-A +A

Exceptie van niet nakoming kan ten aanzien van een regelingsakte echtscheiding onderlinge toestemming worden ingeroepen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 23/11/2017

Echtscheidingsovereenkomsten  behelzen een alomvattend vergelijk met het karakter van een dading. Het is een geheel van geven en nemen, waarbij enerzijds de zogeheten regelingsakte (in de zin van art. 1287 Ger.W.) en anderzijds de familierechtelijke overeenkomst (in de zin van art. 1288 Ger.W.) hand in hand gaan. Het ene kan moeilijk worden gezien zonder het andere, wat evengoed geldt voor de onderdelen binnenin.

Een EOT heeft een bijzondere aard en strekking wat maakt dat zij aposteriori moeilijk kan worden aangevochten.

Bij het sluiten ervan verdisconteren de contractspartijen sowieso de risico's van dwaling en benadeling. Het verbintenissenrecht geldt maar wordt gestuurd ingevolge het sui generis karakter van de EOT-overeenkomsten.

Noch het karakter van dading noch de bijzondere aard en strekking ervan gelet op de echtscheidingscontext staan eraan in de weg dat, in geval van (bewezen) wanprestatie, de ene ex-echtgenoot de exceptie van niet-nakoming kan inroepen om op die manier de nakoming van eigen verbintenissen op te schorten.

Het verbintenissenrecht speelt derwijze dat sanctiemechanismen voor wanprestatie evengoed spelen, inzonderheid de exceptie van niet-nakoming en de ontbinding gebeurlijk met schadevergoeding.

De exceptie van niet-nakoming laat de contractspartij bij een wederkerige contract toe, in geval van wanprestatie van de wederpartij, de nakoming van eigen verbintenissen (tijdelijk) op te schorten.

De (gebeurlijk a posteriori in rechte te toetsen) toepassingsvoorwaarden zijn de volgende:

• de schuldenaar die de exceptie inroept, is zelf schuldeiser van een zekere (maar daarom niet effen) schuldvordering, die als eerste opeisbaar wordt, derwijze dat de schuldenaar die de exceptie inroept niet zelf de verplichting had eerst te presteren;

• de schuldenaar die de exceptie inroept, moet aantonen dat de wederpartij in wanprestatie verkeert wat betreft verbintenissen met betrekking tot dezelfde overeenkomst (waarbij een ingebrekestelling hoort met opgave van de wanprestatie en aankondiging van de bedoelde exceptie);

• de schuldenaar die de exceptie inroept, moet zowel subjectief te goeder trouw zijn (wat betekent dat de schuldenaar die de exceptie inroept niet zelf aan de basis mag liggen van de wanprestatie van de wederpartij) als objectief te goeder trouw (wat betekent dat er een evenwicht is tussen enerzijds de wanprestatie en het eruit voortvloeiende nadeel en anderzijds de exceptie en het eruit voortvloeiende nadeel). 
 

Publicatie
tijdschrift: 
TBO
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2018
Pagina: 
52
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

C. t./ v.

[ ... ]

IV. Beoordeling

( ... )

2. Los van het inmiddels achterhaalde punt van de hoofdvordering van C., daar waar hij de ontruiming van de gewezen echtelijke woning en (desnoods gedwongen) uitzetting van W. beoogde, vordert C. thans enkel nog schadevergoeding. Het gaat in essentie om een vergoeding voor de schade die C. beweerdelijk heeft geleden ingevolge de door W. aangehouden bewoning/bezetting van de gewezen echtelijke woning over de in de echtscheidingsovereenkomsten van 4 maart 2009 bedoelde zes jaar heen. Het gaat meer precies om (1) een bezettingsvergoeding, (2) een vergoeding voor gedragen lasten inzake onroerende voorheffing en huur en (3) een vergoeding voor diverse schadeposten.

