september 2014 heeft de (voormalige) raadsman van de eiser de verweerster in gebreke gesteld en uitdrukkelijk meegedeeld dat de eiser erop staat dat het raam in de zijgevel dient behouden te blijven, zodat er licht en verse lucht in die ruimte kan worden binnengelaten. Deze ingebrekestelling werd herhaald door de nieuwe raadsman van de eiser per brief van 1 oktober 2014.

IV. Beoordeling

A. Rechtsmacht

4.1. De verwerende partij is in de eerste plaats van oordeel dat de eisende partij in casu geen subjectieve rechten doet gelden (en evenmin kan doen gelden) waardoor de ingestelde vordering om een verbod op te leggen enkel betrekking heeft op de objectieve geschillenbeslechting, waardoor deze rechtbank geen enkele rechtsmacht heeft om zich daarover uit te spreken. Verweerster leidt hieruit af dat de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren.

Meer bepaald voert de verweerster aan dat de vordering van de eiser volledig is opgebouwd rond het feit (de bewering) dat het oprichten van het (vergunde) appartementsgebouw ertoe zou leiden dat de raamopening in de zijmuur van het gebouw van de eiser zou worden dichtgemetst, terwijl deze opening in strijd is met de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en de eiser dus elke rechtsgrond ontbeert om het behoud van dit raam te eisen. De burgerlijke rechter mag volgens de verweerster enkel maar kennisnemen van een vordering die betrekking heeft op de schending van een subjectief recht en niet van een vordering die gebaseerd wordt op het niet-naleven van de procedure inzake het openbaar onderzoek in het kader van een vergunningsaanvraag, wat tot de objectieve geschillenbeslechting behoort, waarvoor enkel administratieve rechtscolleges bevoegd zijn. Eiser toont niet aan dat de litigieuze raamopening op rechtmatige wijze werd aangebracht en hij geeft zelfs geen vermoeden van het bestaan van een (schijn van) recht aan door bijvoorbeeld een administratiefrechtelijke beroepsprocedure of een kortgedingprocedure of stakingsvordering in te stellen.

Eiser stelt hier tegenover dat zijn vordering wel degelijk betrekking heeft op de schending van subjectieve rechten. Zo zou de verweerster ten onrechte hebben nagelaten om bij de vergunningsaanvraag te kennen te geven dat de eiser (ook) een rechtstreekse aanpalende eigenaar is waardoor eiser niet rechtstreeks werd aangeschreven door de vergunningverlenende overheid en zijn rechten in het kader van het openbaar onderzoek geschonden werden (art. 1382-1383 BW). Voorts voert eiser aan dat hij zich kan beroepen op het bestaan van een erfdienstbaarheid, minstens op grond van de verkrijgende verjaring. Ten slotte zou er ook sprake zijn van de inname van een niet-gemene muur, zodat de verweerster tot vergoeding gehouden is.

4.2. Volgens art. 144 Gw. behoren geschillen over burgerlijke rechten tot de exclusieve bevoegdheid van de gewone hoven en rechtbanken. Art. 145 Gw. kent op zijn beurt de bevoegdheden tot het beslechten van geschillen over politieke rechten ook principieel toe aan de justitiële rechtscolleges, maar machtigt de wetgever om in uitzonderingen te voorzien. Dergelijke uitzonderingen omvatten een rechtsmachtbedeling ten voordele van zogenaamde “buitengerechtelijke”, administratieve rechtscolleges.

Het inroepen van de exceptie van onwettigheid bij de burgerlijke rechter vereist een geschil over de schending van een subjectief recht en werkt enkel inter partes. Dit verweermiddel maakt het dus niet mogelijk om vóór het ontstaan van een geschil erga omnes een onwettige rechtshandeling uit het rechtsverkeer te halen.

