-A +A

Evenredigheidsbeginsel en behoorlijk bestuur

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
din, 22/02/2011
A.R.: 
Arrest nr. 211.454

Het evenredigheidsbeginsel vereist een band van evenredigheid tussen, eensdeels, de nadelen die de maatregel voor de inrichting veroorzaakt en, anderdeels, de baten ten aanzien van het doel van algemeen belang dat ermee wordt nagestreefd, zijnde het herstel van de openbare veiligheid en rust. De maatregel mag niet meer pijn doen dan noodzakelijk voor dat herstel.

Voor een sluiting van een inrichting op grond van art. 9bis van de Drugswet van 24 februari 1921 is niet vereist dat de uitbaters van de inrichting waarop de illegale activiteiten plaatsvinden die de openbare veiligheid en rust in het gedrang brengen, zelf op enigerlei wijze voor die activiteiten verantwoordelijk zijn.

De burgemeester mag bij de bepaling van de duur van de sluitingsmaatregel die hij oplegt, niet zomaar voorbijgaan aan het feit dat de verstoring reeds aanleiding heeft gegeven tot een feitelijke sluiting op grond van een gerechtelijke verzegeling. In het andere geval reikt de duur van de sluiting verder dan nodig.
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2012-2013
Pagina: 
899
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

VOF M.L. en C.M. t/ Stad Antwerpen en burgemeester van de stad Antwerpen

Arrest nr. 211.454

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 15 februari 2011, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de burgemeester van de stad Antwerpen van 4 februari 2011 waarbij het verbod wordt opgelegd om in de inrichting, gelegen aan (…), enige vorm van uitbating of activiteit uit te oefenen gedurende een termijn van twee maanden, ingaande op 18 februari 2011 tot en met 17 april 2011.

III. Feiten

3. Eerste verzoekster baat te Antwerpen de drankgelegenheid (…) uit. Tweede verzoekster is een zaakvoerster van eerste verzoekster.

Tijdens een politieactie op 17 januari 2011 wordt vastgesteld dat drugs worden gedeald vanuit en vóór het café. Er worden ook verdovende middelen in het café gevonden. Het café wordt gerechtelijk verzegeld.

Met een brief van 20 januari 2011 worden verzoeksters uitgenodigd om op 26 januari 2011 te worden gehoord over het voornemen van de burgemeester om hun instelling te sluiten “op grond van art. 9bis van de Drugswet van 24 februari 1921”. Meegedeeld wordt dat de politie vaststellingen heeft gedaan “waaruit blijkt dat in uw instelling verdovende middelen worden verkocht en verbruikt”, waardoor de openbare veiligheid en rust in het gedrang komen. Luidens het proces-verbaal van de hoorzitting betwisten verzoeksters de vaststellingen van de politie niet.

Op 4 februari 2011 besluit de burgemeester dat, onverminderd de verzegeling, het verboden is het café uit te baten gedurende een periode van twee maanden, ingaand op 18 februari 2011. Onder meer wordt gemotiveerd wat volgt:

“Buurtbewoners klagen daarenboven over verschillende vormen van overlast gaande van nachtlawaai, overlast door klanten die voor het café staan, vechtpartijen en andere.

“Bovendien is de instelling gekend en/of genoemd (…) een storende inrichting, gezien de vele politionele vaststellingen aangaande overlast. In 2006 waren er drie vaststellingen inzake geluidsoverlast, in 2007 vijf vaststellingen voor geluidsoverlast, in 2008 vier vaststellingen voor geluidsoverlast en één voor zwartwerk, in 2009 6 vaststellingen inzake geluidsoverlast en in 2010 dertien vaststellingen inzake geluidsoverlast, drie voor sluikstort en één voor niet naleven van de door de burgemeester opgelegde sluiting.

“Voormelde vaststellingen vloeien voort uit signalen van verschillende buurtgroepen en buurtbewoners en hangen samen met de steeds meer agressieve straathandel in verdovende middelen in de omgeving van het (...)plein, waaronder de (...)straat.

“De politie stelt vast dat deze handel vooral wordt gerund door illegaal in het land verblijvende personen, die vooral cocaïne, heroïne, hasj en marihuana in kleine gebruikersdosissen aan de man brengen.

“De politie benadrukt dat de buurtbewoners terdege overlast ondervinden van de straatdealers en drugsverslaafden en -gebruikers. Regelmatig worden buurtbewoners aangesproken en gevraagd of ze geen drugs te koop hebben. Op de straat worden regelmatig achtergelaten gebruikte heroïnespuiten, lege zakjes van marihuana en andere drugsgerelateerde voorwerpen gevonden. Dit geeft een groot onveiligheidgevoel bij buurtbewoners, die zich herhaaldelijk hij de politie beklagen. De aanwezigheid van drugsverslaafden die personen aanklampen en hun rondhanggedrag zorgen voor overlast in de buurt. Hieruit vloeien andere vormen van overlast voort, waaronder geluidoverlast, geroep op de straat, vechtpartijen, steek- en schietpartijen.

“De vaststellingen van de politie worden niet ernstig betwist door de uitbater, noch door de eigenaar van het pand.

“Ten onrechte argumenteert de uitbater dat drugsdealers geen klanten zijn van de instelling. Uit de vaststellingen van de politie blijkt duidelijk dat dit wel zo is.

“Betrokkenen bevestigen anderzijds wel dat er drugsoverlast is vlakbij en in de drankgelegenheid (...). Ze verklaren dat ze regelmatig mensen moeten wegjagen die rondhanggedrag vertonen in het toegangshalletje van het café.