W. van haar kant beoogt eensdeels achterstallige onderhoudsbijdragen ten behoeve van de kinderen en anderdeels (1) een vergoeding omwille van benadeling bij de kavelvorming middels de echtscheidingsovereenkomsten van 4 maart 2009 en (2) een vergoeding omwille van vergeten dan wel (doelbewust door C.) verborgen gehouden activa bij de kavelvorming middels de echtscheidingsovereenkomsten van 4 maart 2009.

( ... )

Aan bepaalde punten van voormelde vorderingen, inzonderheid de tegenvordering van W. strekkende tot betaling van (1) achterstallige onderhoudsbijdragen ten behoeve van de kinderen en (2) een vergoeding omwille van benadeling bij de kavelvorming middels de echtscheidingsovereenkomsten van 4 maart 2009, ligt een interpretatiegeschil ten grondslag.

Het mag (intussen) duidelijk zijn dat:

de diverse punten van voormelde vorderingen grosso modo samenhangen in de zin van de artikelen 30 en 566, eerste lid Ger.W. en derhalve onderling zo nauw zijn verbonden dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten teneinde onverenigbare oplossingen bij een afzonderlijke berechting te vermijden (zie dienaangaande K. Devoldcr, De bevoegdheidsverdeling in familiezaken: voor en na de familierechtbank, Antwerpen, Intersentia, 2014, 48-49, nr. 60; J. Laenens e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 320, nr. 661);

 

geen van de punten van voormelde vorderingen zonder meer kan worden herleid tot een uitvoeringsgeschil op basis van de echtscheidingsovereenkomsten van 4 maart 2009; geen van de punten van voormelde vorderingen derhalve (zonder meer) middels executie van de notariële echtscheidingsovereenkomsten van 4 maart 2009, die als zodanig een uitvoerbare titel uitmaken, kan worden doorgevoerd; geen van de punten van voormelde vorderingen immers voldoende nauwkeurig/precies neerligt in de echtscheidingsovereenkomsten van 4 maart 2009 (zie dienaangaande E. Dirix en K. Broeckx, "Beslag", APR 2010, 166 e.v., nrs. 226 e.v.; zie ook nadrukkelijk G. Verscheiden e.a., "Overzicht van rechtspraak (2007-2011): Familierecht", TPR 2012, 2025-2026, nrs. 960-962);

de uitvoerbare kracht van een notariële akte beperkt is tot wat rechtstreeks uitvoerbaar is, zonder dat ernstige betwisting mogelijk is over de modaliteiten van de verbintenissen en zonder tussenkomst van nieuwe elementen;

de notariële echtscheidingsovereenkomsten van 4 maart 2009 als zodanig geen uitvoerbare titel opleveren tot (gedwongen) executie met betrekking tot de diverse punten van voormelde vorderingen;

zulks hooguit het geval is voor de tegenvordering van W. strekkende tot betaling van achterstallige onderhoudsbijdragen ten behoeve van de kinderen, mits beslechting van het onderliggende interpretatiegeschil (zie dienaangaande E. Dirix en K. Broeckx, "Beslag", APR 2010, 209-212, nr. 303).

( ... )

4. Ten gronde rijst vooreerst de vraag naar de litigieuze bewoning/bezetting van de gewezen echtelijke woning door W. in de periode van 5 maart 2015 tot 8 december 2015.

5. Zoals reeds aangegeven, komen de (ex-)echtgenoten in de echtscheidingsovereenkomsten van 4 maart 2009 onder meer overeen dat W. met minstens één gemeenschappelijk kind gedurende maximum zes jaar en derhalve tot uiterlijk tot 4 maart 2015 gratis de gewezen echtelijke woning te W., eigendom van C., mag blijven bewonen, met dien verstande dat (1) W. de kosten eigen aan een huurder, met inbegrip van de verzekeringskosten, moet dragen, (2) de onroerende voorheffing ten laste valt van C. en (3) W. haar recht op bewoning verliest indien zij derden laat inwonen.