De grondwettelijke rechtsmachtverdeling tussen de administratieve en de justitiële rechtscolleges wordt op elementaire, maar exhaustieve wijze geregeld door de art. 144 en 145 Gw. Art. 144 Gw. kent de bevoegdheid voor geschillen over burgerlijke rechten exclusief toe aan “de rechtbanken”, i.e. de gewone hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht in de organieke zin. Art. 145 Gw. maakt de gewone hoven en rechtbanken ook principieel bevoegd voor geschillen over politieke rechten, maar machtigt de wetgever om de rechtsmacht voor geschillen betreffende politieke rechten aan de justitiële rechter te onttrekken en bijgevolg toe te kennen aan een administratief rechtscollege. Elk geschil over een subjectief recht is een geschil over een burgerlijk of een politiek recht.

Geschillen inzake private rechtsbetrekkingen tussen particulieren, het opleggen van vrijheidsstraffen, de meeste fundamentele rechten en vrijheden uit titel II van de Grondwet, en een pecuniaire schadevergoeding of andere vormen van herstel naar aanleiding van de schending van een subjectief (burgerlijk of politiek) recht worden traditioneel beschouwd als geschillen over burgerlijke rechten. De aard van de toepasselijke rechtsregels is determinerend, ongeacht de hoedanigheid van de in het geding zijnde partijen of de aard van de handeling waardoor een recht wordt geschonden (J. Vande Lanotte en G. Goedertier, Handboek Belgisch Publiekrecht, Brugge, die Keure, 2013, 820; Cass. 5 november 1920, Pas. 1920, I, 239; Cass. 16 december 1995, Pas. 1966, I, 513).

De door de verweerster opgeworpen exceptie kan dan ook niet slagen.

B. Bevoegdheid

4.3. Uit de door haar opgeworpen exceptie van rechtsmacht leidt de verweerster in het dispositief van haar conclusies af dat deze rechtbank niet bevoegd zou zijn om zich over het voorliggende geschil uit te spreken. Het begrip “rechtsmacht” dient echter te worden onderscheiden van “bevoegdheid”.

Rechtsmacht is één van de drie functies in de Staat. Het begrip verwijst naar de rechterlijke macht in de functionele betekenis, de macht om rechtsgeschillen te beslechten, om recht te spreken. Bevoegdheid daarentegen is het concrete deel van het rechtsmacht dat aan een specifieke rechter wordt toebedeeld (S. Lust, Rechtsherstel door de Raad van State in Administratieve rechtsbibliotheek, Brugge, die Keure, 2000, p. 111, nr. 54). Noch de materiële, noch de territoriale bevoegdheid van deze rechtbank kan op een ernstige wijze worden betwist.

C. De exceptie van illegaliteit

4.4. Luidens art. 159 Gw. is het alle rechters verboden om de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen toe te passen ingeval ze niet overeenstemmen met de wetten. Deze bevoegdheid bestaat niet op zichzelf, maar is geënt op de algemene bevoegdheid van de rechter op grond van art. 40, 144 en 145 Gw. Zij is complementair aan zijn algemene opdracht en moet hem in staat stellen zijn taak naar behoren te vervullen, zonder daarbij gehinderd te worden door het gezag of de rechtskracht van eventuele administratieve overheidshandelingen die een invloed (kunnen) hebben op het geschil (J. Delva, “De onafhankelijkheid van de Belgische rechter ten aanzien van de uitvoerende macht”, TBP 1988, 180).