“Er zijn bijgevolg ernstige aanwijzingen voorhanden dat er in een private doch voor het publiek toegankelijke plaats, met name de instelling gelegen (...), gekend en/of genoemd (...), herhaaldelijk illegale activiteiten plaatsvinden die betrekking hebben op de verkoop, de aflevering of het vergemakkelijken van het gebruik van gifstoffen, slaapmiddelen, verdovende middelen, psychotrope stoffen, antiseptica of stoffen die gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, waardoor de openbare veiligheid en rust in het gedrang komt.

Afweging van de belangen

Een handelaar heeft het recht om zijn activiteiten uit te oefenen binnen het wettelijk kader op de manier zoals hij dat wenst met dien verstande dat hierbij de handhaving van de openbare veiligheid en rust niet in het gedrang komt.

Ter vrijwaring van de openbare veiligheid en rust kan de burgemeester noodzakelijke beperkingen opleggen op de vrijheid van handel.

De instelling gekend en/of genoemd (…) heeft geen wettig belang bij het dogen van gebruikers en dealers als klant. Dealers opereren vanuit het café en deze plaats is gekend voor personen die drugs zoeken. De overlast die wordt veroorzaakt door personen die drugs dealen vlak voor of in het café (al dan niet het toegangshalletje) wordt bevestigd door de vaststellingen van de politie en de talrijke klachten van de buurtbewoners.

De uitbater geeft aan er alles aan te willen doen en onder meer mee te werken met de politie om de drugsoverlast te bestrijden, waaruit kan afgeleid worden dat zij geen belang hebben bij het in stand houden van deze illegale praktijken. Ze slagen er echter niet in hun instelling hiervan te vrijwaren.

De buurt wordt dan ook geconfronteerd met de gevolgen van het gebruik en de handel van drugs in en rond de instelling, wat aanleiding geeft tot verstoring van de openbare veiligheid en rust van buurtbewoners en passanten.

De bedreiging van de openbare rust en veiligheid door het drugsprobleem en daarmee gepaard gaande verstoring van de openbare veiligheid en rust weegt op tegen het private belang van de uitbater en de eigenaar, die er niet in slagen de overlast een halt toe te roepen.

Verantwoording van de maatregel

Het komt de burgemeester toe uit te maken welke maatregel de meest geëigende is om in dit geval de openbare veiligheid en rust te herstellen en te voorkomen dat ze in de toekomst nog kan worden verstoord.

Art. 9bis van de Drugswet van 24 februari 1921 voorziet dat de sluiting voor maximum zes maanden kan worden opgelegd.

De toepassingsvoorwaarden van art. 9bis zijn vervuld.

Het is noodzakelijk om een tijdelijke sluiting voor een bepaalde termijn van de betrokken plaats na te streven. Zo kan effectief de ordeverstoring rond deze plaats ophouden en krijgen de betrokkenen de gelegenheid om afdoende maatregelen te nemen om deze illegale activiteiten stop te zetten of te voorkomen.

De uitbater, de (…) is zich bewust van de problemen en de overlast maar is niet in staat om de rol die de uitbating van (...) hierin speelt voldoende te erkennen en te verhinderen. De uitbater argumenteert immers tijdens de hoorzitting en in de neergelegde nota onder meer: dat hij zelf geen gebruiker of verkoper is; dat hij niet op de hoogte is van verkoop en/of gebruik van drugs in hun instelling; dat hij niet elke klant of persoon die zich verdacht gedraagt kan controleren; dat de toegangsdeur van het inkomhalletje zou openstaan door toedoen van de eigenaar, waardoor de uitbater niet zou kunnen voorkomen dat zich daar personen ophouden; dat hij er niet in slaagt de personen die zich ophouden in het toegangshalletje weg te houden; dat hij geen weet heeft van klanten in bezit van drugs in het café; dat de vrees voor de eigen veiligheid hem weerhoudt om politie te verwittigen bij mogelijke illegale praktijken van klanten of omstaanders.

Dat de uitbater in de toekomst iedereen uit het café zal weren van wie hij vermoedt dat deze persoon malafide voornemens heeft en dat hij ervoor zal zorgen dat de toegangsdeur van de inkomhal dicht blijft zodat geen personen meer rondhangen in die hal, zoals gesteld in de nota die de raadsman overhandigde, zijn dan ook weinig overtuigend. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat de toestand op korte termijn zal verbeteren.

Bovendien is de kans reëel dat gebruikers en dealers, zolang op deze plaats wordt uitgebaat, hun weg naar deze plaats zullen terugvinden. Een tijdelijke sluiting geeft de uitbaters meteen de kans om zelf afdoende en concrete maatregelen te nemen om de drugsoverlast te voorkomen.

Mede gelet op de ernst van de vastgestelde feiten, de verstoring van de openbare rust en veiligheid voor de buurt als gevolg ervan, de waarschuwingen en de herhaling van de feiten is de sluiting van deze plaats voor de duur van twee maanden verantwoord, onverminderd en rekening houdend met de duur van de verzegeling”.

Het besluit van de burgemeester wordt op 11 februari 2011 bevestigd door het college van burgemeester en schepenen.

V. Grondvoorwaarden voor de schorsing

5. Krachtens art. 17, §§ 1 en 2 RvS-Wet kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is.

VI. De grondvoorwaarde van een ernstig middel
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 26/01/2013 - 02:31
Laatst aangepast op: za, 26/01/2013 - 02:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.