6. Het staat buiten kijf dat de bewoning door W. de maximumduur van zes jaar heeft overschreden. Zij verhuist uiteindelijk pas medio november 2015, met de melding bij brief van 1 december 2015 dat de sleutels/code ter beschikking zijn.

De overhandiging van de sleutels/code gebeurt uiteindelijk op 8 december 2015.

W. voert aan (1) dat zij is gestoord in haar bewoning/genot door toedoen van C., die in het voorjaar van 2015 substantiële werken plant inzonderheid aan de oprit en toebehoren en (2) dat C. bij die gelegenheid ook het gros van de sleutels van de woning heeft meegenomen, behoudens twee sleutels om via de garage binnen te komen.

Gelet op die aanvoering, behelst de overhandiging van de sleutels enkel de nog voorhanden zijnde sleutels.

7. Daar waar C. de bewoning door W. in de periode van 5 maart 2015 tot 8 december 2015 aanziet als een niet langer conventioneel toegestane gratis bewoning en derhalve als een bezetting, beroept W. zich op de exceptie van niet-nakoming.

Reeds geruime tijd vóór de periode van beweerde bezetting en meer precies bij aangetekende brief van 4 juli 2014 richt W. zich tot C. omwille van de beweerde niet-nakoming van bepaalde van zijn verplichtingen ingevolge de echtscheidingsovereenkomsten van 4 maart 2009. W. hekelt daarbij (1) de (mede bij gebrek aan indexatie) achterstallige onderhoudsbijdragen ten behoeve van de kinderen, (2) de volgens haar te lage waarde van het overgedragen appartement te W. met drie parkeerplaatsen (dat, blijkens de notariële akte van 18 februari 2013, een waarde kent van slechts 250.000,00 euro in plaats van 400.000,00 euro) en (3) een door C. van de verzekeringsmaatschappij verkregen vergoeding omwille van waterschade in de gewezen echtelijke woning terwijl W. de bedoelde schade heeft verholpen/hersteld dan wel laten verhelpen/herstellen. W. stelt verder dat C. bepaalde goederen heeft onttrokken aan de gewezen huwelijksgemeenschap (zoals haar aandeel in een vordering in rekening-courant ten aanzien van de NV C). W. vervolgt dat zij in die optiek haar verplichting om de gewezen echtelijke woning te verlaten tegen 4 maart 2015 niet zal nakomen.

C. voert protest bij brief van 8 september 2014.

Diverse briefwisseling volgt, waaronder ingebrekestellingen van 14 november 2014 en 15 december 2014 waarbij W. C. aanmaant tot betaling van de (mede bij gebrek aan indexatie) achterstallige onderhoudsbijdragen ten behoeve van de kinderen.

C. voert protest, inzonderheid bij brieven van 19 november 2014 en 12 januari 2015.

Bij navolgende brieven van 19 februari 2015 en 5 maart 2015 dringt C. aan bij W. om de gewezen gezinswoning tijdig/ onmiddellijk te verlaten.

In die context blijft W. (wars van het protest/de aanmaning van C.) de gewezen gezinswoning bewonen na 4 maart 2015, wat zij bevestigt bij brief van 6 maart 2015.

In diezelfde context verzet W. zich tegen storingen van haar bewoning/genot door toedoen van C., die in het voorjaar van 2015 substantiële werken plant inzonderheid aan de oprit en toebehoren.

8. De echtscheidingsovereenkomsten van 4 maart 2009 behelzen een alomvattend vergelijk met (zoals vaak en zeker ook in casu) het karakter van een dading. Het is een geheel van geven en nemen, waarbij enerzijds de zogeheten regelingsakte (in de zin van art. 1287 Ger.W.) en anderzijds de familierechtelijke overeenkomst (in de zin van art. 1288 Ger.W.) hand in hand gaan. Het ene kan moeilijk worden gezien zonder het andere, wat evengoed geldt voor de onderdelen binnenin (A.-Ch. Van Gysel, "L'exception dinexécution et Ie divorce par consentement mutuel", noot onder Brussel 23 december 2004, Div.Act. 2007, 59).