Aan de rechtbank komt derhalve de grondwettelijke verplichting toe een wettigheidscontrole – bedoeld in art. 159 Gw. – van bestuurshandelingen uit te voeren (Antwerpen 11 oktober 1999, AJT 1999-2000, 340, noot D. Van Orshaegen en H. Thijs, Amén. 2000, 156, RW 1999-2000, 924, TMR 2000, 52; Brussel 6 juni 2007, TMR 2007, 544; Brussel 5 september 2005, 2004/AR/423, onuitg.; Brussel 19 februari 2001, 2001/AR/398, onuitg. waarin eraan wordt herinnerd dat de wettigheidscontrole van de rechter “niet in(sluit) dat binnen de beoordelingsgrenzen van het bestuur mag worden getreden door een opportuniteitsoordeel te vellen”; Brussel 6 januari 1999, AJT 1999-2000, 60 (hoger beroep) en Voorz. Rb. Leuven 11 juni 1998, 98/115/C, onuitg. (eerste aanleg): de wettigheidscontrole bestond in het onderzoek naar het al dan niet vervallen zijn van de verkavelingsvergunning waarop de bouwvergunning was gebaseerd; Brussel 15 november 1995, Pas. 1995, II, 68; Brussel 8 maart 1995, Amén. 1996, 161, noot F. Tulkens, T.Gem. 1995, 292, noot R. Vekeman, TMR 1996, 40; TRV 1995, 416, noot D. Van Gerven; Gent 23 november 2001, RW 2003-04, 1727, noot A. Carette, TGR 2002, 212, TMR 2002, 265, noot, die de verplichting tot wettigheidstoets enigszins nuanceert; Gent 24 juni 1997, RW 1998-99, 19; Gent 29 april 1997, AJT 1997-98, 195, noot T. De Waele (zie ook: RvS 17 juni 2008, nr. 184.261, Ongena e.a.); Voorz. Rb. Gent 19 maart 2004, NJW 2004, 1247, noot LL; Voorz. Rb. Gent 16 juni 2004, TMR 2005, 232, noot P. Lefranc, die erop wijst dat het feit dat geen annulatieberoep werd ingesteld tegen de milieuvergunning niet verhindert dat een stakingsvordering wordt ingesteld; Voorz. Rb. Gent 30 mei 2001, TMR 2002, 273; noot; zie echter: Voorz. Rb. Brussel 27 april 2001, Journ.proc. 2001, afl. 416, 22, noot N. De Sadeleer, JDP 2001, 22; Voorz. Rb. Hasselt 28 maart 2002, P.&B. 2003, 101), wanneer blijkt dat zij als verantwoording gelden voor de betwiste handelingen waarvan de staking wordt gevorderd, ook indien de Raad van State het beroep tot nietigverklaring of tot schorsing heeft verworpen of de procedure voor de Raad van State nog hangende is en spijts het vermoeden van wettigheid dat aan de administratieve rechtshandeling kleeft (Antwerpen 24 juni 2002, NJW 2003, 18, noot S.L., P.&B. 2003 73, RABG 2003, 156, noot S. Lust, TMR 2006, 661, noot, TROS 2003, 193, noot R. Vekeman). Het komt de rechtbank evenwel niet toe om de opportuniteit van een verleende vergunning te beoordelen of om zich in te laten met de beleids- en opportuniteitsaspecten van een verleende vergunning (Gent 2 juli 2004, 2004/AR/1705, onuitgegeven).

Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat de stelling van de verweerster dat deze exceptie van onwettigheid door de eiser in deze procedure voor de burgerlijke rechter niet nuttig zou kunnen worden opgeworpen omdat hij niet alle ter beschikking staande (administratiefrechtelijke) rechtsmiddelen zou hebben aangewend tegen de verleende stedenbouwkundige vergunning, door deze rechtbank niet kan worden bijgevallen. Voor de beoordeling van de gegrondheid van de exceptie die gebaseerd is op art. 159 Gw. speelt het immers geen rol of het administratief beroep al dan niet werd uitgeput; met andere woorden (de toelaatbaarheid van) het vorderingsrecht van de eiser wordt door de vaststelling dat geen administratief beroep werd aangetekend tegen de op 26 augustus 2012 verleende vergunning niet aangetast (dit in tegenstelling tot wat in de door de verweerster voorgelegde kortgeding-beschikking van 24 januari 2014 wordt geoordeeld). Deze achterhaalde visie van de Raad van State wordt door de “gewone” rechtbanken en hoven niet gevolgd (J. Vande Lanotte en G. Goedertier, o.c., editie 1997, p. 509, nr. 959; Cass., 24 november 1988, RW, 1988-89, 1306).