C. en W. zijn zodoende gekomen tot een dading met een bijzondere aard en strekking (I. Boone, "Het verbintenissenrecht als remedie voor conflicten tussen gewezen echtgenoten na echtscheiding door onderlinge toestemming", in P. Senaeve e.a. (eds.), Themiscahier personen- en familierecht, Brugge, die Keure, 2014, 94, nr. 26), wat maakt dat zij aposteriori moeilijk kan worden aangevochten (artt. 2052-2053 BW; 2 x Cass. 9 november 2012, RW 2012-13, 1415, noot E. Adriaens). Bij het sluiten ervan verdisconteren de contractspartijen sowieso de risico's van dwaling en benadeling. Het verbintenissenrecht geldt (Cass. 20 april 2006, EJ 2006, 100, noot C. Aerts; Cass. 14 oktober 2010, RW 2011-12, 1209), maar wordt gestuurd ingevolge het sui generis karakter van de EOT-overeenkomsten (Cass. 16 juni 2000, RW 2000-01, 238, noot W. Pintens).

9. Noch het karakter van dading noch de bijzondere aard en strekking ervan gelet op de echtscheidingscontext staan eraan in de weg dat, in geval van (bewezen) wanprestatie, de ene ex-echtgenoot de exceptie van niet-nakoming kan inroepen om op die manier de nakoming van eigen verbintenissen op te schorten.

Het verbintenissenrecht speelt derwijze dat sanctiemechanismen voor wanprestatie evengoed spelen, inzonderheid de exceptie van niet-nakoming en de ontbinding gebeurlijk met schadevergoeding (G. Verscheiden, "Relitigatie na echtscheiding door onderlinge toestemming (2011-2017)" in P. Senaeve en G. Verscheiden (eds.), Wetgeving en rechtspraak familie(proces)recht 2017, Antwerpen, Intersentia, 2017, 187- 188, nr. 312; vgl. A.-Ch. Van Gysel, "L'exception d'inexécution et Ie divorce par consentement mutuel", noot onder Brussel 23 december 2004, Div.Act. 2007, 56-59).

10. De exceptie van niet-nakoming laat de contractspartij bij een wederkerige contract toe, in geval van wanprestatie van de wederpartij, de nakoming van eigen verbintenissen (tijdelijk) op te schorten (W. van Gerven en A. Van Oevelen, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2015, 210-213). De exceptie zit in wederkerige contracten van rechtswege besloten. Zij vindt haar grondslag in de onderlinge afhankelijkheid van de wederzijdse verbintenissen.

De (gebeurlijk a posteriori in rechte te toetsen) toepassingsvoorwaarden zijn de volgende:

de schuldenaar die de exceptie inroept, is zelf schuldeiser van een zekere (maar daarom niet effen) schuldvordering, die als eerste opeisbaar wordt, derwijze dat de schuldenaar die de exceptie inroept niet zelf de verplichting had eerst te presteren;

de schuldenaar die de exceptie inroept, moet aantonen dat de wederpartij in wanprestatie verkeert wat betreft verbintenissen met betrekking tot dezelfde overeenkomst (waarbij een ingebrekestelling hoort met opgave van de wanprestatie en aankondiging van de bedoelde exceptie);

de schuldenaar die de exceptie inroept, moet zowel subjectief te goeder trouw zijn (wat betekent dat de schuldenaar die de exceptie inroept niet zelf aan de basis mag liggen van de wanprestatie van de wederpartij) als objectief te goeder trouw (wat betekent dat er een evenwicht is tussen enerzijds de wanprestatie en het eruit voortvloeiende nadeel en anderzijds de exceptie en het eruit voortvloeiende nadeel). ll. In de gegeven omstandigheden roept W. terecht de afdoende aangekondigde en gestoffeerde exceptie van niet-nakoming in (teneinde de gewezen echtelijke woning na 5 maart 2015 te blijven bewonen) omwille van de niet-nakoming door C. van bepaalde van zijn verplichtingen ingevolge de EOTovereenkomsten van 4 maart 2009 inzonderheid de wanbetaling (mede bij gebrek aan indexatie) van de onderhoudsbijdragen ten behoeve van de kinderen.

Daar waar W. zich eveneens beroept op de volgens haar te lage waarde van het overgedragen appartement te W. met drie parkeerplaatsen (dat, blijkens de notariële akte van 18 februari 2013, een waarde kent van slechts 250.000,00 euro in plaats van 400.000,00 euro), blijft zij, zoals verder nog aangegeven, steken in haar bewijslast.

( ... )

12. Pijnpunt is evenwel de wanbetaling door C. (mede bij gebrek aan indexatie) van de onderhoudsbijdragen ten behoeve van de kinderen: X. (01987), Y. (01989) en Z. (01992).

Zoals reeds aangegeven, komen de (ex-)echtgenoten in de echtscheidingsovereenkomsten van 4 maart 2009 onder meer overeen dat:

C. aan W. ten behoeve van Z., los van (1) de kinderbijslag die toekomt aan W. en (2) de door beide ouders bij helften te dragen buitengewone medische kosten, een te indexeren maandelijkse onderhoudsbijdrage ten bedrage van 500,00 euro betaalt, en dit totdat Z. hogere studies aanvat; C. aan W. ten behoeve van de kinderen die hogere studies volgen, los van (1) de kinderbijslag die toekomt aan W. en (2) de door beide ouders bij helften te dragen buitengewone medische kosten, een te indexeren maandelijkse onderhoudsbijdrage ten bedrage van 1.000,00 euro per kind betaalt, en dit totdat zij in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien; de bijdrageregeling ten behoeve van de kinderen door de bevoegde rechter kan worden herzien, wanneer nieuwe omstandigheden buiten de wil van de ouders hun toestand of die van de kinderen ingrijpend wijzigen.

( ... )

Gelet op de intussen genomen conclusies en de devolutieve werking van het hoger beroep (in de zin van art. 1068, eerste lid Ger.W.) zegt het hof (als appelrechter ten gronde, wars van een executiegeschil) in de gegeven omstandigheden voor recht dat:

de onderhoudsverplichting (mede) van C. ten behoeve van de drie kinderen doorloopt tijdens hun hogere studies totdat zij in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien;

de bedoelde hogere studies, die weliswaar een normaal/ doorsnee verloop moeten kennen, niet noodzakelijk zijn beperkt tot het behalen van een basisdiploma maar evengoed aansluitende hogere studies (in dezelfde richting) en bijhorende stageverplichtingen kunnen omvatten (zie dienaangaande P. Senaeve, Compendium van het personenen familierecht, Leuven, Acco, 2015, 369-370, nrs. 1191- 1192; D. Van Lierde, "De ouderlijke verplichting tot het betalen van onderhoudsgeld aan het meerderjarige kind voor het volgen van een bijkomende opleiding", T.Fam. 2009, 46-50);

de onderhoudsverplichting (mede) van C. pas stopt naarmate de kinderen in hun levensonderhoud kunnen voorzien, waarmee, bij gebrek aan nadere precisering, wordt gedoeld op een relatiefbasislevensonderhoud (zie dienaangaande P. Senaeve, Compendium van het personen- en familierecht, Leuven, Acco, 2015, 370, nr. 1195), met dien verstande dat (1) eigen inkomsten in rekening moeten worden gebracht en (2) rekening wordt gehouden met de prioritaire onderhoudsaanspraak tijdens het huwelijk (Cass. 20 april 2007, RW 2008-09, 69; P. Senaeve, Compendium van het personen- en familierecht, Leuven, Acco, 2015, 370, nrs. 1193-1194);