4.5. De eiser baseert de door hem opgeworpen exceptie van onwettigheid allereerst op de argumentatie dat de regels van het openbaar onderzoek (zoals vervat in het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000) werden geschonden omdat hij als eigenaar van een aanpalend pand niet individueel in kennis werd gesteld van de aanvraag door verweerster van de stedenbouwkundige vergunning. Ten gevolge hiervan heeft de eiser zijn bezwaarrecht niet nuttig kunnen aanwenden en heeft hij inzonderheid de vergunnende overheid niet kunnen wijzen op de aanwezigheid van de raamopening in de zijgevel waartegen het nieuwe gebouw zou worden aangebouwd.

De relevante wetsbepaling dienaangaande is art. 7, § 1 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsaanvragen en aanvragen tot verkavelingswijziging. Dit artikel luidt als volgt:

“Indien de aanvraag betrekking heeft op een perceel met een kadastraal nummer, dan worden de eigenaars van alle aanpalende percelen voor de aanvang van het openbaar onderzoek door het gemeentebestuur bij een ter post aangetekende brief of bij een individueel bericht tegen ontvangstbewijs in kennis gesteld van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsaanvraag. De aanvrager betaalt de kosten van de aangetekende zendingen.

“Indien het een aanvraag tot wijziging van de verkaveling betreft, dan moeten enkel de eigenaars van de aanpalende percelen die geen deel uitmaken van de verkaveling door de gemeente worden in kennis gesteld.

“De gemeente zoekt de namen en adressen van de eigenaars op. Onder het begrip eigenaar mag worden begrepen de eigenaar volgens de meest recente door de diensten van het kadaster aan de gemeente verstrekte informatie, tenzij de gemeente beschikt over recentere informatie.

“Onder het begrip aanpalend perceel wordt begrepen, een gekadastreerd perceel dat op minstens één punt grenst aan de plaats van de aanvraag en/of aan percelen in eigendom van de aanvrager, die palen aan die plaats”.

In casu werd de eiser niet aangeschreven door de vergunningverlenende (lokale) overheid omdat hij volgens de meest recente kadastrale gegevens geen eigenaar was van een aan de aanvraaglocatie palend perceel. De door de beide partijen voorgelegde kadastrale uittreksels tonen aan dat het kadastraal perceel waarop de verweerster de bouwwerken zou gaan uitvoeren en op heden ook uitvoert, niet grenst aan het perceel X (zijnde het perceel van de eiser) maar wel aan het perceel Z (zijnde het achterliggende perceel, N.11) waarvan de eigenaar wel degelijk (per aangetekend schrijven) werd aangeschreven door het stadsbestuur. De omstandigheid dat de doorgang die perceel Y heeft naar de straat toe op een bepaalde hoogte “overbouwd” werd door het pand van de eiser (waardoor dit blijkbaar de facto aan het nieuw op te richten gebouw is komen te grenzen), verandert aan deze vaststelling niets en betekent ook niet dat de eiser als eigenaar van een aanpalend perceel beschouwd zou moeten worden.

Van een onwettigheid in de uitvoering van de voorschriften van de procedure van het openbaar onderzoek is derhalve geen enkele sprake.

4.6. De tweede grief van de eiser houdt samengevat in dat de te beteugelen onwettigheid ook af te leiden valt uit de afwezigheid van vermelding van de raamopening, het verluchtingsrooster en de regenwaterafvoer in de door de verweerster ingediende bouwplannen. Dit diende volgens de eiser nochtans mee betrokken te worden in de beoordeling door de vergunningsverlenende overheid en met name bij de beoordeling van de impact van het nieuwe project op de goede ruimtelijke ordening. Het ontbreken van deze informatie in het aanvraagdossier van de verweerster vormt volgens de eiser een nalatigheid van de verweerster waardoor haar aansprakelijkheid inzake zou zijn.