een en ander conventioneel vastligt totdat de bijdrageregeling ten behoeve van de kinderen in rechte wordt herzien gelet op nieuwe omstandigheden buiten de wil van de ouders die hun toestand of die van de kinderen ingrijpend wijzigen (zie ook en vgl. Cass. 30 april 2004, TNot. 2005, 550). Mede gelet op (1) de brieven van inzonderheid 4 juli 2014, 14 november 2014 en 15 december 2014 waarbij W. C. aanmaant tot betaling van de (mede bij gebrek aan indexatie) achterstallige onderhoudsbijdragen ten behoeve van de kinderen en (2) de navolgende deelbetalingen, blijkt de manifeste wanprestatie van C.

Het (mede) bij brieven van 8 september 2014, 19 november 2014 en 12 januari 2015 door C. geboden protest is onvolkomen.

Daar waar C. de door hem verschuldigde onderhoudsbijdrage, inzonderheid wat betreft Y., disproportioneel acht en dienaangaande discussie rijst, dient hij in rechte te ageren (met het oog op herziening) veeleer dan op eigen houtje de bijdrage te verminderen/staken.

De wanprestatie van C. vormt een afdoende grondslag voor de (na 5 maart 2015) aangehouden bewoning van de gewezen echtelijke woning door W.

Daarbij speelt de context waarin W. met haar studerende kinderen (en de bijhorende zorgen/stress van dien) door C. grosso modo aan haar lot wordt overgelaten dan wel veeleer wordt tegengewerkt, terwijl de kinderen in de gegeven omstandigheden het kader van de gewezen gezinswoning ook als studiekader willen aanhouden in de finale fase van hun studies.

De voorwaarden voor de door W. ingeroepen exceptie van niet-nakoming zijn vervuld:

de onderhoudsverplichting van C. gaat vooraf aan de verplichting van W. om de gewezen echtelijke woning te verlaten;

C. verkeert in wanprestatie wat betreft verbintenissen met betrekking tot dezelfde echtscheidingsovereenkomsten van 4 maart 2009 en is dienaangaande ook in gebreke gesteld met opgave van de wanprestatie en aankondiging van de bedoelde exceptie;

W. is zowel subjectief als objectief te goeder trouw.

In het academiejaar 2014-15 volgden zowel Y. als Z. hogere studies, terwijl in het academiejaar 2015-16 enkel Z. nog hogere studies volgt. In het academiejaar 2014-15 volgde Y. de bij de opleiding van tandarts aansluitende studie in de specialistische mondzorg met bijhorende stage. De door C. gehekelde inschrijving van Y. als zelfstandige kadert binnen die stage, terwijl de beperkte verdiensten van die stage (anders dan C. wil voordoen) geenszins maken dat Y. zelf(standig) in haar levensonderhoud kan voorzien.

Daar waar C. deelbetalingen uitvoerde (en weigert aan te vullen) voor deze jaren, wijzigt hij op eigen houtje de afspraken.

Nu de echtscheidingsovereenkomsten van 4 maart 2009, zoals reeds aangegeven, een uitvoerbare titel uitmaken, kan het hof, mits oplossing van het interpretatiegeschil, geen bijkomende uitvoerbare titel verschaffen.

Een veroordeling van C. tot betaling van de (mede bij gebrek aan indexatie) achterstallige onderhoudsbijdragen ten behoeve van de kinderen kan hic et nunc niet worden uitgesproken.

13. Een en ander maakt dat:

W. zonder meer in de gewezen echtelijke woning mocht blijven wonen na 5 maart 2015 (tot 8 december 2015), temeer geenszins is bewezen dat zij derden heeft laten inwonen;

W. gedurende die periode weliswaar de kosten eigen aan een huurder, met inbegrip van de verzekeringskosten, moest blijven dragen, maar niet de onroerende voorheffing die ten laste is gebleven van C.;

C. geen aanspraak kan maken op een bezettingsvergoeding met betrekking tot de periode van 5 maart 2015 tot 8 december 2015;

C. evenmin aanspraak kan maken op de door hem betaalde onroerende voorheffing pro rata gedurende die periode; C. evenmin aanspraak kan maken op enige vergoeding voor de beweerde schade omwille van het moeten aangaan van een (nieuwe) huurovereenkomst van korte duur (met ingang op 1 juni 2015) gedurende diezelfde periode (gebeurlijk in het raam van een kostendelende samenwoning).

( ... )

15. Rest derhalve, wat betreft de aanspraken van C., de door hem beoogde vergoeding( ... ).

16. In lijn met wat W. dienaangaande aanvoert, faalt C. in zijn bewijslast.

( ... )

18. De aanspraken van C. met het oog op schadevergoeding falen in alle onderdelen.

19. Rijst vervolgens de aanspraak van W. daar waar zij de veroordeling van C. beoogt tot betaling van een bedrag van 150.000,00 euro in vruchtgebruik voor W. en in naakte eigendom voor de kinderen omwille van de volgens haar te lage waarde van het overgedragen appartement te W. met drie parkeerplaatsen. Zij beoogt zodoende een extra van 150.000,00 euro meer interesten. Het appartement en toebehoren blijkt immers, volgens de notariële akte van 18 februari 2013, een waarde te kennen van slechts 250.000,00 euro in plaats van 400.000,00 euro.

Bijkomend beoogt W. haar aandeel in bepaalde goederen die C. beweerdelijk heeft onttrokken aan de gewezen huwelijksgemeenschap en meer precies (1) haar aandeel in een vordering in rekening-courant ten aanzien van de NV C. en (2) (minstens de helft van) de gemeenschappelijke tegoeden zoals aangehouden op beweerdelijk door C. verborgen gehouden rekeningen bij R. BANK.

20. Deze aanspraken van W. falen.

W. beweert dat, inzonderheid gelet op de kavelsamenstelling met betrekking tot de (gewezen gemeenschappelijke) onroerende goederen, zo ook gelet op (1) de meerwaarde die de gewezen echtelijke woning (eigendom van C.) ingevolge investeringen met gemeenschappelijke gelden heeft verkregen en (2) de gewezen participatie van W. in de NV C. in vereffening, het nodige zou worden gedaan om een vastgoedelement over te dragen aan (1) W. in vruchtgebruik en (2) de drie kinderen elk ten belope van lf3de in naakte eigendom, en dit voor een totaalwaarde in volle eigendom van 400.000,00 euro.

Deze bewering is vergeefs, nu (1) W. zelf toegeeft dat de beweerde waarde van 400.000,00 euro niet in de echtscheidingsovereenkomsten van 4 maart 2009 is geëxpliciteerd en (2) zij er voorts niet in slaagt haar bewering hard te maken.

Even vergeefs hekelt W. derhalve de volgens haar te lage waarde van het overgedragen appartement te W. met drie parkeerplaatsen, dat, blijkens de notariële akte van 18 februari 2013, een waarde kent van slechts 250.000,00 euro in plaats van 400.000,00 euro.

21. De echtscheidingsovereenkomsten van 4 maart 2009 moeten in hun geheel en in hun context worden gezien, zo ook de regelingsakte. Het gaat om een complete vermogensrechtelijke regeling, zonder binding aan het huwelijksvermogensstelsel en/of andere verbintenissen. In prealabele echtscheidingsovereenkomsten maakt het echter niet veel uit wie de zwaarste verbintenissen opneemt/lasten draagt. De contractspartijen moeten elkaar vinden.