In die context wijst de verweerster er zeer terecht op dat de eigendomsakte van het pand van de eiser nergens melding maakt van het bestaan van enige erfdienstbaarheid ten laste van het perceel waarop de bouwwerken door de verweerster worden uitgevoerd. Bovendien maakt de verweerster het aannemelijk dat de raamopening, het verluchtingsrooster en de afvoerbuis ten tijde van de stedenbouwkundige aanvraag op geen enkele wijze zichtbaar waren vanop de straatzijde (voorkant) van het vroeger bestaande gebouw. Zelfs uit de door de eiser voorgelegde foto’s valt met grote waarschijnlijkheid af te leiden dat er van dit raam (waarvan de eiser blijkbaar ook niet kan aantonen dat het op rechtmatige wijze in zijn zijgevel werd aangebracht, laat staan wanneer dit dan wel zou zijn gebeurd) niets zichtbaar was toen het vroegere gebouw daar nog aanwezig was.

Ten overvloede merkt de verweerster hierbij terecht op dat men van haar (of van haar architect) toch niet mag verwachten dat zij zich (ten tijde van het opstellen van het dossier voor de stedenbouwkundige vergunningsprocedure) op gevaar van eigen leven zouden begeven op het hellende dak van de vroegere constructie om te gaan vaststellen of er zich in de zijgevel van het (rechts) aangrenzende gebouw (van de eiser) toch geen vensters of verluchtingsroosters bevinden, terwijl hiervan op de bestaande plannen en in de bestaande eigendomsaktes geen spoor terug te vinden was. Van een onwettigheid in de bouwplannen en/of in de stedenbouwkundige vergunning is op deze grond dan ook (opnieuw) geen enkele sprake.

4.7. Gelet op het bovenstaande is er dan ook geen enkele reden om een fout of nalatigheid van de verweerster aan te nemen, laat staan om haar een verbod op te leggen om over te gaan tot de uitvoering van de vergunde werkzaamheden. De verweerster is geenszins gehouden tot het stilleggen van de vergunde werken en evenmin tot het aanvragen van een nieuwe vergunning.

Evenmin is er op heden enige reden aanwezig om de eiser voorbehoud te verlenen voor het (nadien) vorderen van een schadevergoeding.

De vordering dient integraal als ongegrond te worden afgewezen.

...

 

Noot: 

Het belang van een rechtspersoon: Rb. Brussel 22 januari 2010, met noot, RW 2010-2011, 1480

Hoewel er geen eensgezindheid bestaat over de definitie van het begrip belang, kan het belang worden gedefinieerd als ieder materieel of moreel – daadwerkelijk, maar niet theoretisch – voordeel dat de eiser kon halen uit de vordering die hij instelde, op het ogenblik waarop hij die vordering aanhangig maakte, zelfs zo de erkenning van het recht, de ontleding of de ernst van de schade slechts komen vast te staan op het ogenblik van de uitspraak van het vonnis (P. Vanlersberghe, «Artikel 17 Ger.W.» in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2002, (1), p. 9, nr. 7).

Het belang moet rechtstreeks en persoonlijk zijn. Om in rechte te kunnen optreden, moet men rechtstreeks en persoonlijk zijn geraakt in zijn eigen belangen.

Het belang van een rechtspersoon is datgene wat zijn bestaan, zijn materiële goederen en morele rechten, inzonderheid zijn vermogen, eer en goede naam raakt (zie o.m.: Cass. 19 september 1996, Arr. Cass. 1996, 775). Het Hof van Cassatie hanteert een strikte opvatting. Het enkele feit dat de rechtspersoon een bepaald doel, ook al is het statutair, nastreeft, doet volgens het Hof van Cassatie het eigen belang, waarvan die persoon moet doen blijken om een rechtsvordering in te stellen, niet ontstaan. De krenking van de individuele belangen van de leden levert evenmin een persoonlijk belang op van de vereniging.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 15/05/2017 - 13:56
Laatst aangepast op: ma, 15/05/2017 - 13:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.