C. en W. mochten/moesten inderdaad (schriftelijk) een alomvattend (vermogensrechtelijk) vergelijk treffen (Cass. 25 februari 2010, RW 2011-12, 446), zonder als zodanig te zijn gebonden door de conventionele dan wel wettelijke regels van het huwelijksvermogensrecht (B. Tilleman e.a., "Dading", APR 2000, 371, nr. 760). Zij beschikten over een zeer grote vrijheid (I. Boone, "Het verbintenissenrecht als remedie voor conflicten tussen gewezen echtgenoten na echtscheiding door onderlinge toestemming", in P. Senaeve e.a. (eds.), Themiscahier personen- en familierecht, Brugge, die Keure, 2014, 85-86, nr. 11).

C. en W. konden bij de verdeling van hun goederen afwijken van de regels die normalerwijze van toepassing zijn op de verdeling van het huwelijksvermogen. Zij waren niet verplicht om een inventaris van hun goederen op te maken of om exact te bepalen welke vermogensverschuivingen hebben plaatsgevonden. Zij konden opteren voor een forfaitaire regeling en zelfs voor een volstrekt ongelijke verdeling/regeling. De reden voor deze vrijheid ligt in de aard van de echtscheiding door onderlinge toestemming: de door onderlinge toestemming scheidende echtgenoten zijn niet verplicht om de redenen voor de echtscheiding te onthullen en ze kunnen bepaalde (gebeurlijk verregaande) toegevingen doen om hun vrijheid te herwinnen.

Zij kwamen dan ook tot een dading met een bijzondere aard en strekking (I. Boone, "Het verbintenissenrecht als remedie voor conflicten tussen gewezen echtgenoten na echtscheiding door onderlinge toestemming", in P. Senaeve e.a. (eds.), Themiscahier personen- en familierecht, Brugge, die Keure, 2014, 94, nr. 26), wat maakt dat zij aposteriori moeilijk kan worden aangevochten (artt. 2052-2053 BW; 2 x Cass. 9 november 2012, RW 2012-13, 1415, noot E. Adriaens; zie ook Antwerpen 31 mei 2016, RW 2017-18, 424; G. Verscheiden, "Relitigatie na echtscheiding door onderlinge toestemming (2011-2017)" in P. Senaeve en G. Verscheiden (eds.), Wetgeving en rechtspraakfamilie(proces)recht 2017, Antwerpen, Intersentia, 2017, 188-196, nrs. 313-323). Bij het sluiten ervan verdisconteren de contractspartijen sowieso de risico's van dwaling en benadeling. Het verbintenissenrecht geldt (Cass. 20 april 2006, EJ 2006, 100, noot C. Aerts; Cass. 14 oktober 2010, RW 2011-12, 1209), maar wordt gestuurd ingevolge het sui generis karakter van de echtscheidingsovereenkomsten (Cass. 16 juni 2000, RW 2000-01, 238, noot W. Pintens).

Noch gekwalificeerde benadeling noch bedrog (hetzij aan de zijde van C. hetzij aan de zijde van W.) bij de met afdoende kennis van zaken onderschreven echtscheidingsovereenkomsten van 4 maart 2009 is bewezen. Een manifeste/duidelijke/ gewichtige (economische) wanverhouding tussen de wederzijds bedongen prestaties als gevolg van misbruik door de ene (sterkere/superieure) contractspartij van de zwakkere/inferieure positie van de andere contractspartij, blijkt geenszins. Bedrieglijke listen en kunstgrepen (met het oogmerk om te schaden) blijken evenmin.

Een toets van de regelingsakte aan de redelijkheid en billijkheid was/is niet aan de orde. De regeling is definitief en onveranderlijk geworden ingevolge het in kracht van gewijsde treden van de echtscheidingsuitspraak. Wijziging aposteriori onderstelt in de regel een akkoord van beide ex-echtgenoten.

[ ... ]

 

Noot: 

• B. Verlooy De vernietiging van een dading wegens benadeling, RABG 2010/12, 761, noot onder het arrest zoals eveneens gebubliceerd in RABG/12, 755.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 24/03/2018 - 18:27
Laatst aangepast op: do, 29/03/2018 - 19:19

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.